pijl omhoog

Jeruzalem vice versa


Vanaf juni 2012 werkte ds. Aart Brons in Israël, uitgezonden door het Centrum voor Israëlstudies (CIS). Deze maand keert hij terug naar Nederland.

Ruim vijf jaar in Israël. Wat heeft dat met u gedaan?

Waar ik het eerste aan denk: een verschuiving van perspectief. Algemeen, zoals dat geldt voor iedereen die een poosje in een andere cultuur leeft. Maar in Jeruzalem veranderde voor ons in het bijzonder ook het perspectief als het gaat om de kerk. Je komt hier de hele wereldkerk tegen. Wij zijn gastlid van de Christ Church, een Anglicaanse kerk, en ademen in een heel andere kerkelijke traditie. Je gaat dan beseffen wat een klein hoekje van het christendom wij als protestantse kerken in Nederland zijn. Het meest veranderd is echter het zicht op het Jodendom – door gesprekken, persoonlijke relaties, meebidden in synagogen en het meevieren van de feesten.

Werkdag

Hoe zag een volle werkdag in Israël er voor u uit?

Met de beschrijving van één werkdag doe ik geen recht aan de verscheidenheid in mijn werk. Maar om een beeld te geven: Ik ga naar een ontbijt van Men in Ministry dat begint om 8 uur. Aansluitend wisselen we nieuwtjes en gebeds­onderwerpen uit, krijgen we informatie over de Jerusalem University College waar we nu met zo’n 30 man te gast zijn, en nemen we ook de tijd voor gebed. Daarna regel ik een paar dingen voor de groep studenten die in oktober komt. ’s Middags een vergadering van het bestuur van de Jerusalem Rainbow Group over het nieuwe seizoen, en voorberei­ding voor de vergadering die we die avond hebben, van de groep Jews and Christians study the Gospel of Matthew. We bespreken dan een hoofdstuk uit Mattheüs, met een groep van tien, half orthodox Joods half christelijk.

Oogsttijd

U signaleerde eerder dat u werkte in een tijd waarin kon worden geoogst. Kunt u daar iets van vertellen?

Dat bedoelde ik in die zin dat de relatie tussen Joden en christenen verbeterd zijn. Tijdenlang moesten Joden niets van christenen hebben. Ten dele is dat nog zo, en daar zijn helaas redenen voor. Maar als vrucht van pionierswerk zijn er nu op veel plekken goede en hartelijke relaties gegroeid. De positieve Verklaring van orthodoxe rabbijnen aangaande het christendom (waarover ik in Verbonden van febr. 2016 schreef) is daar een onderdeel van.

Joden en christenen kunnen over en weer van elkaar leren. Kunt u van beide een voorbeeld geven?

Ook hier zou heel veel te noemen zijn. Eén voorbeeld: beiden kunnen we van elkaar leren dat Jezus Joods was (en ìs...). Veel Joden zijn zich niet bewust dat Jezus één van hen is en bij hen hoort. Ze zien Hem als iemand uit een ander kamp, Iemand van de gojiem. Begrijpelijk, als je ziet wat christenen in Zijn naam gedaan hebben. Maar de Evangeliën geven een ander beeld. En juist op dat punt kunnen wij ook weer van Joden leren. Ons ontgaan dingen die Joden direct kunnen plaatsen als ze de Evange­liën lezen. Dus niet alleen over wat wij ‘het Oude Testament’ noemen, maar ook voor het verstaan van het Nieuwe Testament kunnen wij van Joden leren.

Verder denk ik ook aan de ‘Vreugde der Wet’ – de praktijk van Psalm 119: hun vreugde over en liefde voor de Tora, en hoe ze die willen houden tot in alle hoeken en gaten van het leven – het zijn sprekende spiegels voor ons christenen.

Ontmoetingen

U onderhield contacten met religieuze Joden, Messiasbelijdende Joden en Palestijnse christenen. Schakelde u daar als individuele bruggenbouwer tussen of ontstonden er ook verbindingen?

We vinden die drie relaties heel belangrijk. Daar zijn we ook open over. Veelal is daar dan ook wel waardering voor. Als mensen voelen dat jij echt naar hen luistert vinden ze het vaak juist wel goed dat je ook naar andere groepen luistert en iets doorgeeft van wat je aan de andere kant gehoord hebt. Een enkele keer hebben we direct bij­gedragen aan ontmoetingen van Joden en Palestijnse christenen. Een ontmoeting is nog niet direct een verbinding, maar wel een – soms best bijzondere – stap. We vinden ook contact en samen­werking met organisaties die ontmoeting tot stand brengen heel belangrijk, zoals Musalaha (Arabisch voor ‘verzoening’) en Yad Elie, een hulp­verlenings­project dat werkt met Joodse en Arabische scholen.

Dienen

Wat is uw motivatie om nu een punt te zetten achter uw werk in Israël?

Zes jaar was vanaf het begin de beoogde periode. Korter zou minder effectief zijn. Na zes jaar is het ook wel weer goed als er verandering komt. Nu kan ik mij in Nederland inzetten op het gebied van de relatie met Israël en het Jodendom, met alles wat ik hier geleerd heb. Het leven in Nederland heeft voor ons ook heel aantrekkelijke kanten – niet het minst natuurlijk dat we dan weer dichter bij de familie wonen.

Terug in Nederland. Hoe ziet u uw verhouding met Israël in de toekomst? En met de kerk?

Israël en het Jodendom hebben nog veel meer een bijzondere plek in mijn leven – en in mijn hart – gekregen dan ze al hadden. Ik heb ook meer zicht gekregen op de vele vragen die hier liggen, en huiver voor te eenvoudige en eenzijdige antwoorden. Ik heb veel ontvangen in mijn periode in Israël, waar­mee ik graag nog een aantal jaren onze kerken wil dienen. In een gemeente, als er een beroep komt. Maar ook meer in de breedte, op het voor de kerken belangrijke punt van de relatie met Israël, waarin we onze roots en onze oudere broer zoeken.

drs. Niels van Driel
Verbonden jrg. 61 nr. 3 (sep. 2017)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden