pijl omhoog

Verloren schapen, maar wél schapen

Schrifstudie over Mattheüs 15:24 (HSV)

Hij antwoordde en zei:
Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.


Een niet-Joodse vrouw vindt ontferming bij Jezus. Het duurt even, maar dan verkrijgt ze haar wens: haar dochter wordt van een demon verlost en zij van een grote zorg. In deze Schriftstudie willen we vooral letten op Jezus’ aanduiding van het Joodse volk. Hij noemt het ‘de verloren schapen van het huis van Israël’. Wat heeft Hij daarmee bedoeld?


Het zal je maar overkomen! Je dochter wordt ernstig ziek en dan blijkt het bezeten­heid te zijn. Hoe komt dat ooit weer goed? De moeder die dit met haar dochter mee­maakt, is ten einde raad. Maar dan hoort ze dat Jezus in haar omgeving is. Heeft ze gehoord dat Hij wonderen kan doen (vgl. Mat. 4:24)?

Genadig wonder

De moeder gaat naar Hem toe en legt haar nood voor Hem neer. Ze erkent Hem als de Messias en smeekt om Zijn ontferming over haar dochter. Eerst antwoordt Jezus haar niet en dan hoort ze Hem tegen Zijn discpelen zeggen dat Hij alleen maar gezonden is tot de verloren schapen van het huis van Israël. Ze zet echter door en ontvangt ten slotte haar wens: haar dochter wordt verlost van de demon die haar bezet.

Jezus (h)erkent het grote geloof van de vrouw en brengt uitkomst in haar grote nood. Wat een grote genade van Jezus dat Hij een heidense vrouw deze weldaad schenkt. Hij heeft hier iets weg van Elia en Elisa, die ook eens een buitenlandse vrouw in grote nood hielpen.

Een gezondene

In deze geschiedenis wordt duidelijk dat Jezus beseft waar Zijn eerste roeping en verantwoordelijkheid ligt. Zijn Vader heeft Hem allereerst gezonden naar het Joodse volk, dat het volk van God is. Hij zegt hier zelfs dat Hij alleen maar gezonden is naar Israël.

Dat heeft te maken met het verbond van God, met Zijn beloften die Hij onder het oude verbond heeft gegeven, met Zijn trouw die Hij zal houden aan Zijn volk. Wat er ook in de tijd van het Oude Testament is gebeurd, Gods beloften staan als een huis (vgl. Rom. 11:29).

In de volheid van de tijd is God ze gaan vervullen en heeft Hij Zijn Zoon ge­zonden. En Jezus is komen wonen onder het Joodse volk en is er Zijn werk gaan doen. Dat werk wordt Hem opgedragen door Zijn Vader. Zíjn woorden geeft Hij door en onderstreept die door wonderen. Jezus weet ook waar Zijn weg onder Israël in uit zal monden. Hij zal straks als een groot misdadiger aan een kruis sterven, even buiten Jeruzalem. Voor wie zal Hij dat doen? Allereerst voor de verloren schapen van het huis van Israël.

Huis

Het is opmerkelijk hoe Jezus het Joodse volk in vers 24 noemt. Hij heeft het daar over ‘de verloren schapen van het huis van Israël’. Zo heeft Hij Israël vaker aangesproken (vgl. Mat. 10:6). Een paar opmerkingen daarover.

Bijzonder is dat Jezus het hier heeft over ‘het huis’ (van) Israël? Met deze woorden sluit Hij zich aan bij het Oude Testament. In die tijd werd er al over Israël gesproken als ‘het huis’ (van) Israël (vgl. Ex. 16:31; 1 Sam. 7:3; Ps. 98:3; Jes. 5:7; Ezech. 3:1). Het is een bijzondere aanduiding van het volk van God. Hiermee wordt de eenheid van het volk onder woorden gebracht zoals God die heeft bedoeld.

Het woord ‘huis’ geeft ook iets aan van een samenzijn als volk, van een ontmoeting, een relatie, van een verbondenheid tussen de generaties. Ook hier komen we het verbond van de HEERE weer tegen.

Verloren

Waarom heeft Jezus het niet over ‘de schapen’, maar over de ‘verloren’ schapen van het huis van Israël? Waarschijnlijk sluit Jezus zich aan bij de woorden van de profeet Ezechiël. Als Ezechiël de deplorabele toestand van het Joodse volk beschrijft, grijpt hij naar soortgelijke beeldspraak. De profeet heeft het over het zwakke dat niet versterkt wordt, het zieke dat niet genezen wordt, het gebrokene dat niet verbonden wordt, het afgedwaalde dat niet teruggebracht wordt en het verlorene dat niet gezocht wordt (Ezech. 34:4).

Even verderop zegt Ezechiël in de Naam van God: ‘Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar ze vraagt, en niemand die ze zoekt’. Ze zijn dus verloren.

En in Jezus’ dagen zijn ze nog even verloren. Ze zijn intussen teruggekeerd uit de Babylonische ballingschap. Er is veel veranderd sinds de tijd van Ezechiël. Maar ze zijn nog steeds verloren, omdat ze zijn als schapen die geen herder hebben (vgl. Mat. 9:36; Mar. 6:34). Zeker, ze zijn nog steeds schapen. Gods verbond met hen is door Hem niet herroepen of opgezegd. Maar toch zijn ze verloren. Hun toestand is hopeloos en reddeloos. Verloren, dat is het goede woord ervoor. En daar is Jezus nu juist voor naar de aarde gekomen.

De goede Herder

We kunnen bij vers 24 blijven staren op het Joodse volk en zijn verlorenheid, maar de tekst wil ons vooral bij de goede Herder brengen. Waarom is Hij in deze wereld gekomen? Dat maakt Hij onder andere duidelijk in Johannes 10. Daar zegt Hij dat Hij gekomen is om Zijn leven te geven voor Zijn schapen. En dan maakt Hij in dit hoofdstuk duidelijk wie Zijn echte schapen zijn. Dat zijn zij die luisteren naar Zijn stem. Dat zijn zij die Hem volgen door het geloof. Voor hen zal Hij Zijn leven afleggen.

Allereerst dus voor die Joden die zich aan Hem gewonnen zullen geven. En daarna ook voor hen die vanuit de heidenvolken hetzelfde zullen doen. Heel duidelijk geeft Jezus aan dat Hij allereerst Zijn leven zal geven voor de gelovigen uit het Joodse volk. Maar dan zijn er ook nog andere schapen die van deze (Joodse) stal niet zijn. Die moet Hij ook toebrengen en dat zal Hij ook doen.

Gevonden

En zo zal het één gevonden volk worden, bestaande uit Joden én heidenen. Verloren zijn al Zijn volgelingen van huis uit. Maar, voor Jezus is niets te wonderlijk. Zijn bloed reinigt van alle zonde en slechtte de muur die tussen Joden en heidenen in stond. En zo wordt het één volk van verloren en toch gevonden zondaren.

En straks gaat de hemelse staldeur open en mogen al Gods schapen naar binnen. Geleid en geweid door de goede Herder, opgebeurd en gedragen indien nodig. Straks is het één kudde onder één Herder. De vraag is of wij dan ook tot die kudde zullen behoren.

Hoop en uitzicht

Schapen, maar: verlóren schapen. Helaas geldt dat ook vandaag nog voor een groot deel van het Joodse volk. Daarom blijven we bidden voor dit bijzondere volk en eronder werken. Opdat velen van hen nog gevonden zullen worden door de Herder die Zijn volk liefheeft. En de heerlijke beloften voor Israël gelden nog steeds. We mogen uitzien naar de rijke vervulling ervan!

Vragen

  1. Waarom treedt Jezus ogenschijnlijk zo hard op tegen de Kananese vrouw?
  2. Wat is het mooie in haar geloofsleven?
  3. Wat heeft dit Schriftgedeelte ons te zeggen met het oog op onze verhouding tot het Joodse volk?

drs. Kees Droger
Verbonden jrg. 62 nr. 2 (mei 2018)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden