omhoog

Na veertig jaar

En Isaäk was veertig jaar oud toen hij Rebekka tot vrouw nam. (Gen. 25:20)


De staat Israël bestaat veertig jaar. Na veertig jaar breekt in de bijbel vaak een nieuwe toekomst door. Veertig jaar lang zwierf het volk Israël door de woestijn en toen ging het in het land Kanaän een nieuwe toekomst tegemoet. De oude generatie was heengegaan. En nieuwe generatie zag een nieuwe toekomst voor zich, Num. 14:33; Joz. 5:6.


Veertig jaar was Israël in de macht van de Filistijnen. Toen brak met Simson een nieuwe toekomst aan, Richt. 13:l. Veertig jaar zou Egypte een onbewoond gebied zijn en dan zou er een nieuwe en gezegende toekomst dagen, Ez. 29:11.13.

Veertig jaar lang had de verlamde man aan de Schone Poort van de tempel niet kunnen lopen en toen zag hij door zijn genezing een nieuwe toekomst voor zich, Hand. 4:22.

Veertig jaar was Isaäk oud en toen ging hij door zijn huwelijk met Rebekka een nieuwe toekomst in, Gen. 25:20. Men zou wensen dat ook de staat Israël na veertig jaar een nieuwe toekomst zou mogen tegemoet gaan. Een toekomst van vrede en rust.

De afgelopen veertig jaar zijn voor Israël niet gemakkelijk geweest. Het was allerminst een tijd van vrede en rust. De laatste jaren zijn de moeilijkheden zelfs sterk toegenomen. Rust en veiligheid worden steeds meer bedreigd.


Toen veertig jaar geleden de staat Israël onverwacht werkelijkheid werd hadden velen anders gehoopt en zelfs gedacht. Het joodse volk dat in de jaren ’40-’45 op het punt stond geheel te worden uitgeroeid en wat voor een groot deel ook inderdaad het geval geworden is, zodat slechts een klein getal is overgebleven, zag in de vestiging van de staat Israël een nieuwe toekomst en een garantie voor een nieuw bestaan in vrijheid en in veiligheid.


Vele christenen zagen zelfs oude beloften in vervulling gaan. Er zouden grote dingen gaan gebeuren. God zou tonen dat Israël zijn bijzonder volk is. Na 2000 jaar zou blijken dat Hij zijn oude verbondsvolk niet vergeten was. Bekering en vernieuwing zouden volgen. Alle aandacht was op Israël gericht. Ieder leefde met het verdrukte, maar nu bevrijde volk mee.

Maar alles liep zo anders. Geen vernieuwing en geen veiligheid. Na veertig jaar schijnt het bestaan van Israël en zijn staat te hangen aan een zijden draad. Vijanden maken zich op om het joodse volk te verdrijven en opnieuw te verdelgen. Het lijkt er op dat bij vele sympathie in antipathie zal omslaan. Deernis met Israël maakt plaats voor meegevoelen met de Arabische bevolking.


Veertig jaar is niet zonder meer een garantie voor een nieuwe toekomst van vrede en van rust. Ook in de bijbel niet.

Toen Israël na zijn veertigjarige woestijntocht het beloofde land binnenging betekende dat wel een nieuwe toekomst, maar niet van veiligheid en rust. Vijanden rondom bedreigden steeds die rust en veiligheid. Steeds was daardoor het volk in gevaar.


Op zijn veertigste jaar brak voor Isaäk een nieuwe toekomst door, maar die bleek niet in alle opzichten rooskleurig te zijn. Zoals Israël vandaag door Palestijnen wordt bedreigd was dat ook reeds in het leven van Isaäk het geval. We lezen ervan in Gen. 26. Ze gunnen hem hun grondgebied niet. Steeds moet Isaäk met zijn mensen wijken. Tot ze een overeenkomst vinden. Toen sprak Isaak: de HERE heeft ons ruimte gemaakt, zodat wij vruchtbaar kunnen zijn in het land, vs. 22.

Dat zou je ook vandaag voor Israël en de Palestijnen hopen. Na veertig jaar een overeenkomst voor vrede en rust. Maar niemand weet hoe. Het probleem schijnt onoplosbaar. Ik denk dat evenals in de dagen van Isaäk de HERE zelf er aan te pas moet komen. Dat moet ons aller gebed zijn. Hij is het die ruimte moet maken opdat Israëliërs en Palestijnen vruchtbaar kunnen zijn in het land. Dat is meer dan een vrome verlegenheidswens.


Even verder in het hoofdstuk wordt verteld dat de HERE op een nacht aan Isaäk verschijnt en zegt: Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermenigvuldigen ter wille van mijn knecht Abraham, vs. 24. Die God van Abraham leeft nog en we mogen geloven dat er nog beloften zijn voor Israël. Nog terwille van zijn knecht Abraham. Paulus zegt dat het joodse volk overeenkomstig Gods verkiezing nog geliefden zijn ter wille van de vaderen.

De genadegeving en de roeping Gods zijn onberouwelijk, Rom. 11:28-29.


Maar na de pinksterdag zijn de joden niet alleen Gods volk. Ook voor de Palestijnen zijn er beloften van God. Want er is geen onderscheid meer tussen jood en griek, jood en niet-jood. Allen zijn zij onder dezelfde zonde, Rom. 3:9. En over beiden is God Heer, rijk voor allen, die Hem aanroepen, 10:12. En we vergeten wel eens dat er ook onder de Palestijnen vele christenen zijn en die zijn evenzeer door hun geloof zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen, Gal. 3:2-3.


Moge er in de toekomst na de veertig jaar staat Israël vrede zijn tussen joden en Palestijnen. En nog heerlijker zou het zijn samen onder het koningschap van de messias, Jezus van Nazaret, de opgestane en verheerlijkte Heiland, de enige naam onder de hemel tot behoud gegeven.

Is dat misschien teveel gevraagd? Of behoort het tot de belofte, waarvan we de vervulling verwachten mogen? Isaäk heeft na zijn veertigste ondanks moeite en verdriet ook nog zegen ontvangen en vervulling van Gods beloften mogen zien.

We wensen het joodse volk en de staat Israël bij zijn veertigste verjaardag Gods sjalom toe. En we bidden daar om.

prof.dr. Berend Oosterhoff
Vrede over Israël jrg. 32 nr. 3 (mei 1988)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel