pijl omhoog

De HERE laat Israël niet los

Schriftstudie over Romeinen 11:11-36 (lees ook: Deuteronomium 32:21)

Hoe zit het dan met de wending naar de heidenen?

De HERE laat Israël niet los. Maar als je Romeinen 11 leest, dan is toch duidelijk dat Hij Zich tot de heidenen wendt. Voor hen gaat de deur open, nu Israël niet wil. En we horen dan onder andere, bij het beeld van de vijgeboom: er worden ‘natuurlijke takken’ (Israël) weggebroken, en zo komen er plaatsen vrij voor ‘wilde takken’ (uit de volkeren). Paulus laat zien dat (de ongehoorzaamheid van) Israël plaats maakt voor de volkeren. De HERE steekt de hand nu naar hen uit, en Israël lijkt op het tweede plan gekomen.


Hoe moeten we dit nu zien? Is het dan zo, dat, nu het niet wil lukken met dat volk, de HERE hen maar vergeet, en op een andere lijn verder gaat? Ja, er blijft nog wel een (dun) lijntje doorlopen; er is een ‘rest’ van Israël, een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Maar de hoofdlijn is vanaf nu toch wel het heil voor alle volkeren. Is dat zo? Is de HERE eigenlijk met een nieuw hoofdstuk, op een nieuwe lijn verder gegaan? Zo, dat je nu mag en moet zeggen dat de Kerk het ware, eigenlijke Israël is?

Of is het zoiets als een intermezzo? Kun je toch zeggen: De HERE laat Israël niet los – want Hij komt er nog wel weer eens bij terug. Te Zijner tijd zal Hij Zich ook wel weer op dat volk richten...


Mij dunkt dat beide bovenstaande gedachten onjuist zijn. De HERE heeft niet voorgoed, en zelfs ook niet tijdelijk, Israël losgelaten. Hij heeft Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. Hij doet dat ook niet, nu Hij met Zijn heil naar de heidenen gaat. Want dat doet Hij niet met voorbijzien van Israël, maar Hij heeft integendeel zelfs nu nog dit volk op het oog! Door Israëls ongehoorzaamheid zijn de heidenen tot ontferming gekomen, zegt vers 30. Doel daarvan is echter uiteindelijk weer dat ‘ook zij thans ontferming zouden vinden’ (vers 31)!

Waar haalt Paulus het vandaan?

Hoe komt Paulus tot deze gedachten? Komt hij tot conclusies vanuit het verloop der dingen? Of is het hem zo geopenbaard door de Heilige Geest? Vast en zeker speelt zowel het één als het ander een rol. Maar wat we vooral goed moeten zien is, dat bij één en ander de Schriften een beslissende rol spelen; dat het licht van de Schriften hier bepalend is. De Schriften gaven Paulus zicht op het geheimenis, dat hem uiteindelijk doet uitroepen:

O diepte van rijkdom, van wijsheid en kennis Gods;
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen
en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!


Paulus is intens bezig geweest met wat hij zag gebeuren. Israël, zijn eigen, geliefde volk – maar meer nog: vanouds Gods eigen, geliefde volk! – keert zich af van het Evangelie van Jezus Christus. Dat heeft Paulus intens verdriet gedaan (9:2). Hij heeft er mee geworsteld: Hoe kan dit? Hoe moet het nu verder? Enerzijds zijn er de machtige beloften voor Israël, anderzijds is er de huidige afkerigheid. En dat terwijl uit de volkeren velen tot geloof komen!

De Geest heeft hem daarin licht gegeven – door het Woord. Er staan juist in Rom. 9 t/m 11 heel wat citaten uit de Schriften!


Eén van de teksten die Paulus citeert is Deut. 32:21 (in Rom. 10:19). Daar staat:

Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,
zij krenkten Mij met hun ijdelheden.
Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is;
door een dwaas volk zal Ik hen krenken.


Naar deze tekst verwijst ook het herhaalde gebruik van de uitdrukking ‘tot naijver verwekken’ (zie Rom. 11:11 en 14). Juist deze tekst kan duidelijk maken, dat de HERE doorgaat met Zijn volk Israël, ook als Hij Zich tot de volkeren wendt. Via de volkeren wil Hij toch Israël bereiken en trekken. Het blijft Hem om dit volk gaan! Bij Zijn gaan naar de volkeren, dat ook een oordeel is (Matt. 8:11-12) geldt toch ook: Hij heeft gedacht aan Zijn genade en Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt!

Het lied van Mozes

In Deuteronomium 32 horen we indringende woorden over de toekomst van Israël. Mozes spreekt van de verkiezing van Israël. De HERE gaf dit volk Zijn liefde en zegen (vs. 1-14). Maar Israël beantwoordt dat met afkerigheid (vs. 5v, 15-18). De HERE zal daarover toornen (vs. 19-25). Vernietigen zal Hij het volk niet, opdat de vijand zich niet verheffe (vs. 26-38). Dan klinken ook de woorden:

Ziet nu dat Ik, Ik het ben;
daar is geen God, behalve Mij.
Ik dood en doe herleven,
Ik verbrijzel en genees... (vs. 39)


Het laatste woord is:

Hij oefent wraak aan Zijn tegenstanders,
en verzoent Zijn land, Zijn volk (vs. 43)


Al met al woorden die er niet om liegen als het gaat over het oordeel van de HERE over Zijn volk, maar waarin toch ook hoop gewekt wordt!

Oordeel en genade

Op een bijzondere manier gaan gericht en genade samen in vers 21. Het is oordeel, dat de HERE Zich wendt tot ‘wat geen natie is’, tot een ‘dwaas volk’. Door Israëls val komt het heil tot de heidenen (Rom. 11:11. Zij mogen worden ingelijfd in Israël, ingeënt in de edele olijf — als ‘wilde loten’ (vs. 17). Zij waren eertijds ongehoorzaam, maar mogen nu ontferming vinden (vs. 30)!

Ze hebben het niet verdiend. Deut. 32 spreekt van ‘een dwaas volk’, en helaas was en is dat waar. De heidenen zijn zeker niet beter dan Israël. Laten de ingeënte wilde takken niet hoogmoedig zijn (vs. 17-24). Het ‘dwaze volk’ is maar al te vaak zelfs zo dwaas geweest, eigen-wijs te zijn op de manier waar Paulus zo voor waarschuwt in vs. 25. Nee, dat de volkeren ook mogen binnengaan is niet hun verdienste!

Door Gods oordeel over Israël komt de genade tot de heidenen. Wees dan niet hoogmoedig, maar vrees! En aanbid Gods genade. Want dat de volken er bij komen is toch geen bijkomstigheid, en nog mindereen noodsprong, maar al lang aangekondigd!


Tegelijk is de HERE hier toch ook Israël nog genadig: Hij doet zo niet om Israël weg te duwen, maar om het volk terug te trekken! Hij laat niet los wat Zijn hand begon! Hij grijpt juist door middel van de volkeren toch ook weer naar Israël!

Waarom Paulus graag ‘apostel der heidenen’ wilde zijn

De HERE vergeet Israël niet als Hij de heidenen er bij roept. En zo is het ook met Paulus zelf. Hij is ‘apostel der heidenen’ – maar niet met zijn rug naar Israël! Ook hij blijft zijn volk een warm hart toedragen, en hij vindt het mooie van zijn werk onder de heidenen dat hij het uiteindelijk toch ook mag doen voor Israël! Hij wil ‘zo mogelijk de naijver van zijn vlees en bloed opwekken, en enigen uit hen behouden’ (vs. 14).

‘Om hen tot naijver op te wekken...’

In een vorig nummer van Vrede over Israël (Jrg. 35 no. 3) schreef ds. Vrijhof over de betekenis van de uitdrukking ‘tot naijver verwekken’ en over hoe dat (niet) is gebeurd en zou kunnen/moeten gebeuren. Ik volsta hier verder met een verwijzing naar die Schriftstudie.

Als je er over nadenkt zeg je wel: wat is er van terecht gekomen? En: wat moet het worden?

We moeten vaststellen dat we als christenen uit de heidenen er veel en vaak en pijnlijk in te kort geschoten zijn, Israël tot jaloersheid te verwekken. Vaak is het meer afstotend geweest dan aantrekkend, wat Israël zag en ervoer. Het moet ons tot diepe verootmoediging brengen. Er ligt ook hier veel ‘zonde’ (dat woord betekent eigenlijk: dat we niet aan Gods bedoeling beantwoorden) – en een grote schuld!


Toch blijven we verwachten: met het oog op die trouw van de HERE, waar Paulus ons op wijst. De HERE laat niet los wat Zijn hand begon, maar zal op Zijn manier Zijn plan volvoeren. Hij die allen onder ongehoorzaamheid besloten heeft, om Zich over allen te ontfermen. Zo mag ons oog op Hem zijn, in aanbidding en verwachting, en mogen we met verwondering en hoop bidden voor Israël:

Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil,
naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil.
Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.
Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart,
maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid,
zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden,
opdat door de u betoonde ontferming
ook zij thans ontferming zouden vinden.
Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten,
om Zich over hen allen te ontfermen.
O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods,
hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen
en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!
(Romeinen 11:28-33)

ds. Aart Brons
Vrede over Israël jrg. 37 nr. 6 (dec. 1993)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel