omhoog

Schriftstudie Galaten 1:1-2:10 (kern: 1:11-16)


Schriftstudies over de brief aan de Galaten

Met ingang van dit nummer zal de Schriftstudie in Vrede over Israël een aantal keren gewijd zijn aan de brief die Paulus schreef aan de gemeenten van Galatië. Een van de eerste brieven, zo niet de eerste, die we van hem kennen.

De op zichzelf interessante vraag aan welke klein-aziatische gemeenten we dan moeten denken moet daarbij blijven rusten. Ook een doorlopende tekstbehandeling valt buiten het toegemeten bestek. Een gang door de brief aan de Galaten waarbij vooral enkele kernmomenten belicht worden, dat is de bedoeling. Voor het overige is o.a. te verwijzen naar:

  • dr. J.P. Versteeg, De brief aan de Galaten, in: Bijbels Handboek III, Kampen 1987, p. 357-371 (geen uitleg maar inleiding);
  • de verklaring van dr. W.S. Duvekot (in het boek Tekst voor tekst, ’s Gravenhage 1987),
  • van dr. C.J. den Heijer (in de serie Tekst en toelichting, Kampen 1987),

  • van ds. M. R. van den Berg (Telos-boek, Amsterdam 1979),
  • artikelen in bijbelse encyclopedieën en andere verklaringen.


Opvallend afstandelijk is het begin van de brief. Na de in stijl gestelde groet (1:3) volgt wel een lofprijzing aan God (5). Maar een dankzegging voor de gemeente (zoals in andere brieven, bijv. 1 Kor. 1:4-9) kan er niet af. Het zit tussen Paulus en de Galaten momenteel niet goed!

Andere predikers hebben na Paulus bij hen hun intrede gedaan. Wat laat­dunkend duidt hij ze aan als sommigen (7). Hoewel ze, evenals Paulus, joodse christenen zijn, hebben ze met hún boodschap bij de Galaten twijfel gezaaid aan de echtheid van zijn apostelschap en de juistheid van zijn evangelieprediking. Op beide wil Paulus nu in deze brief ingaan.

Vanaf 3:1 geeft hij een verdediging van de inhoud van zijn boodschap. Maar eerst moet het wantrouwen jegens hem als apostel uit de weg. Daarom begint hij meteen in 1:1 met een sterke klemtoon op het feit dat hij wel terdege een apostel is. Afgezant van Christus! En in het vervolg toont hij dat ook nader aan. Niet aan menselijk gezag, zelfs niet aan dat van de Jeruzalemse apostelen is zijn positie als apostel ontleend (1:12. 15-24). Hij ontving zijn opdracht én boodschap van niemand minder dan Christus zelf. Zijn roeping en evangelieprediking zijn dan ook wel erkend door de andere apostelen (2:1-10)! Des te minder kan Paulus er over uit (1:6) dat de Galaten zó snel na zijn vertrek zich hebben laten omturnen.


Achter de aanvankelijke afstandelijkheid blijkt nu ineens een vuur van grote felheid te branden! Daarin schroomt Paulus zelf niet om de boodschap die zijn opvolgers brachten een ander evangelie te noemen, dat geen evangelie is, maar een verdraaiing van de waarheid (1:6, 7). Zelfs roept hij over ieder die zo’n ander evangelie brengt (al zou hij zelf of een engel uit de hemel het zijn) uit: die zij vervloekt - uitgebannen uit Gods gemeenschap!


Het is de moeite waard hier even bij stil te staan.

Want de mensen tegen wie Paulus zo fel uitvalt zijn geen aanhangers van een andere religie. Ze presenteren zich als Christusbelijders. Mag je die zo verketteren?

Bovendien, zagen we, zijn het Christusbelijdende joden. Waarin verschillen ze van Paulus? Ze hebben er moeite mee dat hij aan niet-joden het evangelie brengt van behoud alleen door Christus, alleen door het geloof, zonder verplichting tot het onderhouden van de Mozaïsche wet. Zij ontkennen niet de noodzaak van het geloof in Christus. Maar ze plaatsen dat wel in het kader van het onderhouden van een aantal joodse wetten, met name van de besnijdenis (5:2-3; zie ook 4:10). Pas als de niet-joodse gelovigen daaraan voldoen horen ze er bij, als echte kinderen van Abraham. Zó onderstrepen zij, dat heidenen moeten worden ingelijfd in Israël (Psalm 87!). Waarom is Paulus daar zo fel tégen?


Hij komt in hun boodschap van behoud-(mede)-door-werken het verleden waarmee hij gebroken heeft weer tegen: mijn vroegere wandel in het Jodendom (1:13). Wat had hij daarin niet gepresteerd! Hij had het er verder in gebracht dan wie ook (14; verg. Filipp. 3:4-6). Maar midden in dat rapport vol schijnbare voldoendes staat ineens de dikke ónvoldoende: ik heb de gemeente Góds vervolgd. Je proeft de ontzetting. Want gemeente Gods is een zinspeling op de oudtestamentische naam van Israël: de gemeente des HEREN (bijv. Num. 16:3). Zó ziet Paulus nú de gemeenten van Christus.

Tóen dacht hij, dat ze - evenals hun Meester - verválsers waren van Gods Woord. Had Jezus niet de zondaars, publieke overtreders van de wet, geroepen tot zijn gemeenschap? Ondermijnden Hij en zijn volgelingen dus niet de fundamenten van Israël als volk Gods? Want is (naar farizese overtuiging) gehoorzaamheid aan Gods wet niet de voorwaarde voor het aanbreken van Gods heil? Was Jezus daarom niet terecht getroffen door de vloek van de wet toen Hij stierf aan het kruis? En zou het niet Gods wil zijn dat ook Jezus’ aanhangers werden uitgebannen uit de gemeenschap?


Op de weg naar Damascus kwam het keerpunt (Hand. 9). Wat hem toen in één ogenblik in het hart gebrand is, is hem pas daarná in volle omvang en diepte geopenbaard. Wellicht was zijn verblijf in Arabië (17) in dat opzicht een leerschool. Maar dat de Gekruisigde hem verscheen in goddelijke heerlijkheid heeft hem wel, als in een flits, doen zien dat Alles anders was dan hij op grond van zijn rabbijnse Schriftstudie had gemeend.

Als Jezus’ kruisdood blijkbaar geen roemloos einde onder de vloek was geweest (want Hij leefde - en hoe!) - dan was deze Jezus, die geen wetsvervulling vroeg als voorwaarde voor de genade, kennelijk één met Israëls God: de Zoon van God (1:15-16). En dan moest zijn gemeente dát volk zijn dat God Zich in het laatste der dagen zou bereiden. En dat had hij vervolgd! Strijdend vóór de wet van God bleek hij te strijden tégen de God van de wet. En pas nu hij, door Gods welbehagen tóch geroepen, in dienst van Christus staat, en het evangelie dat hij eerst bestreed mag verkondigen - pas nu is hij weer terug op de weg die God met Israël ging.

Hij beschrijft zijn roeping zelfs in termen die doen denken aan de roeping van Jeremia, sterker: aan die van de Knecht des HEREN (1:15, verg. Jer. 1:5, Jes. 49:1-7). Hún roeping jegens de volken krijgt nu in Paulus’ leven een nieuwe vervulling.


En de Judaïsten, die gehoorzaamheid aan de wet prediken als voorwaarde voor het heil? Ze komen op voor de band tussen Israël en de gemeente uit de heidenen. Maar op een manier, die naar Paulus’ overtuiging een miskenning betekent, niet alleen van het evangelie van Christus, maar ook van Gods weg met Israël. Zoals hij nu ook het Jodendom waarin hij geleefd heeft beheerst ziet door die miskenning. Paulus heeft in deze brief die overtuiging op papier gezet met een geladenheid, hartstocht en zelfs woede, waarin we hem ook echt als méns leren kennen.

Maar het is geen ménselijke overtuiging! Ze is hem (om nog eens die woorden te gebruiken) in het hart gebrand in de ontmoeting met de levende Christus. Sinds Hij Paulus verscheen beheerst Hij volstrekt diens leven en denken, en ook zijn verstaan van de Schrift (verg. 2:20). Het vuur dat brandt in deze brief - en dat de Geest door deze brief ook wil aansteken in ons - is het vuur van de totale overgave aan Hem, die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld: alleen in Hém is onze toekomst eeuwig zeker - en dat: naar de wil van onze God en Vader, aan wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid! Amen. (1:4, verg. 2:20 - slot).

Gespreksvragen

  1. Waarin is Paulus’ evangelie niet naar de mens (1:11) en het andere evangelie wel? Wanneer mogen (moeten) wij, ook in de relatie tot medechristenen spreken van zo’n ander evangelie, dat geen evangelie is? Gal. 1:6», verg. «2 Kor. 11:4». Kennen we in onze tijd voorbeelden?
  2. Gods genade wist de schuld van onze zonden uit. Niet de pijn ervan? Zie 1:13, verg. 1 Kor. 15:9, 1 Tim. 1:12-16.
  3. Is de omkeer die Paulus ten aanzien van Christus heeft doorgemaakt ook (zij het misschien niet op dezelfde manier) nodig voor ons? Hoe? Verg. Filipp. 3:7-11.
  4. Kunnen wij in ons spreken over en tot Israël Paulus’ radicale beoordeling van het jodendom rechtstreeks overnemen? Maakt het in dit opzicht verschil dat Paulus sprak als (ook een) jood, terwijl wij spreken als niet-joden - en dan ook nog na 20 eeuwen kerkgeschiedenis, met alles wat daarin aan joden is aangedaan?

drs. Wiendelt Steenbergen
Vrede over Israël jrg. 32 nr. 4 (aug. 1988)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel