pijl omhoog

Israël: subject of object van zending?


Bij het reflecteren over de relatie tussen zending en Israël bestaat de neiging onmiddellijk in te zetten bij het Nieuwe Testament. In de meeste missiologische handboeken - vooral van ouder datum - is dat inderdaad het geval. Men komt dan al snel tot de conclusie dat het zendingsbevel, zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen in Mattheüs 28:18-20, alle volken omvat, inclusief het Joodse volk. Als gevolg van deze benadering tekenen zich doorgaans vervolgens drie lijnen af.

  • Het eerste is de nadruk op het centrifugale aspect van de zending: het uitgaan, het zich expliciet richten tot de volken met de boodschap van de Gekruiste en Opgestane Kurios. Meestentijds wordt dit bevel sterk individueel verstaan.
  • Dat is het tweede dat opvalt. Het zijn de gelovigen die geroepen worden het goede nieuws te communiceren met de mensen in hun omgeving, dichtbij of verder weg.
  • En het derde wat treft in de oudere zendingsliteratuur is dat het onderscheid tussen Israël en de gojiem (volken) min of meer is weggevallen. De roeping van de kerk ten aanzien van het Joodse volk is ten principale geen andere dan ten opzichte van alle andere volken.

Het begint in Genesis

Het is de vraag of een dergelijke hermeneutische benadering - die wat de zending betreft insteekt bij het Nieuwe Testament - de meest voor de handliggende is. De Schrift begint immers niet bij Mattheüs, maar bij Genesis. Veel logischer en vruchtbaarder is om niet in te zetten bij het zendingsbevel uit het evangelie, maar bij de notie van de missio Dei.

Ik realiseer me dat op dit theologische concept, zoals het soms wordt uitgewerkt en ingevuld, wel wat af te dingen valt, maar tegelijkertijd pleit er veel voor dit concept. De missio Dei-gedachte onderstreept dat het in het zendingswerk en ook in de arbeid onder Israël niet primair gaat om de activiteiten van mensen, maar om het soevereine handelen van God Zelf. Hij is de zendende God, de God die in zijn grote barmhartigheid naar deze gebroken en verloren wereld wil omzien. In deze genadige toewending, in deze bemoeienis die gericht is op de voltooiing van Gods heilsplan wordt primair Israël en vervolgens de kerk betrokken. Anders gezegd: God schakelt mensen in om het wereldwijde zendingswerk te voltooien, waarbij als eerste Israël in het vizier komt.

In dit kader is de notie van het verbond van beslissend belang. In het verbond krijgt enerzijds het soevereine handelen van God alle nadruk, het verbond gaat immers van Hem uit en het rust is zijn genadige verkiezing. Tevens blijkt uit deze notie dat God daarbij de mens verkiest tot zijn verbondspartner, zonder dat daarbij overigens ooit sprake is van gelijkwaardigheid. Het verbond is en blijft een genadeverbond. Maar tegelijkertijd: het verbond dat eenzijdig van inzet is, dient te worden ingewilligd en gehoorzaamd. Tot deze gehoorzaamheid behoort voor Israël als verbondsvolk ook het volvoeren van de opdracht om tot zegen te zijn van de volkeren. Meteen al bij de oprichting van het verbond met Abraham wordt dat duidelijk: ‘In u en in uw nageslacht, zullen alle geslachten gezegend worden’ (Gen. 12:1-3).

Exemplarisch leven

Van meet af aan is de afzondering van Israël gericht op het uiteindelijke heil voor de volken. Het Joodse volk wordt daaraan dienstbaar gemaakt. We vinden deze roeping sterk benadrukt in de profetieën van Jesaja. Met name in Jesaja 2 wordt duidelijk dat het daarbij niet alleen gaat om het centrifugale, het uitgaan van Israël tot de volkeren, maar ook en vooral om het centripetale aspect: de volkeren die worden aangetrokken om te komen tot Sion. Israël wordt opgeroepen exemplarisch te leven, ernst te maken met de heiliging van Gods naam, zodat de heidenen opmerkzaam worden en als door een magneet worden getrokken tot de God van Israël. De oproep van de profeet luidt dan ook: ‘Komt gij huis van Jakob en laat ons wandelen in het licht des Heeren’. Op deze wijze zal de Heere zijn belofte vervullen, dat vele volken in beweging komen en zeggen: ‘Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heeren, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van zijn wegen en dat wij wandelen in zijn paden; want uit Sion zal de Wet uitgaan en het woord des Heeren uit Jeruzalem (Jes. 2:1-5)’.

In het licht van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat Israël in het Oude Testament bij de missio Dei betrokken is als subject. Het Joodse volk is afgezonderd en bestemd om tot zegen te zijn voor de gojiem.


Helaas is er van deze roeping om een licht voor de volkeren te zijn niet veel terechtgekomen. Israël heeft haar opdracht dikwijls verzaakt. Het boekje Jona is een striemende aanklacht tegen Israëls particularisme, haar verkorenheidsidee, dat haar weg tot de heidenwereld blokkeert.


De indrukwekkende liederen van de Knecht des Heeren spreken keer op keer over het heil dat de Ebed JHWH zal aanbrengen voor de volkeren. Steeds sterker doen deze gedeelten echter onze ogen afwenden van Israël als knecht en al luider klinkt in deze liederen de roep om de komst van de Knecht bij uitnemendheid. Wanneer Israël faalt in haar zendingsopdracht zal de Messias in haar plaats de volkeren priesterlijk en koninklijk dienen. Door zijn lijden en sterven is verzoening voor de zonde aangebracht en mag het heil uitwaaieren over de volkerenwereld.


Paulus verwoordt dat in de brief aan de Efeziërs zo: door het kruisoffer van Christus is de middenmuur, die scheiding maakte tussen Israël en de volken weggenomen. De heidenen die eertijds veraf stonden, vervreemd van het burgerschap van Israël, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, mogen nu dichterbij komen (Ef. 2:12-13).

Geen object, maar subject van zending

De klemmende vraag is wat deze heilshistorische gang betekent voor de plaats van Israël in de missio Dei vandaag. Dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is, zal niemand van ons nog voor zijn rekening nemen, verwacht ik. De krachtige vraag en het nog steviger antwoord van de apostel Paulus uit Romeinen 11:1 spreken immers boekdelen. ‘Heeft God zijn volk verstoten? Dat zij verre!’ Gods genadegiften en roeping zijn onberouwelijk. Daarom is het verbond met het Joodse volk ook na de komst van Christus nog altijd van kracht.


Wat is er wel gebeurd? Het nieuwe is dat de heidenen nu ook mogen delen in dit verbond. Zij worden nu genoemd medeburgers van de heiligen, huisgenoten Gods, mede-erfgenamen van de beloften (Ef. 2:19; 3:6). Van mijn oudere vriend dr. J. Haitsma leerde ik: als de heidenen mede-erfgenamen zijn, dan moet er ook een eerste erfgenaam zijn en wie anders is die erfgenaam dan Israël? God is met Israël nog niet klaar en ook de rol van Israël is nog niet uitgespeeld.

Alles wijst erop dat in het Nieuwe Testament een eigen plaats en een eigen weg voor Israël blijven gereserveerd. Ik wijs op de lofzang van Simeon, waarin van de God van Israël gezegd wordt dat Hij zijn Zoon gegeven heeft als een Licht tot verlichting van de heidenen én tot heerlijkheid van zijn volk Israël (Lukas 2:31). Ik herinner ook aan Romeinen 15:8 waar Christus een ‘dienaar van de besnijdenis’ wordt genoemd, die gekomen is om de beloften aan zijn volk te vervullen.

Steeds wordt gesproken met twee woorden. Messias Jezus is van cruciale betekenis voor jood én heiden. Israël en de volken mogen door Gods genade delen in één en hetzelfde heil, namelijk de door Christus verworven zaligheid, maar zij delen daarin wel op eigen wijze en komen daartoe langs eigen weg.


De vraag daarbij is in hoeverre Israël in het Nieuwe Testament nog altijd beschouwd kan worden als subject van de zending. Of moeten we zeggen dat door het ongeloof en de ongehoorzaamheid van het Joodse volk deze hoge roeping verspeeld en is vervallen? Is Israël thans niet louter nog object van de zending? Een zendingsveld dat roept om de verkondiging van het Evangelie door heidenchristenen?

Ik ben geneigd een andere afweging te maken. Wordt de opdracht aan Israël om tot zegen voor de volkeren te zijn niet primair vervuld in het zendingswerk van de apostelen? En zijn de Messiasbelijdende Joden die in hun voetspoor traden niet evenzeer representanten van Israël dat nog altijd als subject van zending in de wereld gesteld is?

Ik voor mij trek uit deze stand van zaken in ieder geval de conclusie dat het met name de Joodse volgelingen van Christus zijn die geroepen worden het evangelie onder hun volksgenoten bekend te maken. Het is de Messiasbelijdende Joodse predikant Rottenberg geweest die hier sterk voor gepleit heeft. Zonder een heidenchristelijke betrokkenheid bij het werk onder de joden te ontkennen was hij van mening dat Messiasbelijdende Joden daarbij de hoofdrol dienen te spelen. Zij kennen de joodse leefwereld, zij kennen het joodse hart en weten van alle weerstanden tegen het Evangelie van vrije genade, zoals die in de joodse ziel leven.

Delen in Israëls beloften én in Israëls roeping

Sprekend over Israël als subject van de zending na kruis en opstanding kijken we niet alleen naar de Messias­belijdende Joden van vroeger en nu. We richten de blik ook op de toekomst.

De Joodse volgelingen van Jezus worden door Paulus eerstelingen (Rom. 11:16) genoemd en daarmee zijn zij tevens de voorboden van de volle oogst die de apostel in het vooruitzicht stelt. Als de volheid der heidenen is ingegaan zal heel Israël zalig worden (vs. 25-26).

Maar dat is het niet het enige dat we over deze geweldige toekomst horen. De apostel trekt een vergelijking met wat er gebeurde toen het merendeel van het Joodse volk Jezus afwees. Indien hun val de rijkdom van de wereld is en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid (Rom 11:12). En: Indien hun verwerping - namelijk de verwerping van het evangelie - de verzoening der wereld was, wat anders zal hun aanneming wezen anders dan leven uit de doden (Rom. 11:15)? Paulus wil zeggen: door de val van Israël is het heil naar de volkerenwereld gekomen. Dat zal echter in nog veel sterker mate het geval zijn wanneer zij Jezus straks herkennen en erkennen als hun Messias. Kennelijk zal het hele Joodse volk dan een rol spelen in de voltooiing van Gods heilplan. Als subject van zending in de missio Dei mogen zij tot grote zegen zijn voor de heidenen. Zal dan wellicht ook ten volle vervuld worden wat Zacharia profeteerde in hoofdstuk 8:23: ‘In die dagen zal het geschieden dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is’?


Israël, subject of object van de zending?. Wat mij betreft is het antwoord op die vraag: Israël is nog altijd subject van zending. God houdt de claim op zijn volk nog altijd staande en Hijzelf zorgt ervoor en gaat ervoor zorgen dat Israël aan deze bestemming zal beantwoorden.

De komst en het werk van de Ebed JHWH betekent niet dat de roeping van Israël is overgegaan op de gelovigen uit de volken. Zoals wij door kruis en opstanding mogen delen in Gods verbond met Israël, in Israëls beloften en verwachting van het Koninkrijk Gods, zo deelt de gemeente van Christus ook in Israëls roeping om te participeren in de missio Dei. Wij worden geroepen een licht voor de volkeren te zijn, niet in de plaats van Israël, maar samen met Israël.

Luisteren, dienen, getuigen

In het volvoeren van deze opdracht komen Israël en de kerk elkaar tegen. Op welke wijze? Wat is de aard van deze ontmoeting?

Van zending onder Israël kan in het licht van het bovenstaande geen sprake zijn. Een dergelijke benadering miskent de unieke plaats van het Joodse volk in het heilshandelen van God. Zending impliceert de bekendmaking van de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heere Jezus Christus aan de volkeren. Van een dergelijke proclamatie kan onder Israël geen sprake zijn, alleen al vanwege het feit dat de kennis van deze Naam via het Joodse volk tot ons is gekomen.

Moeten we dan opteren voor een vrijblijvende relatie, waarbij ieders weg en ieders geloof gerespecteerd wordt? Wie zich al wat langer bezig houdt met het jodendom kan geneigd zijn deze kant op te gaan. Wat mij betreft dienen we hier waakzaam te zijn voor onszelf en voor elkaar.

Ik werd getroffen door een uitspraak van wijlen dr. S. Gerssen, de vroegere secretaris van de verhouding voor Kerk en Israël in de Nederlandse Hervormde Kerk:

‘Wie een vruchtbare relatie met het jodendom wil hebben, moet tot aan de rand van de twee-wegenleer gaan, maar in geen geval er overheen.’

Ik besef dat deze uitspraak toelichting behoeft, maar laat die nu even voor wat ze is. Wat mij betreft mag er geen misverstand bestaan: het unieke en ook het exclusieve van Jezus Christus mag op geen enkele wijze worden afgezwakt of ingeleverd.


Het Centrum voor Israëlstudies te Ede (CIS) heeft als insteek voor de joods-christelijke relatie het sleutelbegrip ontmoeting gekozen. Daarbij dient te worden aangetekend dat nadrukkelijk een ontmoeting met heel Israël bedoeld wordt. Naast Messiasbelijdende Joden komen daarbij ook religieuze en seculiere Joden in het vizier.


Ter nadere adstructie zijn drie kernwoorden toegevoegd, namelijk luisteren, dienen en getuigen. Bij elk van deze kernwoorden plaats ik een enkele opmerking.

  • In de ontmoeting met Israël past van christelijke zijde een houding van luisteren. Deze attitude is niet slechts een vorm van wellevendheid, maar ingegeven door de overtuiging dat het in de joods-christelijke relatie gaat om wederkerigheid.
    In de geschiedenis was er voornamelijk sprake van eenrichtingverkeer. Men leefde in de veronderstelling dat de kerk een boodschap heeft aan Israël, maar dat het omgekeerde niet het geval was. Naar de mening van het CIS valt deze conclusie op bijbelse gronden niet vol te houden. Aan de Joden zijn immers de Schriften toevertrouwd. Met Paulus beseffen we dat er een bedekking is wat betreft het verstaan van de Schriften tot op Jezus de Christus (2 Kor. 3:14), maar daarmee is niet gezegd dat we in het verstaan van Tenach van de Joden niets zouden kunnen leren. Hun kennis van de taal en van de joodse achtergrond van de Bijbel kan de christelijke kerk geweldig verrijken.
    Uit de traditie van de het gereformeerde protestantisme zijn veel theologen te noemen die rabbijnse commentaren raadpleegden bij de uitleg van de Schriften, waarbij absoluut niet alleen maar sprake was van afwijzing van de joodse uitleg.
    Het is de theoloog K H. Miskotte geweest die een aantal klemmende vragen op noemer heeft gebracht die de synagoge op basis van Tenach stelt aan het adres van de kerk. Slechts tot onze schade kunnen we deze vragen en uitleggingen negeren.
    In een luisterende houding mag de kerk haar winst doen met wat van joodse zijde ons - op grond van Mozes en de profeten - wordt aangereikt, zonder daarmee te vervallen in een omgekeerd eenrichtingsverkeer, zoals in sommige leerhuisconcepten in onze tijd het geval is.
  • Als tweede kernwoord onderstreep ik het begrip dienen. In de joods-christelijke relatie kan en mag niet alleen het gesproken woord bepalend zijn. Het Hebreeuwse woord dabar maakt duidelijk dat woord en daad altijd hand in hand behoren te gaan. Dat gaat temeer op in de ontmoeting tussen kerk en Israël.
    De apostel Paulus legt op dit aspect grote nadruk, wanneer hij aangeeft dat het onze christelijke roeping is het Joodse volk tot jaloersheid te verwekken. Daarvoor zijn woorden alleen niet toereikend. Zoals Wilhelmus à Brakel en andere oudvaders ons geleerd hebben, gaat het allereerst en allermeest om een heilige levenswandel, om de heiliging van het leven, waardoor het beeld van Christus gestalte in ons aanneemt.
    Hier kunnen we leren van de wijze waarop Israël geroepen was en is om een licht ter verlichting van de volken te zijn. Zoals we zagen speelt daarbij naast het centrifugale ook het centripetale aspect een belangrijke rol. Dat mogen we ook honoreren in onze ontmoeting met het Joodse volk. Het is pijnlijk te horen wat de - enkele jaren geleden overleden - Joodse kenner van het Nieuwe Testament Pinchas Lapide hierover zei:

    ‘Jullie christenen hebben op allerlei manieren gepoogd ons te bekeren, met disputen en door gedwongen doop, maar de methode die jullie eigen apostel Paulus jullie aanbeveelt, het ons tot jaloersheid verwekken, daar zijn jullie nog nooit aan toe gekomen.’

    In dit aspect van joods-christelijke relatie ligt wat mij betreft de legitimatie van diaconale project ten behoeve van het Joodse volk, zowel in Nederland (Vrienden van het Cheider) als in Israël (Shaare Zedek, Jaffa-project).

  • Ik kom tot het derde kernwoord: getuigen. Daadwerkelijke solidariteit en praktische steun zijn onmisbaar. In de praktijk blijkt dat daardoor stenen die tussen de kerk en Israël zijn komen te liggen, kunnen worden weggeruimd. Maar hulpverlening of morele steun maken het getuigenis aangaande Jezus Christus niet overbodig. We mogen in het voetspoor van de apostel Paulus gaan die zijn Joodse volksgenoten opzocht in de synagoge en met de Schriften in het midden met hen het gesprek aanging. Van vrijblijvendheid was daarbij geen sprake. Op grond van de Schriften betuigde hij - vgl. het woord dialegomai in de Handelingen der apostelen - dat Jezus de Messias is.

Het zicht verduisterd?!

Intussen mogen we niet over het hoofd zien dat tussen de apostolische periode en onze eigen tijd eeuwen van vervreemding en verwijdering liggen. Er is een diepe kloof tussen kerk en synagoge gegroeid en als christenen gaan wij daarbij bepaald niet vrijuit. Hebben wij door een anti-joodse houding en handelwijze het zicht op de Messias voor Israël niet mede verduisterd en daarmee ook de weg voor een open ontmoeting geblokkeerd?

Het feit dat de kerk en de christelijke theologie medeschuldig staan aan het lijden dat het Joodse volk is aangedaan, moet ons bescheiden en ootmoedig maken. Het spreekt - in het licht van de geschiedenis - niet vanzelf dat Joden een vertrouwelijke relatie met christenen willen aangaan. Het komt aan op echtheid en daadwerkelijke loyaliteit. Mijn persoonlijke ervaring is dat waar een klimaat van vertrouwen en vriendschap gegroeid is, deuren en harten op een verrassende wijze open gaan.

Het heeft mij altijd getroffen dat van joodse zijde nooit werd gevraagd mijn christelijke identiteit te verdoezelen. Eerder hoorde ik de aansporing mezelf te zijn en niet ter wille van een vriendelijk en vrijblijvend contact water te doen in de wijn van het Nieuwe Testament. Waar men wel op staat - en dat lijkt me niet meer dan vanzelfsprekend - is wederzijds respect. Laten we vurig bidden dat het steeds meer mag komen tot zo’n wezenlijke en vruchtbare ontmoeting tussen kerk en synagoge. En laten wij vooral waken dat onze woorden niet breken op onze handelwijze.

drs. Theo van Campen
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 4 (sept. 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi50-4c.php

vrede-over-israel/voi50-4c.php