pijl omhoog

Abraham Joshua Heschel


Waarom in ‘Vrede over Israël’ een artikel over een joodse denker? Eén van de dingen, die Vrede over Israël wil duidelijk maken, is wat jodendom is. We hebben daar bepaalde gedachten over, maar zoals dat is met alles dat je wilt leren kennen en dat leeft: met wat eigen gedachten ben je er niet, er zitten altijd meer en altijd nieuwe kanten aan.

Een goede manier om te proberen, u iets te laten zien van het jodendom, en u van tijd tot tijd ook iets nieuws te laten zien van het jodendom, is denk ik om een en ander te schrijven over joodse mensen; over denkers die bezig zijn met de vragen van en over Israël.


Heschel is in Nederland nog steeds een vrij onbekende naam. Wij zijn voor joods denken altijd meer gericht geweest op Duitsland, en Amerika ligt wat ver weg, buiten onze belangstelling. Sinds een aantal jaren worden Heschels boeken in Duitsland uitgegeven en er zijn er nu ook twee in het Nederlands te koop: ‘God zoekt de mens’ en ‘In het licht van Zijn aangezicht’ *). Dit artikel is geen recensie, maar kan wel dienen als achtergrond, en wil duidelijk maken, wie nu weer déze joodse schrijver is.


Heschel is anders dan de meeste schrijvers van joodse zijde, van wie de boeken door christenen gelezen worden. Hij staat veel meer aan de orthodoxe kant. Lapide, Flusser of Ben Chorin staan vooral in de belangstelling omdat ze veel aandacht hebben voor het Nieuwe Testament en het christendom. Buber had heel eigen ideeën en heeft wel veel betekend voor de waardering van het jodendom, maar intern wordt hij bepaald niet als representatief beschouwd.

Ook Heschel is niet representatief voor het geheel - dat is trouwens een vrijwel onmogelijke opgave. In de Verenigde Staten, waar hij de tweede helft van zijn leven woonde en werkte, identificeerde hij zich het meest met het zogenaamde Conservatieve jodendom, een stroming die tegen de orthodoxie aanzit, maar toch iets vrijer omgaat met de traditie. Voor ons lijken de verschillen klein, maar ze maken wel, dat Heschel door de meeste echt orthodoxe joden niet als woordvoerder zou worden geaccepteerd. Hij staat aan de rand ervan, kan het begrijpen en wordt er begrepen, maar de orthodoxie als stroming was hem te klein.

Misschien stond hij te open en te begrijpend tegenover de problemen van joden die op niet-orthodoxe wijze hun jood-zijn vorm geven en tegenover de nog algemenere vragen van mensen in deze tijd over God en godsdienst.


Hij is randfiguur, maar daardoor tevens verbinding en tolk.

Voor een groot deel is dat te verklaren uit zijn levensloop. Heschel werd geboren in 1907 in Warschau, in het joodse Oost-Europa. Hij stamde uit families van chassidische rabbijnen en werd ook zelf al op jonge leeftijd rabbijn. Als basis voor zijn verdere leven en werken deed hij toen al de kennis op van het traditionele jodendom: uit de boeken, maar vooral ook uit het leven, door zijn omgeving.

Maar hij stapte die beschermde wereld uit, de academische in, en ging studeren in Berlijn. Het werd geen overstap, geen inwisselen van het oude voor iets nieuws, maar een verbreding. Heschel slaagde er voor zichzelf in, in beide werelden thuis te zijn, tegenstellingen te overbruggen en waardevolle dingen te gebruiken en te combineren.

Je ziet al niet zo overdreven vaak, dat dat iemand lukt: nieuwe waarden ontdekken en het oude toch niet weggooien of vergeten. Dat hij dan ook nog die manier van in het leven staan kon toelichten naar beide werelden waarvan hij deel uitmaakte, maakte en maakt hem waardevol voor anderen.


Met dat toelichten en uitwerken is Heschel zijn hele leven bezig geweest. Eerst in Duitsland en Polen, later, noodgedwongen door het nazisme, in Engeland en de Verenigde Staten. Bijna voortdurend heeft hij gedoceerd aan instellingen voor joods hoger onderwijs: in de filosofie, in rabbijnse literatuur, in joodse ethiek en mystiek. Zo maakte hij de studenten bekend met het jodendom en met zijn eigen gedachten daarover. In Europa onder de druk van de naderende oorlog en vervolgingen, in Amerika onder de druk van de vragen en antwoorden van de moderne, seculariserende samenleving. Hoe blijf je daarin staande als jood, met je traditie en je geloof?


Verder schreef hij veel boeken. Het is daarbij nooit helemaal duidelijk, voor wie ze geschreven zijn. In de eerste plaats voor joden, maar meestal is de problematiek zo algemeen, dat ieder ze lezen kan alsof ze voor hem geschreven zijn. Mede daardoor werd Heschel ook een brug van het jodendom naar het christendom, en naar de westerse maatschappij. Dat gebeurde niet zozeer omdat hij het zo graag wilde, of omdat hij daar een aardige markt voor zijn boeken meende te ontdekken, maar min of meer vanzelf: omdat ze aanspraken.

Heschel werd één van de voornaamste ‘gesprekspartners’ voor christenen en liet ook steeds vaker zijn stem horen in zaken, die de hele Amerikaanse samenleving raakten in de zestiger jaren: medische ethiek en politiek, bijvoorbeeld de Vietnam-oorlog.


Voor wie schrijft hij nu eigenlijk? Dat dat niet helder is, heeft méér te zeggen dan alleen dat Heschel joodse problematiek voor niet-joden pakkend en begrijpelijk kan maken. Het hoort wezenlijk bij zijn denken. Het gaat altijd om het centrale gegeven van de relatie tussen God en mens, om de mens, die zoekt - en om God, die de mens zoekt. De vragen die daarmee samenhangen, zijn algemeen: kritiek op godsdienst is er overal, en volgens Heschel in veel opzichten terecht. Geloof lijkt vaak een verouderd begrip.

Heschel doet in zijn werken al zijn best om te laten zien, dat de dingen toch anders zijn dan ze lijken. Dat niet alles verstandelijk te verklaren is. Dat het niet vreemd is om in God te geloven en dat het niet tegen alle logica ingaat om de bijbel te zien als zijn openbaring. Soms denk je haast, dat hij gelooft, dat God bewezen kan worden. Maar het is zijn eigen overtuiging, dat de wereld op Naam staat, die hem zo doet redeneren.

Hij ziet niet-geloven wel degelijk als een serieuze mogelijkheid, maar wil de moderne mens bij de hand nemen, beginnen bij het begin en probeert, soms bijna verdedigend, hem zoveel mogelijk te laten zien van het wonder, dat er is in alle dingen. Het meest onbegrijpelijk voor Heschel is, dat we sowieso iets begrijpen. Er is mysterie, maar er is toch meer dan dat alleen: voorbij het mysterie is er God, is er genade.


De vraag, of iemand dan joods leeft, komt pas later aan de orde; het gaat er in eerste instantie om, dat een mens leert zien en beseffen, dat God hem zoekt.

De mens is niet het begin en het einde van alle dingen. Tenslotte is hij meer een ‘iets’. De wereld draait niet om ons, maar we zijn geschapen, object van Gods gedachten. Niet wij stellen de vragen, maar God vraagt - en ons antwoord mag geloof heten.

Dat alles brengt Heschel zó naar voren, dat het voor ieder bedoeld is - en toch heel joods: een beetje meer, extra, voor joden dan voor anderen. Maar is dat joods? God die de mens zoekt? Hoorden we niet altijd dat het in het jodendom gaat om wetsvervulling, of om de mens die God zoekt en zo fijn zelfstandig als partner van God mag opereren?

Al die dingen komen bij Heschel ook aan de orde, en krijgen hun eigen plaats. Maar al die uitspraken die ons dikwijls wat activistisch in de oren klinken, kunnen alleen gezegd worden - in elk geval bij Heschel - omdat God de mens zoekt.

Daar is dan natuurlijk nóg een heleboel over te zeggen.


In ieder geval kan kennis van boeken zoals die van Heschel voor ons als kerk waardevol zijn. Omdat we denk ik met een aantal dingen ons voordeel zouden kunnen doen. Omdat het een heilzaam middel is, ons vaak zo simpele en vlakke denken over jodendom een klein beetje dieper, waarheidsgetrouwer en veelkleuriger te maken.




G.C. den Hertog schreef over de twee genoemde boeken:


God zoekt de mens. Een filosofie van het jodendom, De Haan/Unieboek b.v., Houten, 1986, 480 blz., ƒ39,90.

Deze prima vertaling van Heschels hoofdwerk God in Search of Man biedt niet zozeer een theologie als wel een filosofie van het jodendom. Theologie begint nl. met dogma’s en vertolkt die naar de mens toe (24). Filosofie vraagt en probeert te verstaan. Dat is het doel van dit boek: het jodendom als bron van ideeën trachten te begrijpen (44).


Langs drie wegen kunnen wij volgens Heschel God benaderen: het speuren van zijn tegenwoordigheid (1) in de wereld (Jesaja 40:26), (2) in de bijbel (Exodus 20:2) en (3) in heilige daden (Exodus 24:7). Deze drie wegen beantwoorden aan de drie voornaamste aspecten van het jodendom: eredienst, leren en handelen. In feite zijn ze één, ‘want dit is de ontdekking van Israël: de God van de natuur is de God van de geschiedenis en de weg, die naar Hem leidt, is het doen van Zijn wil’ (55).


Kenmerkend voor dit boek (en voor Heschel) is dat er niet met logische argumenten naar bepaalde conclusies wordt heengeschreven, maar veel meer in korte zinnen meditatief wordt betoogd. Heschel kiest voor die benadering, omdat die alleen past bij de levende God. ‘Als we denken over de wereld, kunnen we niet verder komen zonder leiding van de logica en een wetenschappelijke methode. Als we denken over de levende God, moeten we ons door de profeten laten leiden’ (194).


Het boek is een boeiende inleiding in de gedachtenwereld van het jodendom aan de hand van een bepaalde denker: Heschel. Daarom staat in de titel ook heel bescheiden: ‘Een filosofie van het jodendom’.


Het andere in het Nederlands verschenen boek van Heschel (In het licht van Zijn aangezicht. De betekenis van het gebed in de joodse gedachtenwereld, Bijleveld/Utrecht. 1986, 160 blz, ƒ25,50) is in zekere zin het complement van ‘God zoekt de mens’.


Heschel verklaart daar ook vanuit zijn eigen biografie waarom hij zich niet kón voegen in de wijze van denken en argumenteren van de hoofdstroom van de filosofie (88vv). Afkomstig uit de beschutte wereld van het Poolse chassidische jodendom, ging hij filosofie studeren aan de Universiteit van Berlijn. Maar zijn leermeesters daar gingen uit van de mens, wat hij kon en aangaande het bestaan van een God voor mogelijk hield. Het bracht Heschel in verwarring en deed het gebed opdrogen. Toen heeft hij begrepen: denken over God kan alleen als we eerst geleerd hebben tot Hem te bidden (60).


Centraal in dit boek staat de gedachte - waar ook ‘God zoekt de mens’ mee inzet - dat de dorheid van geloof en eredienst niet in de eerste plaats te wijten zijn aan ontwikkelingen in de maatschappij en de wetenschap, maar dat de oorzaken daarvan in onszelf liggen: in een verschraling van het gebedsleven. Hoe belangrijk allerlei maatschappelijke vragen ook zijn, de verhouding tot God is van groter belang (58vv). Het gebed is het hart van de godsdienst. Juist daarom moeten we kritisch oog hebben voor allerlei vormen van gebed, waarin het toch om onszelf draait en wij God niet kunnen en zelfs niet willen bereiken (50vv).

Heschel voert een pleidooi voor een gebedsleven, waarin de oude gebedsteksten worden afgetast naar het leven en de vroomheid, die erin uitgedrukt ligt, opdat ze opnieuw gaan leven en wij in aansluiting bij de traditie nieuwe woorden vinden (36vv). Want - het gebed kan niet zonder het woord! (29vv).


Heschel is duidelijk een jood en geen christen. Toch kan een christen veel aan dit boek hebben, m.n. door de fundamentele bijbelse noties, die eraan ten grondslag liggen, én vanwege de diepe levenswijsheid, waarvan het op iedere bladzijde getuigt.

Het boek is uitstekend vertaald in prachtig Nederlands en voornaam uitgegeven.

drs. Rien van der Vegt
Vrede over Israël jrg. 31 nr. 4 (aug 1987)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi31-4b.php

vrede-over-israel/voi31-4b.php