pijl omhoog

Wandelingen over de Veluwe


In dit tijdschrift staan vaak artikelen, die vragen dat je er even voor gaat zitten. Vaak komt al in de titel uit, dat er moeilijke vragen aan de orde zijn. Het kan ook niet anders, want de verhouding van kerk en Israël is zelf een geweldige vraag.

Misschien hebt u gedacht: als er ‘wandelingen over de Veluwe’ boven staat, moet dit wel de uitzondering zijn die de regel bevestigt. Nu, ik hoop wel dat u doorleest, maar ik kan niet garanderen dat het allemaal eenvoudige kost zal zijn. Ook op de Veluwe zijn diepe en indringende vragen aan de orde. Dat blijkt wel uit een opmerkelijk boek, dat eind vorig jaar is verschenen. De auteur is dr H. Vreekamp, oud-secretaris van de Raad voor Kerk & Israël van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Tak van de wilde olijf

Vreekamp heeft heel wat publicaties op het terrein van de verhouding van kerk en Israël op zijn naam staan. Jarenlang heeft hij ervoor gepleit dat de kerk haar verworteling in Israël zou erkennen en verwerken. ‘Zonder Israël niet volgroeid’, is de titel van één van zijn boeken, en het zal duidelijk zijn dat hij daarbij het oog op de kerk heeft. De kerk moet weten, dat zij van nature niet deelt in het heil van Israëls God, maar als tak van de wilde olijf geënt is op de stam van Israël. Zij kan en mag zich daarom niet beschouwen als in de plaats van Israël gekomen, zoals helaas in de geschiedenis vanaf de vroege kerk maar al te vaak is gebeurd. Met alle gevolgen vandien.

De vroege kerk heeft het Oude Testament als Woord van God aanvaard. Hoe kon het ook anders?! Het zijn deze Schriften, die van Christus getuigen, zegt Hij immers Zelf (Joh. 5,39). Maar het heeft de kerk niet belet de najaarsfeesten van Israël in te ruilen voor van oorsprong heidense feesttijden. Zo heeft ons Kerstfeest een heidense oorsprong: het feest van de ‘onoverwinnelijke zon’. Vreekamp heeft er in diverse publicaties op gewezen, dat de kerk daarmee een heilloze en vérstrekkende beslissing heeft genomen.

Maar wat moeten we dan? Het Kerstfeest afschaffen? Nee, we kunnen de geschiedenis niet ongedaan maken, en het heidense feest heeft ook een christelijke inhoud gekregen. Om nu tot een beter verstaan van de eigenlijke inhoud van het Kerstfeest te komen heeft Vreekamp ervoor gepleit het te verbinden met het joodse - en bijbelse! - Loofhuttenfeest, en dat als het ware over te laten lopen in de adventstijd.

Het midden en de rand...

Het lijkt op het eerste gezicht dat dr Vreekamp totaal andere tonen aanslaat in zijn nieuwste boek: Zwijgen bij volle maan, en de ondertitel: Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora. Die laatste woorden kunnen we plaatsen. Daarin herkennen we Vreekamps bezig zijn met de relatie van het Evangelie van Jezus Christus en de Tora van Israël. Maar wat doet de Edda, het Germaanse godenepos dat op IJsland op schrift werd gesteld, daar bij? En dan de Veluwe!?


Vreekamp is een zoon van de Veluwe. Hoe ver hij ook teruggaat aan vaders- en moederszijde, overal is het Veluwe wat de klok slaat. Al een heel aantal jaren verkent hij al wandelend zijn geboortestreek. De ‘godenberg’ bij Hattem, de zandverstuiving bij Kootwijkerzand, de burcht bij het Uddelermeer, overal is hij geweest en heeft hij de stem van de aarde tot zich laten spreken.

De Veluwe wordt vanouds omringd door synagoges, in Amersfoort, Nijkerk, Harderwijk, Apeldoorn, Arnhem, maar tot de Veluwe zelf is de synagoge niet doorgedrongen. Op de een of andere manier is het heidendom daar levend gebleven.

En ... het heidendom komt terug. De kerk wil er in veel gevallen niet aan herinnerd worden dat zij haar heidense afkomst ‘met bruut geweld van zich had afgeschud’ (278). Het heidendom keert terug op de Veluwe, zeker van zijn zaak. Bij het Uddelermeer worden weer de oude sagen verteld... Heeft het Evangelie de mens in onze streken wel echt bereikt? Is het niet veelzeggend, dat de synagoges aan de rand van de Veluwe staan, maar nooit zijn doorgedrongen tot in het hart?

Op zijn wandelingen over de Veluwe heeft Vreekamp ook zijn eigen heidense wortels ontdekt. Hij hoort bij dit land. Hij is er geboren, heeft er als predikant gediend en is er altijd blijven wonen. Neemt hij nu afstand van wat hij bijna twintig jaar heeft gedaan met het oog op de relatie van kerk en Israël?

Bekering

Nee, het gaat om iets anders. Vreekamp ziet zich voor een keuze geplaatst. ‘Ik blijf hinken op twee gedachten òf ik zeg het christelijk geloof vaarwel.’ (289) Eeuwenlang is sprake geweest van tweespalt. Het heidendom bleef zijn eigen rechten opeisen, en voelde zich alleen maar miskend. De kerk is er niet in geslaagd ‘een gezonde relatie’ op te bouwen ‘met haar eigen verleden in het heidendom en ook niet met haar verworteling in het jodendom’ (278).

Men heeft zich geërgerd aan de bijbelse boodschap, dat de HERE Israël heeft uitverkoren, en dat het heil uit de joden is (Joh. 4,22). Daarom kiezen vandaag duizenden voor afval. Men verdringt de doop, ontkent onder de adem van de Geest te zijn geplaatst.

Tweespalt is de andere mogelijkheid. Dan blijft de beslissing vooruitgeschoven en wordt er niet gekozen. Maar anno 2003 is tweespalt niet langer vol te houden. De geschiedenis van jodenhaat en heidenhaat staat de kerk levensgroot voor ogen. We kunnen niet zeggen dat we het niet hebben geweten.

Tweespalt of afval. Is er een derde weg?

In zijn eerste Europese preek [1 Thess. 1,9v] (...) legt Paulus uit wat bekering is, eenvoudig en indringend, voor iedere heiden te begrijpen. ‘Bekering als radicale omkeer is afkeer van de goden, de idolen, is omkeer naar de levende God en is verwachting van Jezus uit de hemelen.’ (290)

Heliand

Onze streken zijn pas laat gekerstend. Het heeft lang geduurd voordat de trotse en vrije Germanen zich gewonnen gaven aan de Ierse zendelingen. Ze hebben zich geërgerd aan de zwakheid van God in Christus. Omstreeks het jaar 830 doet men een poging de Saksen te bereiken met het Evangelie, en wel door van de vier Evangeliën één verhaal te maken en meteen ook enkele aanpassingen te verrichten. Het resultaat is de Heliand, en we kennen die naam. Het adventslied zingt immers: ‘Nun komm’, der Heiden Heiland!’

In de Heliand wordt de bijbelse boodschap niet bruut vervormd; de veranderingen zijn ogenschijnlijk betrekkelijk klein. Zo wordt verzwegen dat Jezus besneden is, als zoon van Israël. Men kon het niet gebruiken. De Saksische Germaan houdt van kracht, en daarom bewaken de herders in de geboortegeschiedenis van Christus dan ook geen schapen, maar paarden. Christus trekt Jeruzalem ook niet binnen op een ezel, maar weer op een paard. Een nieuw element is ook dat Christus ontsnapt aan hen, die Hem gevangen genomen hadden.

Maar liefst twaalf keer horen we over de ‘runen’, het goddelijk schrift volgens de Germaanse mythologische voorstellingen. En ook het Lot speelt een grote rol. ‘De schrijver van de Heliand wil aantonen, dat Christus van hogere goddelijke status is dan Wodan en dat Hij de genadeloze beslissingen van het Lot kan veranderen. Wodan wordt verslonden door de wolf Fenrir, Thor verliest het gevecht met de wereldslang, maar Christus is superieur aan de wolf en de slang, zoals blijkt uit Zijn wandelen op de zee en Zijn opstanding.’ (144)

‘De beschrijving van Christus als krijgsgevangene heeft een voordeel voor de verkondiging. Dit overkwam namelijk een groot deel van de Saksische strijders in het verlies van hun soeverenititeit aan Karel de Grote en de christelijke Franken. (...) De dood van Christus wordt getekend als de ontsnapping van een krijgsgevangene uit de greep van zijn gevangenbewaarders en Zijn opstanding als de terugkeer van de Leidsman tot Zijn volk. Van de opgestane Christus wordt een beeld geschetst dat hoop biedt op een Saksische opstanding.’ (151)

De Heliand stelt de Saksen dus in staat om nog iets van de oude identiteit en kracht te bewaren. Ze zijn niet genoodzaakt een nieuwe verhouding tot het heidendom te zoeken. Het Evangelie is aangepast, en maakt dus een hinken op twee gedachten mogelijk.

Edda

Dat is het effect in de harten van de Germanen geweest: tweespalt. Het was een halfhartige kerstening, en dat merken we tot op de huidige dag. Vreekamp illustreert het met de overgang van de op IJsland wonende Germanen tot het christendom, omstreeks het jaar 1000. Het werd toen bewoond door vrije boeren, die de wijk hadden genomen voor het opkomend koningschap in Noorwegen. Het christendom werd in een plechtige volksvergadering aanvaard, maar ‘niet met geweld en niet ten koste van alles’ (96). Men besloot dat naast het christendom de oude traditie een plaats zou houden, en legde die traditie daarom ook vast in de Edda. Aan zulke beslissingen denkt Vreekamp, als hij het heeft over dat oude, maar nog altijd springlevende heidendom.

Het gaat er volgens hem voor de kerk nu om een ‘nieuwe relatie’ te vinden ‘met de heiden in zichzelf en de Jood tegenover haar’ (199). Vreekamp ziet zichzelf betrokken geraakt in een reformatie van de kerk die zijn weerga in de geschiedenis niet kent (56). Het gaat om een tweespalt, die bewezen heeft gevaarlijk te kunnen uitpakken, met als alternatief een afval die zich voor onze ogen voltrekt.

Apocrief

Met het oog op deze situatie doet Vreekamp een opmerkelijk voorstel. Hij pleit ervoor deze Edda ook in de kerk te gaan lezen. Hoe? Komt zó het heidendom niet op één lijn te staan met de Schriften van Israël? Nu, dat bedoelt Vreekamp niet. Hij wijst erop, dat in het Oude Testament ook apocriefe boeken staan, waarin de geschiedenis van Israël wordt verheerlijkt op de manier van de heidense mythen en sagen. Wie ze wel eens gelezen heeft weet dat ze van een heel ander gehalte zijn dan de Schriften, die de kerk van de Reformatie als gezaghebbend Woord van God aanvaardt. Zou de Edda niet een plek kunnen krijgen als bijvoorbeeld de boeken van de Makkabeeën?


Dat advies zou ik niet van hem willen overnemen. De vraag komt dan immers onmiddellijk op, welke plaats we aan de Edda toekennen. Maar de zaak waar het om gaat verdient onze aandacht. Joodse en christelijke denkers uit onze tijd, als Abel Herzberg, K.H. Miskotte en George Steiner hebben betoogd, dat de heiden in onze streken als rechtvaardiging van antisemitisme wel aanvoert dat de joden Jezus hebben gekruisigd, maar dat dat niet hun diepste woede is. Niet dat de joden Christus gekruisigd hebben is hun moeite, maar dat ze door Jezus, de joodse Messias, zijn betrokken geraakt bij de God van Israël. De Germaan in ons heeft het niet kunnen verkroppen dat het zwakke van God sterker is dan de mensen (1 Kor. 1,25).

De Heliand heeft dat onvermijdelijke conflict verbloemd, en in de Edda heeft het oude zelfbewustzijn een plek - en daarmee een zeker bestaansrecht - gekregen náást het Evangelie. Het gaat er nu om open en eerlijk te zijn. Het Evangelie is niet naar de mens, en dus ook niet naar de heiden. En alleen zó is het goed nieuws voor de heiden, die daarom wordt opgeroepen zichzelf te verliezen, met als belofte het weervinden van zijn diepste wezen in Christus, en worden aangesproken door diens Geest in de taal, waarin hij of zij geboren is (Hand. 2,8).


n.a.v. H. Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora, Boekencentrum / Zoetermeer 2003, 345 blz. € 25,=

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 48 nr. 1 (jan. 2004)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel