Messiaans-Joodse Bijbeluitleg als inspiratiebron
Verschillende Messiasbelijdende Joden schreven een Bijbelcommentaar. Deze commentaren vormen een waardevolle informatiebron voor christenen. Voor de predikantsmaster aan de Protestantse Theologische Universiteit schreef ik een scriptie over Messiaans-Joodse Bijbeluitleg uit de periode 1789-1945; hier enkele lijnen hieruit.
Van christelijke zijde is er een toenemende belangstelling voor Joodse Bijbeluitleg. Als het daarom gaat kunnen Messiasbelijdende Joden een belangrijke gidsrol vervullen. Zij delen immers hun Joodse identiteit met het Joodse volk en hun geloof in Jezus Christus met christenen.
Evangelieverkondiging
Joodse volgelingen van Jezus zijn er de eeuwen door altijd geweest. In de negentiende eeuw neemt hun aantal substantieel toe. De Jewish Encyclopedia meldt dat zich in de negentiende eeuw maar liefst 204.542 Joden bekeren tot het christendom. Deze trend zet zich voort in de eerste helft van de twintigste eeuw.
Sommige Joodse bekeerlingen gaan aan de slag als geestelijke. Zo groeit het aantal voorgangers met een Joodse achtergrond in de Anglicaanse Kerk van 8 in 1836 en 104 in 1855 naar meer dan 200 aan het einde van de negentiende eeuw. Onder hen zijn er ook die zich (deels) wijden aan Bijbeluitleg.
Bijbelcommentaren
Eeuwenlang zijn er geen Bijbelcommentaren voorhanden van Messiasbelijdende Joden. De primeur is weggelegd voor Johann Kemper (1670-1716). Tussen 1700 en 1710 vertaalt de gewezen rabbijn het Mattheüsevangelie in het Hebreeuws en voorziet hij het Bijbelboek van uitleg. Enkele decennia later verschijnt een Hebreeuws commentaar op Lukas van de messiaanse Jood Heinrich Christian Immanuel Frommann (?-1735).
In de negentiende eeuw verandert dit. Er verschijnen verschillende Bijbelcommentaren van messiaans-Joodse auteurs (zie ook kader). Een van de commentaren is van de hand van Jechiël Zwi Lichtenstein (1831-1912, niet te verwarren met zijn geestverwant Isaac Lichtenstein). Hij verzorgt als eerste Messiasbelijdende Jood in de geschiedenis een commentaar op het complete Nieuwe Testament.
Jechiël Zwi Lichtenstein
De wieg van Jechiël Zwi Lichtenstein staat in Bessarabië, het huidige Moldavië. Jechiël krijgt een klassiek-Joodse opvoeding. Als jongeman studeert hij Talmoed en Kabbala aan een jesjiva
(Talmoedschool). Naar verluidt werkt de veelbelovende Lichtenstein vervolgens enige tijd als chassidisch rebbe
in Lasi (een stad in het huidige Roemenië).
Lichtenstein is een fervent lezer. Op een keer tikt hij voor een gering bedrag een Nieuwe Testament op de kop. Het leidt tot een ommekeer in zijn leven. Lichtenstein komt samen met enkele andere Joodse vrienden tot de overtuiging dat Jezus de Messias is. Dit wordt door hun omgeving niet geaccepteerd; zij worden verstoten. Lichtenstein verhuist naar Duitsland; zijn vrienden keren onder zware druk terug tot het orthodoxe jodendom.
In oktober 1868 ontmoet Lichtenstein in Duitsland de invloedrijke christelijke hebraïst Franz Delitzsch (1813-1890). Delitzsch is onder de indruk van de bekeerde Jood: Einen ungewöhnlichen Menschen, einen ausnehmend gründlichen Kenner des Talmud und der Kabbala, aber -was noch mehr ist- eine den Herrn Jesum als Gottes menschgewordenen Sohn brünstig liebende Seele.
Apologeet
Een belangrijk deel van zijn leven werkt Jechiël Zwi Liechtenstein als docent aan het Institutum Judaicum Delitzschianum in Leipzig. Door zijn studenten wordt hij gekscherend de oude rebbe
genoemd. Lichtenstein overlijdt op 12 februari 1912.
Lichtenstein heeft verschillende publicaties op zijn naam staan, waaronder een Bijbelcommentaar. Zijn Hebreeuwstalig commentaar op het Nieuwe Testament verschijnt tussen 1891 en 1904. Het bestond oorspronkelijk uit acht delen.
Lichtenstein publiceert bewust in het Hebreeuws en Jiddisch. Zijn drijfveer is apologetisch: hij verlangt ernaar het Evangelie te delen met zijn Joodse volksgenoten. Deze keuze heeft, zo beseft hij ook zelf, een schaduwzijde: De Joden kunnen deze werken lezen, maar zij willen het niet; de gojiem [niet-Joden, AG] willen het lezen, maar zij kunnen het niet.
Stamboom
In zijn commentaar op Mattheüs gaat Liechtenstein onder andere in op de structuur van het geslachtsregister van Jezus. Dit geslachtsregister roept bij christelijke theologen nogal eens vragen op. Dat is onnodig, stelt Liechtenstein. Volgens hem is het geslachtsregister opgesteld conform alle regels van de Joodse wetenschap.
Met een uitvoerig beroep op Joodse bronnen toont Lichtenstein aan hoe zorgvuldig Mattheüs te werk is gegaan. Daarvoor is een reden, schrijft Lichtenstein. Mattheüs moest vanaf het begin anticiperen op elk bezwaar dat zijn scherpzinnige en spitsvondige tegenstanders
zouden inbrengen.
Een deel van het commentaar van Lichtenstein is voor christenen goed te begrijpen. Andere overwegingen zijn onnavolgbaar. Het blijkt voor een man die gepokt en gemazeld is in het jodendom niet altijd eenvoudig om zijn overwegingen ook toegankelijk te maken voor een christelijk publiek.
Desondanks is het betreurenswaardig dat het Bijbelcommentaar van Lichtenstein tot dusver slechts door weinigen te raadplegen is. Daardoor loopt de geïnteresseerde christelijke lezer veel waardevols mis. In 2002 verschijnt er bij een Messiaans-Joodse uitgever in Jeruzalem een herdruk van zijn commentaar. Naar verluidt wordt er ook gewerkt aan een Engelse uitgave. Een loffelijk streven!
Messiaans-Joodse Bijbeluitleggers
Er waren tussen 1789 en 1945 verschillende Messiaans-Joodse Bijbeluitleggers actief in Europa.
De meesten werkten in Engeland. Onder hen:
- Alfred Edersheim (1824-1889)
- Adolf Saphir (1831-1891)
- Christian David Ginsburg (1831-1914)
- David Baron (1855-1926)
- Paul Phillip Levertoff (1878-1954)
In Duitsland zijn werkzaam:
- Johann August Wilhelm Neander (1789-1850)
- Joachim Heinrich Biesenthal (1804-1886)
- Jechiël Zwi Lichtenstein (1831-1912)
Messiaans-Joodse Bijbeluitleggers uit Nederland zijn:
- Isaäc da Costa (1798-1860)
- Philippus Samuel van Ronkel (1829-1890)
Edersheim en de schapen uit Bethlehem
Een van de bekendste messiaans-Joodse Bijbeluitleggers is Alfred Edersheim (1824-1889). Verschillende boeken van hem worden nog steeds herdrukt. Wie de pennenvruchten van Edersheim raadpleegt, raakt onder de indruk van zijn belezenheid.
Sommige gedachten van Edersheim worden voorzichtig mainstream
. Zo wordt in preken en andere publicaties geregeld gesteld dat de schapen in de velden van Efratha bestemd waren voor de tempeldienst. De herders zouden zelfs in dienst zijn van het heiligdom. In lijn daarmee, zo wordt vervolgens betoogd, is het treffend dat hét Lam van God in dezelfde regio geboren is.
Deze aanname is vaak gebaseerd op Edersheim. Edersheim grijpt op zijn beurt terug op Sjekaliem 7:4. Het blijkt echter dat Edersheim dit gedeelte uit de Misjna onjuist interpreteert. De brontekst stelt dat verondersteld mag worden dat schapen die los rondlopen in het gebied tussen het tempelcomplex en de migdal eder
(vgl. Micha 4:8; naar verluidt een schaapstoren in de buurt van Bethlehem) ontsnapte offerdieren zijn. Er wordt op geen enkele manier betoogd dat alle schapen uit de regio Bethlehem bestemd zijn voor de offerdienst (hoewel het aannemelijk is dat een aantal van deze schapen wel degelijk zal eindigen als offerdier).
Bovenstaand voorbeeld illustreert dat Messiaans-Joodse Bijbeluitleg inspirerend kan zijn, maar de lezer ondertussen niet van zijn of haar plicht ontslaat om kritisch te blijven.
(drs. A.G. Groothedde is proponent in de Protestantse Kerk en werkzaam als theologisch medewerker bij Stichting Steun Messiasbelijdende Joden; van 2018-2023 namens het Centrum voor Israëlstudies werkzaam in Jeruzalem)
A. Groothedde
Verbonden jrg. 70 nr. 1 (2026-01)
www.kerkenisrael.nl/verbonden