omhoog

Schriftstudie Galaten 2:11-14


Verhalen over Petrus kennen we uit de Bijbel genoeg! Over Paulus dito. Maar zou het verhaal over de ontmoeting, zeg maar gerust: de botsing, tussen die twee uit Galaten 2:11-14 bij ons niet vrij onbekend zijn? Terwijl we hier toch te maken hebben met een uiterst belangrijk gedeelte van het Nieuwe Testament - al was het alleen omdat het ons leert dat het zoveel mogelijk omzeilen van conflicten in de kerk toch niet de laatste wijsheid kan zijn!


Vanwege de onbekendheid van het gedeelte en het belang van de inhoud blijft de bijbelstudie deze keer beperkt tot de genoemde vier verzen. (Opmerking: de door Paulus meestal gebruikte naam Kefas verg. bijv. 1 Kor. 15:5 - is de vergriekste vorm van een Aramees woord, dat rots betekent; de naam Petrus, bij Paulus alleen in Gal. 2:7-8 is de Griekse vertaling van dat woord).


Dwaalleraars hadden bij de Galaten Paulus’ evangelie van behoud-door-geloof-in-Christus-alleen aangevochten. Tegen hen heeft hij in 2:1-10 aangevoerd dat de Jeruzalemse apostelen hem die boodschap nooit hebben betwist - integendeel.

Sterker nog (zegt Paulus nu), ik heb mij omwille van die boodschap in Antiochië eens openlijk tegen Petrus verzet waarbij laatstgenoemde (kennelijk) heeft moeten erkennen dat Paulus het evangelie aan zijn kant had, en niet hij. Overigens vragen we ons wellicht af: ging het nu werkelijk om een punt dat een openlijk conflict waard was? Heeft Paulus de zaak niet wat te hoog opgenomen? Want - wat was er aan de hand?


Petrus had, bij een bezoek aan Paulus’ zendingswerk in Antiochië, duidelijk blijk gegeven van de overtuiging dat het onderhouden van de joodse wetten niet bepalend kan en mag zijn voor het delen in Gods heil en dus voor de gemeenschap met elkaar in zijn gemeente.

Hij at namelijk met de christenen uit de heidenen aan één tafel. Dat kon alleen doordat hij zélf zich niet aan de spijswetten hield en dus ook van de niet-joden niet de onderhouding daarvan vergde. Maar later ging hij er toch weer toe over zich aan deze wetten te houden en had daar zelfs het verbreken van de tafelgemeenschap met zijn medegelovigen uit de heidenen voor over. Dat deed hij trouwens niet zozeer uit eigen overtuiging maar uit vrees dat hij anders met een aantal intussen gearriveerde joods-christelijke broeders, die in dit opzicht strenger waren dan hij, in conflict zou raken. Om kerk-politieke redenen dus...


Wellicht wordt nu al duidelijk dat hier dingen aan de orde komen die nog steeds actueel zijn.

- In de verhouding tot Israël: Hoe te staan tegenover de uitgewerkte vormgeving van het leven zoals die in het orthodoxe Jodendom nog steeds in allerlei wetten en regels is vastgelegd? Kunnen of moeten Joden die in Christus gaan geloven zich daaraan blijven houden? Kunnen of moeten niet-joodse christenen daarin soms bij gelegenheid een eindweegs meegaan? Bij voorbeeld door bepaalde joodse feesten mee te vieren? Of door de sabbat in plaats van de zondag te vieren?

- Maar ook binnen de kerk: Daar komt ook nu de neiging voor, het christen-zijn te (ver)binden aan het in acht nemen van bepaalde regels en vormen of het voldoen aan bepaalde voorwaarden. Enkele voorbeelden (van heel verschillend kaliber!): het zich houden aan bepaalde liturgische vormen; het dragen van bepaalde kleding; het zich onthouden van bepaalde zaken; of (nog veel ingrijpender) het behoren tot een bepaald ras of het bezitten van een bepaalde huidskleur. Ook in de kerk laat men het soms, terwille van die regels of voorwaarden, aankomen op een breuk in de gemeenschapsbeleving. Waarbij men (ook nu) persoonlijk soms wel ruimer denkt, maar dat niet laat blijken uit vrees voor wat de eigen achterban er van zegt. Het gaat dus om een houding waarover we - om de lieve vrede - dan in de kerk verder maar zwijgen, veelal.


Paulus heeft echter niet gezwegen maar Petrus luid en duidelijk tegengesproken. Niet omdat hij in kwesties als deze nimmer van enige soepelheid zou willen weten. In Hand. 16:3, 21:17-26 zien we hem wél zich voegen naar joodse regels, en zo in brengen wat hij schrijft in 1 Kor. 9:19-20 (wil deze verzen, in hun verband, a.u.b. zelf even nalezen).

Kennelijk ligt voor Paulus de grens dáár waar het naleven van zulke regels gehanteerd wordt als voorwaarde voor het horen bij de Here en dus ook voor het sámen delen in zijn gemeenschap. Zodat zij die zulke regels niet volgen, aan zulke voorwaarden niet (kunnen) voldoen, van de geloofsgemeenschap worden uitgesloten of althans als tweederangs deelgenoten eraan worden behandeld. En dát was het wat Petrus in Antiochië deed! Daarom was zijn houding voor Paulus niet maar een ondergeschikte praktische kwestie. Hierbij was in het geding wat Paulus in zijn ontmoeting met Christus als wezenlijk voor het belijden van Israëls God had leren kennen. Namelijk: dat Hij mensen aanvaardt en rechtvaardigt alleen uit genade en niet óók om wat ze zelf hebben, zijn of doen. En dat dus ook iemands plaats in Gods gemeente nooit (mede) kan afhangen van wat je zelf hebt, bent of doet. Petrus’ houding is niet minder dan een nieuwe verloochening, van wat de Here Zelf hem (zie Hand. 10:1-11:18) geleerd had. Hij bewandelt daarmee niet de rechte weg naar de waarheid van het evangelie (14). Dat mocht en mag niet onweersproken blijven. Mág - want de christelijke gemeente blijkt telkens weer in de verzoeking te komen, Petrus op dit spoor te volgen.


Paulus ziet zich in de gemeenten van Galatië gesteld voor hetzelfde kwaad dat hij tegenover Petrus aan de kaak moest stellen. Vandaar dat hij na 2:11-14 bijna ongemerkt overgaat naar de situatie dáár. Ook in die gemeenten dreigde het gehoorzamen aan de geboden weer mede te gaan gelden als voorwaarde voor het delen in het heil van Israëls God. En ook daar (evenals in het Jodendom waarin Paulus zelf geleefd had) bleek die hantering van Gods gebod te leiden tot de consequenties die ook nu, in overeenkomstige situaties, nog zijn waar te nemen. Namelijk: dat die geboden, via menselijke bepalingen, steeds meer worden uitgebouwd tot een geheel van regels waaraan het leven gebonden wordt (verg. Gal. 4:9-10); en dat zij die er niet aan voldoen buitengesloten of althans als van mindere kwaliteit beschouwd worden. En dat zo aan Gods genade wordt tekort gedaan.


Het zal er in de gemeente Gods op aankomen steeds de vinger aan de pols te houden: Waar is de soepelheid van 1 Kor. 9:19-20 vereist, en waar de gestrengheid van Gal. 2:11-14. Waar moét het conflict om Christus’ wil vermeden worden - en waar màg het, ook om Christus’ wil, niet ontweken worden?

Gespreksvragen

  1. Zijn de voorschriften die in het Jodendom gelden uitsluitend te zien (en af te wijzen) als een wettische reglementering van het leven? Of zijn ze ook positief te duiden als een zinvolle stilering van het leven in Gods verbond? Zou er bij ons ook sprake kunnen zijn van een gebrek aan stijl en (in verband daarmee) aan vaste vormen? Waar ligt de grens tussen zinvolle vormen en regels en een wettisch hanteren van regels? (In het boek van W. Zuidema, Gods partner - ontmoeting met het Jodendom, zijn in hfdst. VIII en IX (Leven naar de Tora I en II) gedachten te vinden die in verband hiermee, zij het kritische, overweging verdienen).
  2. Zijn de in het bovenstaande genoemde voorbeelden van het moeten voldoen aan bepaalde regels of voorwaarden, in dit verband terecht genoemd? Zo neen, waarom niet? Zijn meer voorbeelden te noemen?
  3. Heeft het te maken met Gal. 2:11-14 dat christelijke kerken de theologische rechtvaardiging van de apartheid als ketterij hebben bestempeld? Stemt u met dit oordeel in?
  4. De laatste zin van de bijbelstudie is een vraag. Deze kan ook dienen als gespreksvraag!

drs. Wiendelt Steenbergen
Vrede over Israël jrg. 32 nr. 5 (okt. 1988)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel