omhoog

Een zoon van Bethlehem

(Mattheüs 2:13-18)


Kerstfeest is aanstaande. Het verhaal van Jezus’ geboorte zal weer doorverteld worden. Voor velen is het een tijd van feestelijkheid en gezelligheid; een tijd, die weerspiegeld wordt in de geschiedenis van de wijzen uit het oosten (Mt. 2:1-12). Zij ondernemen een verre reis om de geboren koning der joden te huldigen. Via het paleis van koning Herodes als VVV-kantoor in Jeruzalem vinden zij het kind en zijn moeder. Kado’s komen te voorschijn; hulde wordt bewezen. In deze geschiedenis zien we de feestelijkheid van het Kerstfeest. Stellig zal Mattheüs dat ook gezien hebben. Alleen, hij kon maar niet los komen van de vraag: waarom komen deze heidense geleerden (magiërs die een ster zagen) wel om te aanbidden en joodse geleerden (kenners van de Schriften) niet?


Toch zijn het niet alleen de wijzen, die hun hand naar Jezus uitstrekken. Mattheüs kent nog een Kerstgeschiedenis. Eén zonder feestelijkheid of gezelligheid. Het is de andere kant van Kerst; de achterkant van het feest. Hoofdpersoon is koning Herodes, de Idumeeër, over wie Abel Herzberg een indrukwekkende roman schreef: De memoires van koning Herodes. Bijna alle bronnen laten zien, dat Herodes beheerst werd door het gif van de achterdocht. Dat beeld past ook in Mt. 2: de kindermoord in Bethlehem. Wijzen kwamen met geschenken, Herodes met het zwaard; wijzen zochten een koningskind te aanbidden, Herodes een mogelijke konkurrent te doden.


Het plan van Herodes is een duivels plan. Een plan waartegen menselijke berekening te kort schiet. Jozef, Maria en Bethlehem hebben geen idee van de waanzin in Herodes’ hoofd. Om zijn werk niet door menselijke boosheid te laten stuiten, grijpt God zelf in. Hij waarschuwt Jozef in een droom: ze moeten, zoals eens Israël, uitwijken naar Egypte. Dan volgt het drama van Bethlehem. Alle jongetjes van twee jaar en jonger worden gedood. Met heel hun stad worden de jongetjes in de geschiedenis van Jezus getrokken. Zij zijn de eerste slachtoffers om de zaak van Jezus. En deze eerste slachtoffers zijn joodse slachtoffers. In de loop van de geschiedenis zullen er nog vele volgen.


Heel opmerkelijk is, dat Mattheüs in vs 17 zegt: Tóen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia... Mattheüs zegt hier niet wat hij meestal zegt bij een vervullingscitaat uit het Oude Testament, namelijk: ópdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet... (zie o.a. 1:22; 2:15 en 23). Opdat: dat wil zeggen, dat de gebeurtenis een doel heeft en past in een vooropgezet plan. Maar nu zegt Mattheüs dat niet. Hij konstateert alleen: tóen! Over de zin van dit gebeuren laat hij zich niet uit.


Het woord dat Mattheüs vervuld ziet worden is uit Jeremia 31. Het gaat daar over de ballingschap. Om het leed van de moeders in Israël uit te drukken haalt Jeremia Rachel naar voren. Zij is de stammoeder van zowel Israël als Juda; haar graf werd aangewezen bij Rama in de buurt van Bethlehem. In vs 15 lezen we:

Zo zegt de HERE: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.

Het verdriet van Rachel is zo groot, dat ze weigert getroost te worden. Ze houdt niet op te klagen. Mattheüs hoort dezelfde klacht bij de moeders van Bethlehem.


Toch gaat het hem in tweeërlei opzicht om meer dan om dezelfde klacht. Allereerst gaat het Mattheüs ook om de hóóp voor Israël. Juist daarom haalt hij Jeremia 31 aan, want ook daar gaat het om meer dan alleen een klacht. Een belofte klinkt! Direkt na vs 15 lezen we: Zo zegt HERE: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord des HEREN, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand. Ja, er is hoop voor uw toekomst....

Dat moest Rachel weten; dat moeten ook de moeders van Bethlehem weten. Er is toch nog hoop, want God blijft zijn Israël gedenken.


Dat het Mattheüs om meer gaat dan een vergelijkbare klacht tussen de moeders in Israël ten tijde van de ballingschap en de moeders van Bethlehem blijkt vervolgens uit de woorden: Toen werd vervúld... In Mt. 2 is sprake van vervulling; en dat is meer dan overeenkomst of vergelijking. Mattheüs ziet voortgang. In de komst van Jezus ziet hij Gods beloften onderstreept. Vanwege die ene zoon mag Bethlehem met gegronde verwachting uitzien naar het heil van de toekomst. God maakt zijn beloften waar. Dat moeten de moeders van Bethlehem weten - en wij met hen. Gods werk gaat door. Zijn Rijk komt. De menselijke boosheid heeft Gods plan niet kunnen doorkruisen. Jezus leeft nog... al is Hij in Egypte... Hij leeft!


Moet je nu zeggen, dat Jezus de dans ontsprongen is? Het lijkt erop, maar het is niet waar. Zijn leven lang is Jezus een zoon van Bethlehem gebleven. Dat bleek tenslotte aan het kruis. Daar was Hij - op een unieke weg - één met de jongetjes van Beth­lehem. Zoals zij was ook Hij slachtoffer; precies als zij, en toch anders. Hij werd slachtoffer in dubbele zin: Hij stierf onschuldig dóór mensen, maar ook vóór mensen. En dit was zijn weg om zijn volk te redden van hun zonden.


Voor de Knesseth, het parlementsgebouw in Israël, staat een enorme zevenarmige kandelaar van brons met 29 taferelen uit Israëls geschiedenis. Ook Rachel staat erop, knielend, klagend, wenend om haar kinderen. Er is echter iemand, die haar hand vasthoudt; het is Ruth! En Ruth staat rechtop met een kandelaar met drie lichtjes in haar hand.

Alsof Ruth tegen Rachel zegt: nog drie geslachten (Ruth 4:22), dan zal er vrede zijn. David komt, de zoon van Bethlehem, de gevierde koning. Meer nog dan door David is er door Jezus hoop uit Bethlehem en hoop voor Bethlehem. In zijn komst is er een nieuw beslissend begin tot heil voor Israël en de volken. Niet de brute machthebbers hebben het laatste woord. Jezus’ naam is de hoop voor onze toekomst.

Daarom blijven we Psalm 144 zingen, het vijfde couplet: Maak onze zonen, Heer, als jonge loten, als bomen in hun jeugd hoog opgeschoten, laat onze dochters ranke zuilen zijn van een paleis dat blinkt in zonneschijn.

Geef dat op onze pleinen niemand klage...

ds. Rien Vrijhof
Vrede over Israël jrg. 31 nr. 6 (dec. 1987)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel