pijl omhoog

Tellen met een wijs hart

n.a.v. Psalm 90:12


Vijftig jaar Israël. Dat is een gegeven dat ons raakt, een jubileum waarover we willen nadenken - en praten - en schrijven. We doen dat ook vanuit ons geloof en met de Bijbel erbij.

Nu staat er genoeg in de Bijbel over Israël. We komen die naam in verschillende betekenissen voortdurend tegen. En ook gaat het over het land, over het wonen daarin en over terugkeer daarheen. Maar wat betreft de staat Israël die wij kennen, lopen de lijnen veel minder duidelijk en direct, de meningen van Christenen gaan ver uiteen en ‘vijftig jaar Israël’ is op zichzelf niet een thema, waarover op grond van de Bijbel zo eenvoudig dingen te zeggen zijn.

Vijftig jaar is een hele tijd. En toch. Het is alles nog zo in het menselijke. De staat Nederland is veel ouder dan de staat Israël, en dat geldt van heel wat landen in Europa. Veel mensen weten nog van de stichting van Israël in 1948; ik herinner me in ieder geval nog dat die staat 25 jaar oud werd. En iedere keer, bij ieder jubileum, denken we over de betekenis, benadrukken we het wonder, tellen we mee met het joodse volk. Bij 40 jaar Israël was er Bijbels wel een en ander te zeggen over dat getal veertig, vijf jaar geleden lag dat veel moeilijker.


En vijftig? Dat is ook een Bijbels getal, zij het niet zo vaak en opvallend voorkomend als veertig, en daarom ook niet zo bekend.

Een periode van vijftig jaar was voor Israël de langste tijdseenheid. We lezen daarover onder andere in Leviticus 25. Het gaat daar over het sabbatsjaar, het zevende jaar en het zogenaamde ‘jubeljaar’, zoals het vijftigste jaar genoemd wordt. Dat is een merkwaardige naam: het gaat in het jubeljaar niet zonder meer om veel gejubel. ‘Jubel’ is eigenlijk het Hebreeuwse woord jovel, dat ‘ram’ betekent, en vandaar ook ‘ramshoorn’. In vers 9 van dit hoofdstuk lezen we over bazuingeschal, en naar dat geluid is het jaar genoemd. Ook wel een geluid van vreugde, maar met ook andere tonen.


Het jubeljaar wordt niet gevierd, omdat er een halve eeuw voorbij is. Bij ons ligt daar de betekenis van het getal vijftig, maar in de Bijbel zijn niet tien en honderd de voornaamste getallen. Er wordt gedacht in jaarsabbatten, tijdperken van zeven jaar. Als er zeven sabbatsjaren voorbij zijn, dus negenenveertig jaar, dan komt het vijftigste jaar en begint alles overnieuw.

Zo is het dan ook met de betekenis van het jubeljaar in de Bijbel. In het vijftigste jaar begint alles overnieuw; ingrijpende veranderingen die zich hebben voorgedaan, worden teruggedraaid.

Zo werd bijvoorbeeld land teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaars, inclusief de bijbehorende huizen, en slaven werden vrijgelaten. Dat betekent, dat koop en verkoop van land, en ook slavernij, in Israël geen onomkeerbare feiten waren. In het jubeljaar was het voorbij. Mensen mochten een nieuw leven beginnen, vrij en niet bezwaard met hun fouten, verliezen en schulden van vroeger.

Het is ook een jaar van rust, zoals het sabbatsjaar. Vrij, met je eigen grond (namelijk de grond die je voorvaderen kregen bij de inbezitname van het land), onder je wijnstok en je vijgeboom: voor de Bijbel wel zo ongeveer het absolute ideaal van ‘leven’. Ook de kinderen en kleinkinderen hoeven dus niet te lijden onder de fouten of de tegenslag van de ouders.


De staat Israël wordt vijftig jaar oud. Dat is inderdaad een jaar van bijbelse volheid, waarvan het goed is, erbij stil te staan en erover na te denken.

Simpel is de toepassing van dit gebod niet. Het sabbatsgebod wordt door orthodoxe Joden zoveel mogelijk gehouden, maar met dit jubeljaar weet men niet zoveel te beginnen. De feestelijkheden staan onder zware druk van de actuele gebeurtenissen en de religieuze betekenis van het gebod is in de moderne samenleving wel heel moeilijk door te zetten. Niet alleen in een moderne samenleving overigens: het is zeer de vraag, in hoeverre dit gebod ooit helemaal is opgevolgd.


Nog op een andere manier telt Israël op het ogenblik tot vijftig. Tussen Pesach en het Wekenfeest, liggen dezelfde vijftig dagen die bij ons tussen Pasen en Pinksteren liggen. Zeven weken - en dan op de vijftigste dag is het zover, is er de vervulling van het Paasfeest, de voltooiing van het oogstfeest, de vervolmaking en bevestiging van de uittocht in de verbondssluiting op de Sinaï.

Die vijftig dagen worden luid en duidelijk geteld: in de synagoge, iedere dag bij het avondgebed, en dikwijls bij de mensen thuis. Het is de telling van de omer, de korenschoof, die met Pasen in de tempel werd gebracht als allereerste begin van de oogst. En dan wordt Psalm 67 gelezen. ‘De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons.’ Een oogstpsalm, maar ook een Psalm met in het Hebreeuws op de kop af vijftig woorden. Ook wij tellen onze vijftig dagen, in deze tijd rond de Onafhankelijkheidsdag van Israël, in de tijd tussen Pasen en Pinksteren. We tellen niet zo bewust meestal, maar we tellen mee met Israël zonder het te weten, volgens de van God gestelde orde, naar de vijftig toe.


Soms denken mensen, dat ze geweldig kunnen rekenen en tellen. Met het getal vijftig of, op een wat andere manier, met zeven jaarweken. En ze hebben de wereldgeschiedenis ingedeeld in bijvoorbeeld zeven perioden van duizend jaar. Maar het klopt nooit. Vijftig jaar en veel andere feesten en jubilea mogen gevierd worden, maar de beslissingen over de volheid van de tijd en het bijbehorende jubelen heeft de Vader aan zich gehouden.


God wil de mensen tellen leren. Onze tijd is niet zomaar een grote massa, waaraan je begint zonder te weten waar je uit zult komen. Je kunt niet zomaar in het wilde weg leven, maar er zijn tijden gezet: ze komen uit Gods hand en ze zijn in Gods hand. Er is een begin en een einde en een midden van de tijd.

‘Leer ons zo onze dagen tellen dat wij een wijs hart bekomen’ (Ps. 90,12), waarbij de diepte en de breedte van een wijs hart niet te peilen zijn. Zo wil God het aan ons leren - en aan Israël.

Gods dagen, weken en jaren mogen we tellen, en we mogen ons erover verheugen. Even afzien van onze slimme vragen, onze voorbehouden en tussenopmerkingen bij die complexe realiteit, Israël. Het is Gods tijd, die we mogen tellen. Vijftig jaar. Een volheid van zeven maal zeven. En dan nog een als nieuw begin, als onderpand, dat het doorgaat. God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen. (Ps. 67,8)

drs. Rien van der Vegt
Vrede over Israël jrg. 42 nr. 2 (apr. 1998)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel