Hier ziet u hoe de pagina er ongeveer uit komt te zien als u die afdrukt.
Plaatjes en enkele andere elementen worden niet weergegeven.
Dit gedeelte (met rode achtergrond) wordt niet geprint.
De uiteindelijke afdruk kan een andere regellengte hebben.


normale weergave

print deze pagina


Rapportage aan de generale synode van de Chr. Geref. Kerken 2004


Bezinning op Bijbelwoorden over het ongeloof van Israël


Deputaten hebben op verzoek van de vorige synode een aantal teksten bestudeerd dat op de negatieve reactie van het joodse volk op het evangelie wijst.

Mattheüs 23:37-39

37 Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. 39 Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!


De scherpe kritiek van Jezus op de huichelachtigheid van de geestelijke leidslieden staat niet op zichzelf; ook de profeten deden dat. Jesaja (5:8-24) sprak het zesvoudig wee uit over de rijken en machtigen, Jeremia (11:1-14) veroordeelde de afgoderij van Juda en de inwoners van Jeruzalem, Ezechiël (34) bekritiseerde namens God de slechte herders van Israël.


Sprak Jezus in de voorafgaande verzen de schriftgeleerden en Farizeeën aan, in vs. 37 lijkt Hij een andere, grotere groep mensen op het oog te hebben. Jeruzalem is de stad van de geestelijke leiders, die in hun ontheiliging van de tempel (zie Matth. 21:12-17) en hun verzet tegen de verkondiging van het Koninkrijk Gods de hele stad hebben meegezogen. Jezus bedoelt echter niet het gehele Joodse volk, zoals F.W. Grosheide in zijn commentaar wel beweert.


Na de aanklacht komt het oordeel in vs. 38: ‘Uw huis wordt leeg (of verwoest) aan u overgelaten.’ Uw huis betekent niet alleen de tempel, maar Jeruzalem als woonplaats van God en mensen. Er is een parallel tussen Mattheüs 24:1 en 26:30 (Jezus verlaat de tempel, resp. Jeruzalem) en Ezechiël 11:23: ‘de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt.’ Het woord achterlaten ziet met name op het leeg achterlaten van gebouwen. God trekt Zich terug uit de tempel, uit Jeruza­lem, maar ook de mensen zullen Jeruzalem moeten verlaten als de stad een puinhoop zal worden.


F.W. Grosheide en J. Gnilka denken dat God met de woorden van vs. 38 Zijn ver­bond met Israël opzegt (Grosheide: een definitieve terugtrekking; Gnilka: het einde van de geschie­denis van Israël als uitverkoren volk van God). Maar heeft dit voldoende grond? Jezus profeteerde de verwoesting van stad en tempel, hetgeen Hij verbond met de verwerping door de joodse leiders van Zijn zending. Maar Jezus zei niet: nu is de speciale band van God met heel Zijn volk voorbij. Hij sprak ook vs. 39!


Met van nu aan wijst Jezus erop dat er nu een verandering in Zijn relatie met ‘Jeruzalem’ zal zijn. Dat is een zaak van grote ernst, omdat Hij de Heilbrenger is, de Beschermer op de dag van het oordeel. Grosheide meent dat de woorden totdat gij zegt enz. het antwoord van enkelen uit Israël aangeeft, die aan de roepstem van het Evangelie gehoor geven. Maar op welke grond? Gnilka denkt aan een noodgedwongen erkenning bij de wederkomst van Jezus (‘Het hoofdstuk van het oude Israël is voor Mt gesloten’). Het is evenwel opmerkelijk dat Jezus de woorden uit Psalm 118:26 Gezegend Hij... aanhaalt. Deze woorden hadden ook al geklonken bij Zijn intocht in Jeruzalem. Psalm 118 is een vreugdepsalm. De door de bouwlieden versmade steen is tot hoeksteen geworden. Het is moeilijk voorstelbaar dat zulke opgetogen woorden uiting zullen zijn van een noodgedwongen erkenning van Jezus’ heerlijkheid. Het gaat om een hartelijke, blijde erkenning van Jezus vóór de wederkomst. Gods verbond met Israël is niet opgezegd, al heeft God stad en tempel verlaten. Er is nog redding wanneer Jeruzalem buigt voor Jezus en zegt: Gezegend Gij, die komt in de naam des HEREN.

Mattheüs 27:25

En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.


In de vierde druk (1974) van de bekende Korte Verklaring schreef dr. H.N. Ridderbos nog over deze tekst: ‘Het is de onbewuste zelfvervloeking van het Joodse volk, staande tegenover den Messias en tegenover de historie - een vervloeking waarvan het de vervulling op een vreselijke wijze heeft moeten dragen. Het Joodse volk heeft met de Messias niet alleen zijn geheim en zijn eer, maar ook zijn bestaan als volk des Heren, zijn verkiezing door God prijsgegeven’.


Het Griekse woord dat Mattheüs hier gebruikt, laos, staat meestal voor het volk Gods van de oude bedeling, Israël. Maar er is ook de betekenis van ‘bevolking, mensengroep’ in Mattheüs 4:23; 26:5 en 27:64. Al het volk zal niet letterlijk alle Joden bedoelen, maar de menigte ter plaatse. Mogelijk speelt toch de notie ‘verbonds­volk’ mee, maar of zij het hele Joodse volk vertegenwoordigen is nog de vraag.


De ‘bloedroep’ heeft oudtestamentische achtergronden. Uit teksten als Leviticus 20:9,11; Jozua 20:19; 2 Samuël 16:16; Jeremia 26:15; Ezechiël 18:13 blijkt dat het gaat om schuld die men op zich geladen heeft, hetzij door misdaad, ongehoorzaamheid of nalatigheid. Dit wordt persoonlijk afgestraft; daarbij kunnen ook familieleden of het volksverband betrokken zijn. In het N.T. vinden we een dergelijke notie in Handelingen 5:28 en 18:16. ‘Bloed over iemand’ betekent schuldig gesteld worden c.q. verantwoordelijkheid voor de schuld op zich nemen. Dat doen de op Gabbatha verzamelde Joden tegenover Pilatus. Het is daarom onjuist om met Ridderbos van ‘zelfvervloeking’ te spreken; het gaat om verantwoordelijkheidsaanvaarding, weliswaar uit blindheid en opgehitstheid. Men acht het bloed van Jezus minderwaardig; het is bloed van een Godslasteraar (Matth. 26:65).


Deze tekst heeft een kwalijke uitwerking gekregen. Origenes (ong.185-ong.254) zei dat het bloed van Jezus alle volgende generaties getroffen heeft. Hiëronymus (ong. 348-420) achtte de schuld van de Joden blijvend. Luther zei in een preek over deze tekst: ‘De Joden gaan vandaag nog gebukt onder het bloed van Christus, dat zal ze uiteindelijk ook in de hel neerdrukken’.


Er waren ook mildere stemmen. Leo de Grote (440-461) wees op de voorbede van Jezus aan het kruis. Calvijn knoopte aan bij de gedachte dat God een ‘rest’ heeft overgelaten, opdat Zijn verbond niet door de ondergang van het gehele volk ophoudt. Velen hebben vanuit deze tekst een rechtstreekse lijn gezien naar de vervulling van wat Jezus in Mattheüs 23:35-38 heeft aangekondigd. Dit hoeft niet geheel onmogelijk te zijn, ook wanneer we bedenken dat Jezus daarbij meer ziet naar het totaal-gedrag van het joodse volk in het verleden dan naar het Gabbatha-gebeuren.


We moeten beginnen te lezen wat er staat: een ernstig ‘neen’ tegen Jezus op dat moment en die plaats, ten overstaan van de wereldlijke rechter en het nemen van de volle verantwoordelijkheid daarvoor. Helaas heeft de werking van deze tekst de uitleg daarvan ver overtroffen.


Mattheüs schrijft voor zijn joodse volksgenoten om hun aan te tonen dat Jezus de beloofde Messias is. Maar zijn eigen volk heeft Hem niet aangenomen. Ondubbelzinnig wijst Mattheüs dit aan: onwil, verzet, schuld... culminerend in 27:25, 41-43 en 63,64. Maar dit schuld-voorhouden is meteen een appèl.


Wie Mattheüs 23:35v erbij wil betrekken moet beseffen dat Jezus dan spreekt tot en over ‘dit geslacht’. Het rechtvaardige bloed wordt vergolden aan de dán levende generatie.


Naar Gods wet (Exod. 20:5) houdt de straf op bij het 3e en 4e geslacht.


Zou de eerste kruisbede van Jezus tot God (Lucas 23:34) niet van veel meer gewicht zijn dan de fanatieke, ondoordachte roep van een opgehitste menigte?


In Zijn genade heeft God de bloedkreet omgebogen tot een ontdekkend en nodigend aanbod van gebleven verbondsgenade, zoals Petrus daar in zijn Pinksterpreek van getuigt. (Hand. 2:23, 36-39). In zijn verkondiging na de genezing van de verlamde grijpt Petrus terug naar dit gebeuren (Hand. 3:14) en noemt hij het een daad ‘uit onkunde’ (Hand. 3:17) en kan hij op grond van Gods wonderlijk handelen door al het menselijke heen het volk oproepen tot berouw en bekering en geloof in Christus, ‘die voor u te voren bestemd was’ (vs. 20); ‘in de eerste plaats voor u...’ (vs. 26).


Wanneer de hogepriester in Handelingen 5:28 Petrus en de zijnen verwijt: ‘Gij hebt Jeruzalem vervuld met uw leer en gij wilt het bloed van deze mens op ons doen neerkomen’ - dus in de zin van een goddelijke straf -, dan antwoordt Petrus dat die verkondiging van de kruisiging en opstanding van Jezus juist ten doel heeft dat God bekering en vergeving van zonden aan de Joden zal schenken (vs. 29-32). Het bloed van Jezus schreeuwt niet om wraak (Hebr. 12:24), maar roept verzoening uit naar Israël en de volken met de oproep om dit gelovig te aanvaarden en de waarschuwing het niet te versmaden.

1 Thessalonicenzen 2:13-16

14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden van de gemeenten Gods in Christus Jezus, die in Judea zijn, omdat ook gij hetzelfde te verduren hebt gehad van uw eigen volksgenoten als zij van de Joden, 15 die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, 16 daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde de maat hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde.


Paulus spreekt van de sterke tegenwerking t.o.v. de evangelieprediking, waar de christenen in Thessalonica last van hadden, zoals de joodse christenen in Judea dat ook hadden. Volgens Handelingen 17:5 kwam het verzet in Thessalonica van de joden, die straatschuimers te hulp riepen.


Er was dus een gezamenlijk joods-heidens verzet. Paulus schrijft naar aanleiding van het verzet van de joden in Judea en dit gezamenlijke verzet in Thessalonica toch speciaal over de ongelovige joden dat zij ‘zelfs de Here Jezus en profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud’ (vs. 15,16a). De profetenmoord is een oudtestamentisch motief (2 Kron. 36:15,16; Matth. 23:31-35: Lucas 11:49-51). Paulus noemt de hoogste Profeet het eerst.


Ook de opstand tegen God is een oudtestamentisch motief (woestijnreis, richterentijd, koningentijd, ballingschap). In deze lijn ziet Paulus voortgang: profeten vermoord, Jezus gekruisigd, apostelen gehinderd, Messiasbelijders uit de synagoge verwijderd, christenen vervolgd. Een lange reeks van misstappen, ‘waardoor zij te allen tijd/voortdurend hun zonden vol maken/vervullen’ (vs. 16b).


Wat betreft het gehele 16e vers is op te merken dat Paulus hier geen tijdloze uitspraak doet over het wezen van het jodendom en dat hij zeker geen antisemitische gedachten vanuit de heidenwereld sanctioneert. Het gaat hem niet om het joodse volk als geheel, maar om bepaalde joden die de uitdrukkelijke heilswil van hun God negeren en hun medemensen daardoor te kort doen (Baarda, Van Houwelingen).


Bij het volmaken van hun zonden moeten we naar analogie van Genesis 15:16 en Mattheüs 23:32 denken aan het volmaken van de maat van hun zonden. Daarbij is aan te tekenen dat Paulus niet zegt dat die maat nu al vol is. Het is een nog voortgaand proces, maar er komt wel een eind aan.


De toorn is over hen gekomen tot het einde. Af te wijzen is de gedachte dat deze woorden pas na de val van Jeruzalem geschreven zijn of tijdens de vervolging onder de keizers Caligula en Claudius. Anderen denken aan een emotionele uitval van de apostel; een kreet waar niet te veel aan moet worden verbonden. De meest voor de hand liggende uitleg is dat Paulus wist van de waarschuwing van Christus aan het adres van de joden die Hem afwezen (Matth. 21:43; 23:38; 24:15-28). Het ligt eveneens voor de hand om bij toorn (evenals in 1:10) te denken aan de toorn die zich zal openbaren als Christus wederkomt (vgl. Rom. 2:5).


Wat betekenen de woorden tot het einde? Daarover bestaat veel verschil van inzicht. Sommigen denken aan een modale opvatting: in hoogste mate, in volle zwaarte, in de hoogste graad. Eerder is te denken aan het temporele aspect. Maar ook dan moet men niet kiezen voor: nu al tot het definitieve einde, voor eeuwig. Dit zou nl. strijden met wat Paulus in Rom. 11 als zijn verwachting t.a.v. Israël schrijft. Bovendien miskent men dan, dat wat Paulus aan de Thessalonicenzen schrijft specifiek over joden gaat, die zich vijandig jegens het evangelie gedragen. Neen, er is nog het heden van de genade voor ieder mens, jood of heiden, die zich bekeert van zijn zonden en gelooft in Jezus Christus, die ons verlost van de komende toorn (1:10). Maar de hemel betrekt al, zoals bij naderend onweer. Er komt een eschatologische ontlading van Gods toorn, opgeroepen door het volgroeid raken van het zondenproces, het culminatiepunt daarvan. Het gericht komt wanneer die grens is bereikt.


Met D. Visser is te zeggen: De verkondiging is van eschatologische betekenis. Alles staat onder de spanning van het einde dat begonnen is. Daarom is het verzet tegen de evangelieverkondiging nu ernstiger dan ooit. Wie zich daaraan schuldig maakt - of hij nu een jood in Judea of een heiden in Thessalonica is - zal niet alleen met Gods oordeel te maken krijgen, maar Zijn toorn is reeds over hem gekomen. Dat moeten we niet zo opvatten alsof daarmee gezegd is, dat wie daardoor getroffen is, verloren is. Denk aan Paulus zelf. Het zegt wel dat wie op die weg doorgaat tenslotte ten volle door Gods toorn zal worden getroffen. Dat is de ernst van dit woord jegens alle vijanden Gods, die de evangelieprediking tegenstaan. Dat zijn niet dé joden, maar die joden, die Paulus verhinderen om tot de heidenen te spreken. En dat zijn ook degenen die dat verhinderen in Thessalonica.

Jesaja 6:9,10

De letterlijke tekst luidt:

9 Ga en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar begrijpt het niet en ziende ziet, maar weet het niet. 10 Maak het hart van dit volk vet en maak zwaar zijn oren en sluit zijn ogen opdat het niet ziet met zijn ogen en met zijn oren niet hoort en met zijn hart niet begrijpt en terugkeert zodat Hij het geneest.


Deze woorden vormen de opdracht die Jesaja kreeg toen hij in een visioen de Here had gezien. Ze laten de profeet weten dat hij al predikende op tegenstand en ongeloof moet rekenen. Maar zijn dit werkelijk Gods laatste woorden over een onbekeerlijk Israël? En wat zeggen de aanhalingen van deze tekst in het N.T.?


Jesaja is zo diep onder de indruk van dit zware oordeel over zijn volksgenoten dat hij met een bange vraag komt: Tot wanneer, Adonai? Tot hoelang moet ik deze boodschap verkondigen? Een andere uitleg: wanneer zal God met Zijn oordeel ophouden? Gods antwoord duidt op een volledige verwoesting van land en volk. Maar dan eindigt vs. 13 met een genadewoord: Zoals de bomen na geveld te zijn een tronk overhouden, zo is ook deze tronk een heilig zaad. Hier ontmoeten we de rest-gedachte, zo karakteristiek voor Jesaja’s profetieën (4:2v.; 7:3; 11:11; 28:5): er zullen altijd ontkomenen, overgeblevenen van Israël zijn. Ook bij de aankondiging van het oordeel blijft er dus heilsperspectief voor het joodse volk!


Hoe is dat met de citaten van Jesaja 6:9,10 in het N.T.? In de parallelle plaatsen Mattheüs 13:14,15; Marcus 4:12 en Lucas 8:10 staan de woorden in het verband van de uitwerking van Jezus’ gelijkenissen. In Mattheüs 13 is het meest uitgebreide citaat. Op de vraag van de discipelen zegt Jezus: ‘Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen noch ook verstaan. En aan hen wordt vervuld de profetie van Jesaja, die zegt ...’


In Marcus 4 wordt, evenals in de nog kortere verwijzing naar Jesaja 9 in Lucas 8, het woord ‘opdat’ i.p.v. ‘omdat’ gebruikt: opdat zij ziende niet zien enz. Wil dat zeggen dat Jezus de gelijkenissen vertelde met de bedoeling dat Israël niet zou zien en verstaan? J. van Bruggen stelt terecht dat het niet willen horen en zien van Israël niet het doel, maar de aanleiding van Zijn spreken in gelijkenissen is. De gelijkenissen bewerken geen verharding, maar zij hebben een signaalfunctie bij de al aanwezige verharding en verblinding. Er is immers ook een deel van Israël dat wél ziet en hoort en verstaat!


‘Omdat’ en ‘opdat’ zijn niet tegen elkaar uit te spelen. In Johannes 12:38,39 komen we nl. beide na elkaar tegen. Hier wordt Jesaja 6 aangehaald in een commentaar van Johannes zelf: Hoewel Jezus zoveel tekenen voor hen gedaan had, geloofden zij niet in Hem, ‘opdat het woord van Jesaja de profeet vervuld werd dat hij gesproken heeft: Here, wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm des Heren geopenbaard?’ Direct na dit citaat uit Jesaja 53 volgt dan: ‘Daarom konden zij niet geloven omdat Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard’ enz.


Terecht zegt H.N. Ridderbos dat de oorzaak van het ongeloof van Israël hier niet in predestinatiaanse zin bij God wordt gelegd, maar veeleer als een straf van God wordt aangeduid, waarin Hij de mensen in hun ongeloof aan zichzelf overgeeft. De toelichting van Johannes (v.41) is: ‘Dit zeide Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.’ Volgens de meeste uitleggers zegt Johannes hier dat Jesaja, die in de tegenwoordigheid Gods geplaatst werd, tegelijk de pre-existente Christus gezien heeft. Evengoed is met Ridderbos te zeggen dat Jesaja de heerlijkheid Gods aanschouwde, die geen andere was dan de heerlijkheid die de Zoon bij de Vader had eer de wereld was en die in de vleeswording openbaar zou worden. Hoe dit ook zij, Johannes zet een is-gelijk-teken tussen de heerlijkheid van God en die van Jezus Christus. Opvallend is nu dat na deze scherpe belichting van het ongeloof bij de joden in vs. 42 wordt medegedeeld: ‘En toch (niettemin) geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet, opdat zij niet uit de synagoge geworpen zouden worden.’ Velen geloofden! Opnieuw zien we dat Jesaja 6:9,10 niet Gods laatste woorden zijn.


In Handelingen 28:26,27 vinden we een complete aanhaling van deze verzen. Opvallend is dat de gebiedende wijs van de Hebreeuwse tekst: ‘maak het hart vet, maak hun oren doof, doe hun ogen dichtkleven’, in de Griekse vertaling (Septuagint) is geworden: ‘Want het hart van dit volk is zwaar geworden en met het oor hebben ze zwaarlijk gehoord en hun ogen hebben ze sluimerend gesloten’. Het bevel tot verstokking is tot een uitspraak over geconstateerde verstoktheid geworden. Hier stuiten we op vragen inzake de verhouding van de Hebreeuwse tekst en de vertaling daarvan in het Griekse O.T., welke we laten rusten. Het moet evenwel opvallen dat het boek Handelingen niet eindigt met de algehele verstoktheid van Israël. De koinè-tekst waarop de Statenvertaling is gebaseerd, laat zien in vs. 29 dat Lucas tot op het laatst verschillende reacties binnen de joodse gemeenschap waarneemt. De joden lopen onderling redetwistende weg; ze zijn nog volop met Paulus’ boodschap aangaande Jezus Christus bezig! Even eerder (vs. 24) had Lucas al geschreven dat sommigen wel en anderen niet geloofden.


Een laatste zinspeling op Jesaja 6 vinden we in Romeinen 11:8. God heeft gezonden een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien, en oren om niet te horen. Dit is een vrij letterlijk citaat uit Deuteronomium 29:3 (gelijk geschreven is), dat in de lijn van Jesaja 6 ligt. Er is een verharding van de joden, een miskennen van Gods daden, eenmaal bij de uittocht uit Egypte, nu bij de komst van Christus. Mozes schreef: tot op deze dag. Paulus schrijft: tot op de huidige dag. Er is een blijvende actualiteit van dit Schriftwoord. Het verzet van Israël wordt in het licht van Gods raad gezien, zoals we dat van de behandelde Schriftcitaten kunnen zeggen. Maar dat zijn niet Gods laatste woorden. Er blijft hoop voor Israël. De verharding is ‘slechts’ gedeeltelijk of tijdelijk, nl. met het oog op de verkondiging van het evangelie aan de volken.

x