omhoog

Werd Israël onterfd?

1 Petrus 2:9


Onlangs nam ik deel aan een aantal studiebijeenkomsten, gewijd aan bezinning op de relatie tussen kerk en Israël. Natuurlijk kwamen ook de bijbelse gegevens ter sprake. Een bespreking daarover werd ingeleid met twee goede referaten, een over het Oude en een over het Nieuwe Testament. Daarna gingen de deelnemers uiteen in discussiegroepen. In de groep, waarin ik als luisteraar aanwezig was, kwamen enkele teksten uit 1 Petrus 2 ter sprake. Vooral vers 9 trok de aandacht: Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.


Het is duidelijk, dat hier door de schrijver van deze brief aan de christelijke gemeenten tot wie hij zich wendt, een aantal eretitels wordt gegeven die aan het Oude Testament zijn ontleend, o.a. aan Ex. 19:6. Tijdens de bespreking werd daaruit geconcludeerd, dat deze eretitels en de daarmee aangeduide voorrechten op de kerk zijn overgegaan. Hoewel dit er niet met zoveel woorden bij werd gezegd, zou dit kunnen betekenen, dat ook in dit opzicht de kerk de plaats van Israël is gaan innemen. De bedoeling van de schrijver van 1 Petrus zou dan zijn, met het verlenen van deze eretitels aan de christelijke gemeenten aan te duiden, dat deze na de komst van Christus aan Israël zijn ontnomen. Anders gezegd: de kenmerkende erfenis van Israël (zie o.a. Ex. 19:6) is thans op de kerk overgegaan. Israël zou dus in feite zijn onterfd. Voor zover ik mij dit thans kan herinneren, werd tijdens genoemde studiebijeenkomst die verregaande conclusie niet getrokken. Maar het gevaar, dat lezers van 1 Petrus dit wel doen, ligt voor de hand.


Laten wij de hierboven aangeduide vraag eens wat nader bezien. Niemand kan ontkennen, dat in deze brief bepaalde eretitels, die in het Oude Testament aan Israël worden toegekend, aan christelijke gemeenten worden gegeven. Dat is niet alleen in hoofdstuk 2:9 het geval. In vers 10 wordt een toespeling gemaakt op Hos. 1:10 en wordt gezegd, dat de ontvangers van de brief, die vroeger niet Gods volk waren, nu zijn volk zijn. Opvallend is ook 1:15-16, waar een vers uit de zgn. heiligheidswet in Lev. 19 op de ontvangers van deze brief wordt toegepast.


Wie de ontvangers van de brief zijn wordt gezegd in 1:1. Zowel uit dit vers als uit andere gegevens in de brief blijkt dat deze is gericht aan gelovigen uit de volken. Dus niet aan joden-christenen, die van huis-uit eraan gewend waren de hier vermelde eretitels te horen. De ontvangers van de brief hebben vroeger verkeerd in de duisternis van het heidendom (2:9) en hebben toen een heidense levenspraktijk gevolgd (4:3). Thans is dat echter voorbij, want door Gods genade werden zij uit die duisternis weggeroepen tot Zijn wonderbaar licht. Uit deze en dergelijke gegevens kan elke lezer van 1 Petrus afleiden, dat de geadresseerden van deze brief uit de heidense volken en niet uit Israël afkomstig waren.

In 1:1 worden zij genoemd de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn. Daaraan worden dan de namen toegevoegd van de gebieden, waarin zij wonen; het is een opsomming van gewesten, gelegen in het huidige Turkije. Nu is het de vraag, wat hier precies bedoeld is met deze vreemdelingen in de verstrooiing. Het woord verstrooiing, diaspora, werd destijds meestal gebruikt met het oog op de joodse gemeenschappen, die in diverse delen van het Romeinse Rijk en daarbuiten woonden. Maar uit de brief kan, zoals wij reeds zagen, worden afgeleid dat de ontvangers ervan uit het heidendom afkomstig waren.

Waarom wordt dan in de aanhef van de brief het woord verstrooiing gebruikt? Een befaamd uitlegger heeft gepoogd, deze vraag als volgt te beantwoorden. Behalve joden en jodengenoten (proselyten; mensen die tot het jodendom waren overgegaan) waren er destijds ook vele zgn. Godvrezenden. Hiermee werden mensen aangeduid, die weliswaar niet tot het jodendom waren overgegaan en zich dus geheel bij Israël hadden aangesloten, maar toch in de God van Israël geloofden en in hun levensstijl enkele joodse levensgewoonten overnamen. Zowel uit het Nieuwe Testament als uit andere bronnen is bekend, dat er destijds veel van dergelijke zoekende mensen waren. Bedoelde uitlegger vermoedt, dat de brief gericht is tot zulke Godvrezenden, die volgelingen van Jezus Christus geworden waren (vgl. 4:16).

Het is niet zeker, dat de benaming van de ontvangers van deze brief in 1:1 in deze zin moet worden uitgelegd. Het kan ook zijn, dat verstrooiing hier in een wat ruimere zin bedoeld is en wil aangeven, dat groepjes gelovigen uit de volkeren verspreid waren over het gehele in vers 1 genoemde gebied.


Hoe dit ook zij, de hoofdinhoud van deze brief kan als volgt worden aangeduid:

  1. de ontvangers mogen delen in voorrechten en eretitels, die vroeger aan Israël waren voorbehouden;
  2. evenals in het Oude Testament brengt het ontvangen van zulke voorrechten een verplichting tot levensheiliging met zich; het staat er weliswaar niet zo, maar men zou kunnen zeggen: adeldom verplicht!;
  3. hoewel de ontvangers van de brief in hun omgeving onder zware druk staan, worden zij opgeroepen tot blijmoedigheid.


Dit zijn de hoofdlijnen van het betoog van de schrijver. Betekent dit alles nu, dat hiermee gezegd wil zijn: Israël is onterfd? Anders gezegd: betekent de toekenning van genade-voorrechten aan gelovigen uit de volken dat deze voorrechten, eretitels en de daarmee samenhangende verplichtingen aan Israël zijn ontnomen? Naar mijn stellige overtuiging kan men dit niet uit deze brief afleiden.

De bedoeling is, dat dank zij het werk van Christus nu ook deze niet-joden delen in deze voorrechten en daarmee, evenals Israël, geroepen zijn tot een heilige levenswandel. Dit wordt hier verankerd in het lijden en de opstanding van Christus (zie o.a. 1:3, 8-12, 21). Daardoor wordt gegarandeerd dat allen die Hem volgen mede-erfgenamen zijn van het heil dat God in uitzicht stelt. Samen met Israël, dat niet werd onterfd, maar zijn voorrechten en roeping nu mag delen met de volken. Dat is het nieuwe, het verrassende en blijvende, dat door Christus’ opstanding aan het licht werd gebracht.

dr. Maas Boertien
Vrede over Israël jrg. 31 nr. 2 (april 2021)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel