omhoog

Jezus in de synagoge te Nazareth

Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld (Lukas 4, 21)


Het is een klein tussenzinnetje, waarin de niet-jood Lucas opmerkt, dat Jezus volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge ging (vers 16). Dat was allerminst vanzelfsprekend! Johannes de Doper bijvoorbeeld trad op onder de blote hemel. Hij was weggetrokken uit de kringen bij de tempel. Hij trok de mensen naar zich toe. Maar Jezus zoekt hen op. In iedere zich zelf respecterende plaats stond wel een synagoge. Daar ging Jezus heen. Niet uit gewoonte - zonder nadenken. Maar heel bewust - volgens zijn gewoonte. Hij hoorde daar, waar de mensen met elkaar baden en de Wet en de Profeten lazen. Zo gaat Hij ook op de sabbatmorgen naar de synagoge in het dorp waar Hij opgegroeid was: Nazareth.


Men heeft in Nazareth al het nodige over Hem gehoord (zie vers 23). Misschien is de synagoge iets voller dan anders. Maar aanvankelijk wijst niets erop, dat er deze morgen iets bijzonders zal plaatsvinden.

Zo’n synagogedienst begon met verschillende voorgeschreven gebeden, zoals het Sjema Israël (Hoor Israël: Deut. 6, 4-9) en het Achttiengebed. Mogelijk zijn die morgen ook de Tien Woorden uit Exodus 20 of Deut. 5 geciteerd.

Dan volgden de lezingen. Allereerst uit de Thora (de eerste vijf bijbelboeken). Die lezing was voorgeschreven - zoals nog altijd. Ieder jaar leest men zo in de synagoge de gehele Thora door. Die lezing geschiedt vanaf een verhoging, de Biema, in het midden van de synagoge. Vervolgens werd (en wordt in de synagoge) op sabbath een gedeelte uit de profeten gelezen, de Haftara.


Op dat moment staat Jezus op. Hij wenst gebruik te maken van zijn recht om in de synagoge te lezen. Men stelt hem de rol van Jesaja ter hand. Heeft Hij om juist dit bijbelboek gevraagd? Of heeft men het Hem eenvoudig gegeven? We weten, dat in die tijd de profeet Jesaja graag gelezen werd. Dat is niet onbegrijpelijk. Het was een donkere tijd. En welke profeet geeft zoveel beloften als stralen van licht als juist Jesaja?! Jezus kiest een lezing, die in ieder geval niet voorgeschreven was: Jesaja 61, 1-2. En Hij doet dat niet letterlijk, maar vrij. Jezus neemt elementen uit andere gedeelten (bijv. Jesaja 58, 6) erbij. Dat was in die tijd niet ongewoon. Op die manier betrok men een tekst op de tijd, waarin men leefde. In de rabbijnse literatuur uit die tijd komt dat wel vaker voor, om aan te geven, dat een profetie zich in iemand vervult. Zo’n geactualiseerd citaat noemde men: Pesjer.


Dat is Jezus’ bedoeling ook. Men zal er in de synagoge wel eens recht voor zijn gaan zitten om te horen wat Jezus bedoelde. Maar eerst rolt Jezus de boekrol op en geeft hem terug aan de dienaar van de synagoge. Dan gaat Hij zitten. De lezing van de Schrift vond staande plaats. Maar wanneer iemand naar aanleiding van die lezing iets wilde zeggen, ging hij zitten. Zo ook Jezus. Gespannen wacht men op Zijn uitleg. De tekstkeus was al veelzeggend. Met de kleine invoeging uit Jesaja 58 had Jezus al laten merken, dat het voor Hem in die tekst ging om de vrijlating, de bevrijding! De Geest des Heren is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft... - wie kan dat met meer recht zeggen dan Hij, die de Geest bij Zijn doop heeft ontvangen? Waartoe? Tot bevrijding van gevangenen en heenzending van verbrokenen in vrijheid.


Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld. lk zie de mensen elkaar aankijken. Dat moest wel komen! Wat hadden ze er naar uitgezien! Ze waren arm, uitgemergeld door de Romeinen en hun handlangers: de tollenaars. Familieleden van hen waren omgebracht door de Romeinen. Eigenlijk waren ze gevangenen allemaal. Ze waren verbréken - murw gebeukt onder de laars van de Romeinen. Waar hebben ze méér naar verlangd dan naar vrijheid?! Wat geweldig, dat Jezus die nu afkondigt. Heden. Niet morgen. Maar nù.


Ze horen een machtige boodschap. Als ze hun ogen dichtdoen, zien ze het al voor zich, dat God hun geeft, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid (Lukas 1, 74-75). Maar als ze hun ogen weer opendoen, zit daar alleen die Jezus, de zoon van Jozef, hun plaatsgenoot. En buiten horen ze nèt een troep Romeinse soldaten voorbijgaan. De boodschap is mooi maar waar is de werkelijkheid?


Dat is nog altijd de vraag, die Joden aan christenen stellen. Als Jezus de Messias is, waarom is de wereld dan zo onverlost? Er is een verhaal van een rabbi in Jeruzalem, die gewekt werd met de opgewonden boodschap: de Messias is daar! Meteen stootte hij het venster open. De stad lag er rustig bij in het vroege morgenlicht. Teleurgesteld sloot de rabbi het raam. Het is niet waar, de Messias is er niet - er is niets van te zien. Als Jezus de Langverwachte is, waarom dan al dat leed? Hoe is het dan mogelijk, dat volken worden uitgeroeid? Dat eenzaamheid, haat, ziekte en leed deze wereld kenmerken? Dat de goddelozen hun gang kunnen gaan?


We moeten goed opletten wàt Jezus zegt. Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld. Jezus kondigt niet een verandering aan, die we met onze blote ogen zomaar kunnen constateren. Die er op een goede dag is, en dan ook blijft. Voor iedereen constateerbaar. Nee, Hij voegt eraan toe: voor uw oren. Het is een boodschap die vraagt om gelóóf. Jezus had gelezen uit Jesaja 61, en was geëindigd met de afkondiging van het Jubeljaar. Dat Jubeljaar was in Israël radicaal. Eens in de vijftig jaar werd het afgekondigd op Grote Verzoendag. Dan zette God de dingen recht. Armen ontvingen het erfdeel terug, dat zij in de loop der tijd verloren hadden. Rijken moesten het afstaan.


Heden zegt Jezus nu lk er ben, en in mijn lijden en sterven dè Grote Verzoendag doe aanbreken, roep lk jullie op tot geloof in Mij en mijn woorden. Geloof en bekeer u! Op grond van de verzoening, die de HERE geeft. Naar Hem toe, en naar elkaar.


Met die boodschap hebben ze moeite. Hoe komt dat toch? Waarom ergeren mensen zich aan het evangelie? Omdat Jezus midden in Jesaja 61, 2 stopt. Midden in een zin. Hij kondigt het Jubeljaar aan en laat de daarop volgende woorden weg: en een dag der wrake van onze God. Wat zien we het graag zó, dat God bij ons, de kerk, terechtkan - en wat hebben die anderen de wraak dik verdiend! Maar als Jezus zegt: voor uw oren - en daarmee aangeeft dat er in de harten van de hoorders iets radicaal moet veranderen - dan is de synagoge te klein!


Dat Jezus dàt bedoelt, blijkt uit de twee voorbeelden. De weduwe te Sarfath en Naâman de Syriër. Twee niet-joden. Ze hebben niets gemeen, behalve dit éne, dat ze de wondermacht van de HERE geloven - met moeite, dwars tegen henzelf in, maar tòch. Ze hàndelen ernaar: de weduwe máákt de koek voor Elia en Naäman gáát zeven keer kopje onder in de Jordaan.


De kerk heeft in het verleden de synagoge vaak gemakkelijk afgeschreven. Dáár kan Jezus duidelijk niet terecht! De kerk werd wel afgebeeld, fier, ziende - en de synagoge geblinddoekt. Christenen hebben Joden vervolgd - in de overtuiging de wraak van God te voltrekken.

Maar - doen we dan niet hetzelfde als de mensen in Nazareth? De blijde boodschap van het Evangelie tot Ons vanzelfsprekend bezit maken, en ànderen de wraak van God toeschuiven? Dat kàn niet samengaan met een leven uit de verwondering, dat de HERE mij, ons, om Christus’ wil bevrijdt uit de macht en de schuld van de zonde - op die ene Grote Verzoendag.

Maar - wie de boodschap met blijdschap hoort en doet (= eruit leeft), die stelt ook met blijdschap vast, dat de eerste gang van Jezus ná de uitstoting uit de synagoge in Nazareth opnieuw is... naar de synagoge (Lukas 4, 31-38). Alleen voor een kerk, die de synagoge niet afschrijft, is er hoop. Want geen hoop wordt vervuld, dan alleen die op Gods ongedachte genade - zelfs voor mij.

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 31 nr. 1 (jan. 1987)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel