omhoog

Iets over de roeping van de Kerk in haar relatie tot Israël


Op de avonden die ik nu twee keer een maand lang in Nederland heb mogen geven, werden heel wat vragen gesteld rond het doel en de methode van de Evangelie­verkondiging onder Israël.

Het blijft een onderwerp, waarover veel uit te leggen valt. Er is ook heel wat verwarring, al is het alleen maar met betrekking tot de naam, die je voor het werk gebruikt. Wij spreken van Evangelie­verkondiging onder Israël, een term die je verder niet zo tegenkomt. Anderen hebben het meestal óf als vanouds over zending - onder de Joden of onder Israël - óf ze proberen de inhoud van het werk aan te geven door middel van de woorden die vooral na de oorlog daarvoor bekend zijn geworden: gesprek, dialoog of ontmoeting. Die woorden, of enkele daarvan, duiken ook wel eens op in Vrede over Israël of in mijn uitleg op Israël-avonden, en de vraag is dan voor de hand liggend: zijn ze daar verdwaald of worden ze wel­bewust gebruikt? en: Wat wordt er bedoeld - vrijblijvend wat praten?


Vorig jaar werd het me één keer gevraagd op een korte en duidelijk manier, die misschien uitgangspunt kan vormen om hier nog eens nader op in te gaan. De vraag: Is dialoog middel of doel? Dat is inderdaad ongeveer het dilemma waar we steeds mee te maken hebben. Er zijn Christenen die zich dialoog als doel stellen in de zin dat ze de menselijke verhoudingen daardoor willen verbeteren, dat ze graag ook leren over andere godsdiensten (of vooral over het Jodendom) en dat ze daarom ook graag, of ook wel, vertellen, hoe en wat zij geloven. Die uitwisseling van informatie is dan het einddoel, en dat lijkt vaak in te houden, dat men het volstrekt niet meer belangrijk vindt, of anderen al dan niet in Christus geloven. Je drinkt samen koffie of iets anders, je praat wat en ieder gaat zijns weegs. Dan duiken ook direct de woorden op van tweewegen-leer of nog-veel-meer-wegen-leer.


Anderen gebruiken de dialoog als middel, waarbij het doel meestal omschreven kan worden als zending, Evangelie­verkondiging of bekering. Dat hoeft dan niet op de Middeleeuwse manier, toen Joden gedwongen werden tot godsdienst­gesprekken om hen daarin te bewijzen, dat ze ongelijk hadden met hun houding tegenover het Christendom en Christus. Het kan aanmerkelijk vriendelijker en opener, eenvoudig inhakend op de moderne belangstelling voor dialoog, op de behoefte aan informatie over allerlei dat met godsdienst samenhangt, en gebruik makend van de kansen, die zich dan vanzelf voordoen.

Zo kun je werken, maar het heeft één groot nadeel: wanneer je eerlijk zegt, dat je doel uiteindelijk toch zending is, of ook Evangelie­verkondiging, is de reactie bijna altijd negatief. Men voelt zich gebruikt, omdat een dialoog plaats vindt tussen gelijkwaardige partners - zoals het meestal wordt uitgedrukt - en omdat daar kennelijk geen sprake van was. Je zult dus niet alles kunnen vertellen over je bedoelingen, je moet werken met een geheime agenda.

Dat is echter, naar mijn idee, in alle omstandigheden onverenigbaar met de inhoud van de boodschap die gebracht moet worden. Principieel moet eerlijkheid voorop staan. Je moet kunnen zeggen waarvoor je komt, en wat de bedoeling is.

In Israël wordt je daar ook naar gevraagd. Het gebeurt je in gesprekken met medechristenen of met Joden; men wil weten wie je bent en hoe je denkt vóór men met je samenwerkt of je vraagt, dingen te doen; en soms moet je je op straat verantwoorden tegenover een buurman die nu toch eindelijk wel eens wil weten wat je doet: Je werkt met kerken - mooi, maar toch geen zending, hè? Dat kan niet in een Joodse staat.

Dat is min of meer het dilemma: moet je, om in Israël te werken, je uiteindelijke bedoeling en opdracht opgeven, of moet je dan toch maar een béétje onoprecht zijn omwille van de goede zaak?

Of is het misschien beter, gewoon over zending te spreken en de gevolgen dan maar te aanvaarden?


Ook wanneer we de eerste twee mogelijkheden uitsluiten, zou ik zeker nog niet voor de derde willen pleiten. Met wat moeite en wat voorzichtigheid zou er best een en ander aan zending te doen zijn in Israël. Het in echter zeker niet alleen omwille van de mogelijkheden en onmogelijkheden die de situatie in dat land met zich meebrengt, dat er al zo lang gezocht wordt naar goede woorden om de roeping van de kerk ten aanzien van Israël te beschrijven. Dat zoeken is gegeven met de aard van de zaak.


Zending is een prachtig woord. Ik vind het zelf eigenlijk mooier dan Evangelie­verkondiging omdat het uitdrukt dat het, ook bij Israël, gaat om een gezonden-zijn. Het is geen eigen initiatief van wat voor aard dan ook, geen interesse, aardigheid of tijdverdrijf. Gezonden-zijn is de basis van álle relaties die de kerk met niet-christenen onderhoudt; of dat nu gebeurt in de zending onder de heidenen, in diaconaat, in evangelisatie of met betrekking tot Israël.

Helaas is het woord echter voor Israël-werk volstrekt onbruikbaar. Over het misbruik ervan in de geschiedenis, over alles wat onder de dekmantel van zending gebeurd is, kunt u in verschillende oudere nummers van Vrede over Israël lezen. Mede daarom zocht de synode al in 1953 naar een goed alternatief. En dan zijn er de woorden als dialoog en gesprek, vooral de laatste tientallen jaren in gebruik gekomen. Dikwijls hebben wij een bepaalde voorzichtigheid tegenover dit soort termen omdat ze, zoals al genoemd, de indruk kunnen wekken van een zekere vrijblijvendheid: zomaar wat praten met rabbijnen.


Toch is daar veel meer over te zeggen. Het best is dat uit te leggen aan de hand van het woord ontmoeting, dat volgens sommigen (en ook volgens mij) veel geschikter is dan bijvoorbeeld gesprek om iets uit te drukken van de relatie tussen kerk en Israël.

Weliswaar kan ontmoeting ook gebruikt worden voor het simpelweg tegen­komen van iemand, maar meestal betekent het meer. We komen allemaal veel mensen tegen, maar dat wil nog niet zeggen, dat we hen ook ontmoeten, De meesten zie je niet eens, sommigen wil je misschien liever niet zien, anderen groet je vluchtig, maar de keren dat je, bijvoorbeeld over straat lopend, iemand ontmoet zijn de uitzonderingen. Als dat gebeurt, wil het meestal zeggen, dat er iets bij­zonders is, dat die iemand iets voor je betekent en dat jij ook voor die iemand iets betekent. De vergelijking gaat natuurlijk mank (al is het maar omdat voor christenen, voor de Kerk, álle mensen die ze tegenkomen ontmoetingen zouden moeten betekenen), maar je kunt toch wel zeggen, dat je als kerk vele mensen, volken, godsdiensten en culturen tegenkomt, maar dat Israël daartussen iets bijzonders is, waarvoor het woord ontmoeting gereserveerd zou kunnen worden. Dat aparte zit hem dan onder meer daarin, dat niet alleen de Kerk voor Israël, maar ook Israël voor de Kerk iets te betekenen heeft. Dat de Kerk van belang is voor anderen, daar gaan we eigenlijk in alle contacten vanuit. Niet vanwege die Kerk zelf, maar vanwege het Woord, dat ze gehoord heeft, het Woord over de God van Israël, de Vader van Jezus Christus, het Woord waar ze van leeft en waarvan ook al die anderen leven mogen.


Dat echter die anderen voor de Kerk betekenis hebben, wezenlijk betekenis voor het kerk-zijn, die uitgaat boven het hier of daar iets oppikken voor het dagelijks leven, dat is uitzonderlijk. Wèl is het natuurlijk zo, dat het voor het kerk-zijn nódig is, naar buiten toe te werken; dat het voor kerk en gemeente vormend, en in principe zelfs onmisbaar is, dat er gedaan wordt aan zending, aan evangelisatie en aan hulpverlening. Maar ik denk dat we er terecht meer en meer oog voor krijgen, dat de kerk ook niet goed Kerk kan zijn zonder een levende relatie, een werkelijke ontmoeting, met Israël. Israël is niet in te delen bij zending of hulpverlening; Israël is extra, anders: vanwege het verbond en de beloften.

Dat ligt niet - het is goed, dat ook hier weer te herhalen - aan Israël of aan haar morele, psychische of sociale kwaliteiten, maar alweer aan het Woord dat ze gehoord heeft, dat haar zelfs is toevertrouwd. Daaraan is geen einde gekomen. Israël heeft nog steeds een bijzondere plaats in het werken van de Here God; het verbond en de beloften zijn onberouwelijk. En wanneer God mensen wil gebruiken, mensen een betekenis wil geven, dan moeten we daar als kerken ook aandacht aan geven. Net zoals we mogen hopen, dat Israël aandacht zal geven aan de plaats en de betekenis van de Kerk, en aan het Woord, dat háár is toevertrouwd.


Het is zo hopelijk duidelijk, dat het in ieder geval niet gaat om een vrijblijvende ontmoeting, maar om één, waarin zowel de kerk als Israël volkomen zichzelf kunnen zijn, volledig tot hun recht kunnen komen in relatie tot de ander. Het betekent volstrekt niet, dat de Kerk minder Kerk of minder christelijk zou moeten zijn, of dat ze het Evangelie niet zou moeten leven en spreken. Wanneer ze dat deed, zou ze de ontmoeting zinloos en waardeloos maken. Het is echter óók nodig, dat ze Israël Israël laat zijn, en eerlijk luistert, kijkt, ruikt, proeft en voelt wat dat dan is, dat Israël.


Vaak wordt hetzelfde bedoeld, wanneer men het heeft over gesprek en dialoog. Het verschilt van de ene spreker of schrijver tot de andere (de één wil spreken over het Oude Testament en van daaruit getuigen, een ander stelt sociale kwesties voorop), en zoals zo vaak: we zouden niet moeten afgaan op het gebruik van één of twee woorden, maar de moeite moeten nemen, echt te verstaan, wat iemand wil overbrengen. Wel vind ik het een nadeel van de woorden gesprek en dialoog, dat ze zo uitsluitend zien op praten en redeneren. Waar God werkt en waar Zijn wil gedaan wordt, komen we met ons verstand en onze mond niet toe, maar hebben we alles nodig wat ons gegeven is om van de waarheid (ets te vatten.


Zo kán het gebruik van het woord ontmoeting ook meer inhoud hebben dan dat van Evangelie­verkondiging. Het verkondigen lijkt alleen te gaan over de spreek-kant van de relatie met Israël. Die moet worden aangevuld met zoveel meer: er is het doen van het Evangelie, en er is het letten op en horen naar Israël. Dat zijn allemaal stukjes van de opdracht, de zending, de roeping van de Kerk ten aanzien van Israël, zoals die op grond van het Bijbelse spreken over Israël, verbond en belofte vorm zou moeten krijgen. Vaak denkt men, dat ontmoeting een minder is tegenover verkondiging dat je je eigen geloof en overtuiging zou moeten afzwakken of niet naar voren zou mogen brengen. Het gaat echter om een meer: want Israël heeft óók een plaats in het handelen van God, ook een betekenis voor de Kerk. Daarom heeft roeping van de kerk ten aanzien van Israël een unieke tweezijdigheid.


Wij mogen het Evangelie kennen, maar het is niet ons bezit; we kunnen er nooit mee omgaan alsof we het allemaal zelf bedacht hebben. We blijven de Bijbel lezen, blijven afhankelijk van het Levende Woord, de aanspraak van de Here God. Daarmee is het verkondigen van het Evangelie een moeilijk en verantwoordelijk werk, een opdracht in vrees en beven. Ook de Kerk, ook wij als Christenen moeten steeds wéér zien en leren, wie Jezus Christus is, wát het Evangelie is en betekent. Het geldt altijd, dat we ons niet mogen verheffen ten aanzien van de anderen, maar open moeten blijven in ons verstaan.

Bescheidenheid past heel bijzonder in de ontmoeting met Israël. Omdat we juist hier zo vaak en zo duidelijk hebben getoond dat we, al verkondigend, het Evangelie zelf niet begrepen. Ook omdat het voortbestaan van het joodse volk niet een toevalligheid is, maar een teken van de trouw van God aan Zijn Woord. Het opmerken en bestuderen van dit teken mag de Kerk helpen, Kerk te zijn en te getuigen van datzelfde Woord.


Israël kan de Kerk helpen... Kunnen we dan dingen leren van Israël? Jawel, maar het is niet zomaar even te zeggen, wát dan wel. Wanneer we dat konden, zouden we kunnen stoppen met leren en Israël verder niet meer nodig hebben.

Zo ver komen we nooit, waar God iets aan het onderwijzen is. Je blijft ermee bezig. Zo ontmoeten we Israël vanuit het geloof, dat het nog altijd volk-van-God is, en dat we als kerken niet los mogen staan van dat heel bijzondere werken van God met mensen. Dát is de reden.

Over wat dat dan exact betekent, over wat we tot nu toe voorzichtig kunnen zeggen over nut voor de Kerk van een relatie met Israël, is wel meer te zeggen, maar daarvoor is het hier nu de plaats niet. Ik beperk me deze keer liever tot het principe.


Is ontmoeting middel of doel? Wanneer we spreken over ontmoeting in de volle zin van het woord, waarbij Israël en de Kerk elkaar in de ogen kunnen zien en hun doen en laten, spreken en luisteren laten bepalen door het Woord van God, hoeft er in alle eerlijkheid niet gezocht te worden naar méér. Dan gáán er dingen gebeuren. Niet, dat wij zo geweldig goed kunnen dialogiseren of ontmoeten. Er mag op vertrouwd worden, zoals dat bij alle werken en spreken met en vanuit het Evangelie gedaan mag worden. Bij zo’n ontmoeting zullen christenen hun eigen geloof en verwachtingen hebben met betrekking tot de resultaten. Joden hebben dat ook. Maar de werkelijke uitkomst ligt in de hand van God, die Zijn Woord laat vol­brengen, wat Hij wil.

Ons moet het erom gaan, te zoeken naar de beste manier, daaraan dienstbaar te zijn, onze roeping te verstaan - ten aanzien van de wereld, de kerk - en Israël.

drs. Rien van der Vegt
Vrede over Israël jrg. 32 nr. 5 (okt. 1988)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel