pijl omhoog

Met Joden de Bijbel lezen

Inleiding

De dialoog tussen Joden en christenen, die in de twintigste eeuw op gang is gekomen, is voor veel buitenstaanders een nogal vage, abstracte bezigheid van een paar enthousiastelingen. Ik zal niet ontkennen dat dit soms klopt, maar wil toch benadrukken dat het gesprek tussen Joden en christenen soms ook heel concreet en diepgaand is. Dat is onder andere het geval wanneer het gesprek gevoerd wordt over de Schrift.


Dat Joden en christenen met elkaar de Bijbel lezen is niet nieuw. Bekend is het contact dat de vertalers van de Statenvertaling hadden met Joodse geleerden. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen. Nieuw is echter wel de openheid van zowel Joodse als christelijke kant om de manier van lezen en uitleggen van de ander te leren kennen en daar met elkaar over door te praten.

In de afgelopen eeuw heeft dat geleid tot een enorme bibliotheek aan studies en boeken. Christenen gingen de eigen waarde van het Oude Testament ontdekken, Joden begonnen het Nieuwe Testament te lezen en als reactie daarop gingen christenen op zoek naar de boodschap van het Nieuwe Testament tegen de achtergrond van het toenmalige Jodendom.


In dit artikel wil ik vooral laten zien hoe anders de Joodse omgang met de Schrift is dan de christelijke. Om dat te doen ontkom ik er niet aan een aantal gangbare Joodse termen te gebruiken en uit te leggen en dus om de inspanning en het geduld van de lezer te vragen.

Vragen stellen

Wie geïnteresseerd raakt in de Joodse wijze van Schriftuitleg stapt een andere wereld binnen. De Joodse wijze van lezen is altijd heel precies lezen. Letter voor letter de tekst spellen en leren vragen wat er staat geschreven, hoe dat is geschreven en waarom dat zo is geschreven. De Joodse omgang met de tekst is tegelijkertijd heel vrij, zodat zonder probleem de tekst kan worden gecorrigeerd om er een nieuwe betekenis in te vinden! Nauwgezetheid en vrijheid wisselen elkaar voortdurend af en dat is heel intrigerend om te zien, maar soms ook erg verwarrend voor iemand die gewend is naar dé betekenis van de tekst te vragen.


Hoe kijken Joden eigenlijk aan tegen de bijbelboeken die wij als het Oude Testament kennen? Joden noemen die boeken Tenach. Deze heeft een eigen indeling met achtereenvolgens de Tora, de Profetenboeken en de Geschriften. Daarvan wordt de Tora jaarlijks in z’n geheel gelezen, en worden de zogenaamde feestrollen (Jona, Esther, Hooglied, Ruth, Klaagliederen) gelezen tijdens de grote feesten, maar worden andere boeken niet of slechts gedeeltelijk gelezen in de synagoge. De Tora, de boeken Genesis tot en met Deuteronomium, vormt dus de kern van de Joodse Schriften en is Joden het meest bekend. Het Joodse volk leeft met en vanuit de Tora. Tijdens synagogediensten wordt een van de Tora-rollen uit de speciale kast gehaald, rondgedragen en bezongen als de boom des levens. Altijd weer indrukwekkend om mee te maken.

Tora

Wie als christen een vraag over een Bijbelstekst heeft, is gewend een Bijbel met kanttekeningen of een commentaar te raadplegen. Dat is voor Joden niet anders, maar de centrale plaats van de Tora houdt wat dit betreft in dat er in de Joodse bibliotheek wel verschillende uitgaven van de hele Tenach te vinden zijn, maar er een veel groter aantal uitgaven is van tekst en commentaar van de boeken van de Tora. Het commentaar van de middeleeuwse Rasji is het meest bekend en heeft nog steeds de meeste invloed. Zozeer dat ik pas geleden een Joodse professor hoorde verzuchten dat hij wilde dat mensen eens de eigenlijke tekst gingen lezen in plaats van Rasji!

Uitleg

Kenmerkend voor het Jodendom is dat er meerdere manieren zijn om teksten uit te leggen. Er zijn als het ware meerdere deuren die toegang geven tot dezelfde kamer en waardoor je vanuit die kamer naar buiten kunt gaan. Ik noem hier de drie belangrijkste deuren:

  1. De al genoemde Rasji is de meester van de vers voor vers uitleg van de tekst. Hij houdt zich vooral bezig met de vraag wat er nu precies in de tekst staat. Hij geeft met korte aantekeningen de betekenissen van woorden aan, legt verbanden met andere teksten en lost problemen op. Dat klinkt ons vertrouwd in de oren en verklaart ook wel de invloed die hij onder christenen heeft gehad. Zo houdt Rasji zich in zijn commentaar op Genesis direct uitvoerig bezig met de vraag of er geen tegenstrijdigheden in het eerste hoofdstuk staan over de volgorde waarin alles is geschapen (zoals het water dat al in vers 2 wordt genoemd, maar pas in vers 6 wordt geschapen). Rasji laat dan aan de hand van andere teksten zien dat de woorden ‘in den beginne schiep God de hemel en de aarde...’ eigenlijk gelezen moeten worden als ‘in het begin van het scheppen van God’ en de tekst helemaal niet wil vertellen in welke volgorde alles is geschapen.
  2. De tweede deur is die van de uitleg die zoekt naar de concrete leefregels voor het Joodse volk. De Misjna en de Talmoed zijn de bekendste werken waarin deze wetsvoorschriften worden genoemd en bediscussieerd. Maar tot op vandaag worden er nieuwe beslissingen over de toepassing van wetten genomen. Zo vroeg de Israëlische vliegmaatschappij El Al enige tijd geleden om raad aan het opperrabbinaat van Israël. Tijdens lange lijnvluchten veroorzaakten biddende Joden een zeker gevaar door het gangpad voor anderen te blokkeren. Het rabbinaat erkende het probleem en schreef voor dat het gebed persoonlijk en zittend moest gebeuren in plaats van gezamenlijk en zo mogelijk voorafgaande aan de vlucht. Een duidelijke oplossing voor een praktisch probleem.
  3. Maar er is nog een andere benadering van de tekst en die komt veel associatiever en verhalender over. De tekst wordt daarin woord voor woord en soms letter voor letter gewikt en gewogen, onderzocht eigenlijk om andere, diepere betekenissen op te delven. Dat levert vele prachtige verhalen op waarin er geen grens lijkt te zijn aan de fantasie en de vrijheid van de verteller. Hiervan wil ik twee voorbeelden geven, die allebei de profeet Elia opvoeren.

Elia

In de Bijbel komen we Elia tegen in de boeken Koningen en bij Maleachi. In Koningen wordt hij geschilderd als de ijveraar voor Gods naam, die opstaat tegen Achab en zijn priesters, die het opneemt voor het recht, maar die ook twijfelt en vraagt Gods heerlijkheid te mogen zien. Zijn leven eindigt met een mysterieuze hemelvaart; zijn graf is nergens gevonden. In Maleachi vinden we iets heel anders, namelijk dat Elia als de voorloper van de grote dag des Heren zal komen.

Een van de centrale verzen uit de Elia-verhalen is de zin: ‘ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood’ (1 Kon. 19:10). Elia beroept zich tegenover God op zijn ijverige inzet en schildert in donkere tinten het geloof van Israël.

De ijveraar wordt Sinterklaas

We komen dit vers tegen in een verhaal waarin Elia God er voortdurend op wijst hoe erg de situatie is en God hem dan, opmerkelijk genoeg, terechtwijst.

Al eerder gaf het verhaal aan dat zowel Mozes als Jesaja op enig moment kwaad spraken van Israël en daarom werden bestraft. Zo vergaat het ook Elia.

‘Hij zei: ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten. En God zei: is het mijn verbond of jouw verbond? En hij zei: zij hebben Uw altaren afgebroken. En God zei tegen hem: zijn het mijn altaren of jouw altaren? Toen zei hij: en Uw profeten met het zwaard gedood. God zei tegen hem: zij zijn mijn profeten; waarom zou het jouw zaak zijn?’ (Sjier haSjieriem Rabba 1:6).

Dit verhaal maakt een paar dingen duidelijk. We ontdekken hoe er in deze tekst tegen de taak van de profeet wordt aangekeken. Profeten mogen geen kwaad spreken over het volk Israël bij God, maar horen juist bij God te pleiten voor het volk! Daarnaast zien we ook dat in de Joodse traditie kritiek op de groten uit het verleden niet geschuwd wordt. De ijver van Elia wordt zelfs onomwonden afgekeurd. Nu is het niet zo dat inzet voor de zaak van God in zijn algemeen wordt afgekeurd, maar in een verhaal als dit wordt wel gewezen op de gevaarlijke kant ervan. IJver kan makkelijk ontsporen in zelfingenomenheid en veroordeling van anderen. God wijst Elia terecht en opent zijn ogen ervoor dat hij niet op Gods plaats moet gaan zitten.

Het is grappig om te zien hoe allerlei tradities hier nog op voortborduren. Van Elia wordt gezegd dat hij aanwezig is bij de sederavond van pesach, bij de ceremonie aan het einde van de sjabbat en bij de besnijdenis van jongetjes. ‘Waarom’, zo wordt gevraagd? ‘Dat is zijn verdiende straf’, is het antwoord. ‘Het zal hem leren Israël te veroordelen en hij zal erdoor inzien dat het volk wel degelijk het verbond houdt en God eert.’ Je zou kunnen zeggen, met een Joodse geleerde, dat het Jodendom de ijverige Elia heeft omgevormd tot een soort sinterklaas die bij het gezinsleven hoort, redder in nood is met speciale aandacht voor de kinderen. Hij wordt gedwongen aan de kant van het volk te staan.

De messias komt vandaag...

Een ander prachtig verhaal (uit bSanhedrin 98a) knoopt aan bij de rol van Elia als aankondiger van de Messias. Deze rol van Elia heeft natuurlijk te maken met de tekst uit Maleachi, maar ook met zijn merkwaardige verdwijning van de aarde. Zijn hemelvaart maakt dat Elia een soort verbindende schakel vormt tussen hemel en aarde. Hij kan zo maar ineens verschijnen en heeft kennis van dingen die mensen maar al te graag willen weten.


In dit verhaal ontmoet Rabbi Joshua ben Levi de profeet Elia en vraagt hij hem wanneer de Messias zal komen. Elia zegt dan dat hij dat maar aan hemzelf moet vragen. Hij zit bij de ingang van de stad (Rome). Maar hoe zal ik hem herkennen? vraagt de rabbi. Elia: hij zit tussen de arme melaatsen. Iedereen verwijdert alle banden om zijn wonden in één keer en verbindt de wonden in één keer, terwijl hij de wonden één voor één behandelt, zodat hij direct kan komen als het moment voor zijn komst is aangebroken. Joshua ben Levi zoekt dan de Messias op en vraagt wanneer hij zal komen. ‘Vandaag’ is het antwoord. Als de rabbi Elia weer tegenkomt, vraagt deze wat het antwoord van de Messias was. Het antwoord was ‘vandaag’, zegt Joshua dan, en voegt toe: ‘dat was een leugen, want hij is vandaag niet gekomen!’ En Elia zegt: ‘dit is wat hij tegen je zei: vandaag, als je mijn stem hoort’.

Het slot van dit verhaal, dat ik met eigen woorden heb naverteld en ingekort, is een citaat uit Psalm 95:7. Het ‘vandaag’ dat eerder in het verhaal al klonk wordt nu ineens uitgebreid met een voorwaarde ‘als je mijn stem hoort’. De komst van de Messias is dus niet onvoorwaardelijk. Hij is wel steeds bereid om te komen, maar kan dat alleen als de stem van God gehoord wordt.


Ik heb dit verhaal vooral gekozen omdat er een interessante discussie in te beluisteren is tussen synagoge en kerk. Professor Yuval heeft erop gewezen dat de tekening van de Messias tussen de melaatsen een duidelijke verwijzing is naar Jesaja 53, waar de knecht des Heren deelt in de ziekte van anderen. In tegenstelling tot het christelijk geloof wil dit verhaal volgens Yuval aangeven dat de Messias er wel al is, maar door niemand herkend wordt. Hij is nog niet openbaar verschenen. Daarnaast is een belangrijk element in dit verhaal dat de Messias daarin niet oproept om naar zijn stem te horen, maar naar de stem van God. Het verhaal spreekt daarmee de christelijke boodschap waarin Jezus als geopenbaarde Messias wordt beleden, die oproept naar zijn stem te horen tegen (vgl. Hebr. 3-4).

Samen lezen

Met dit laatste verhaal in gedachten wil ik nog eens terugkeren naar de vraag wat het samen lezen van de Bijbel voor vrucht kan opleveren.

We hebben op heel kleine schaal iets gezien van de eigen wijze waarop Joden met de tekst van de Tenach omgaan. De verschillende manieren van uitleggen kunnen tot enorm verschillende boodschappen leiden, maar zijn op een of andere manier toch altijd weer verbonden met de tekst van de Schrift, al is het maar met een woord daarin, en raken altijd aan het hart van het Joodse geloof. Al lezend en studerend raak ik steeds weer onder de indruk van de enorme kennis van de tekst die Joden hebben. En van de precisie waarmee deze grondtekst wordt doorgegeven. De interpretatie van de tekst mag dan alle kanten opgaan, aan de tekst zelf is de eeuwen door tittel noch jota veranderd.

Voor het samen lezen betekent dit ondertussen wel dat je niet zomaar eenvoudig de Joodse en christelijke uitleg van een bepaald vers of gedeelte naast elkaar kunt leggen. De concrete tekst die we allebei zien als het heilige Woord van God verbindt ons met elkaar en dat schept, God zij dank, onderlinge eenheid. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat diezelfde tekst een soort raakvlak is van twee werelden die er geheel anders uitzien!

En daar ligt ook precies de grote winst van de afgelopen eeuw, dat Joden en christenen zich zijn gaan openstellen voor de wereld van de ander en de manier waarop de Bijbel daarin wordt gelezen, bestudeerd en uitgelegd. We leven in een tijd waarin we proberen om, anders dan in het tweede verhaal over de komst van de Messias gebeurde, de onderlinge verschillen te begrijpen en niet te vervallen in een strijd om het gelijk, waarin ieder zijn eigen stellingen inneemt en we samen niet meer verder komen. Op zo’n manier is het mogelijk van Joden te leren en aan Joden te laten zien hoe de Tenach voor ons het Oude Testament vormt en wij deze boeken alleen maar in wisselwerking met het Nieuwe Testament kunnen lezen en verstaan.


De Bijbel kunnen lezen met Joden heeft bij mij vooral teweeg gebracht dat ik verwonderd ben over de enorme rijkdom die de tekst in zich bergt. De dialoog tussen Joden en christenen draait daarom voor mij om de ontmoeting rond de Schrift die ons gegeven is en waarin de stem van God tot ons komt.

drs. Kees Jan Rodenburg
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 4 (sept. 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel