omhoog

Schriftstudie Galaten 2:15-21


We vallen in 2:15 midden in een stukje herinnering. Het gaat over een gesprek, jaren geleden al, tussen Paulus en Petrus, in Antiochië. (Zie 2:11-14; daarover V.o.l. okt. ’88). Bij de woorden Wij, geboren Joden... zie je Paulus a.h.w. Petrus aankijken!

Maar tegelijk maakt hij nu de overgang naar de situatie bij de Galaten van dit moment. Gedachten die Petrus maar zo moeilijk kon afleren schoten ook daar nu wortel. Ze luidden ongeveer zó: De heidenen (beter: de volken, de niet-Joden), zij missen dát, waardoor Israël, hèt volk, zich van hen onderscheidde: kennis van Gods wet. Zij gaan dus niet op de wegen van God, maar op die van de zonde. Zij zijn kortweg zondaars. En om bij Israëls God te kunnen horen zullen ze eerst zijn wet moeten leren!

Daartegenover stelt Paulus nu een krasse bewering (v. 16). Wij, geboren Joden, hebben inmiddels toch iets geleerd! Hoe prachtig Petrus zelf dat eens onder woorden heeft gebracht, is te lezen in het verslag van het apostelconvent, Hand. 15:7-11. Wij mogen het de heidenen niet opleggen om via wetsvervulling tot God te naderen. Die last was ook ons te zwaar! Er is voor hen én ons maar één weg: geloof in Christus. Alleen zó kunnen zij én wij Gods goedkeurend vonnis over ons leven (= rechtvaardiging) verkrijgen. Niet door naleving van de geboden!

Paulus moet beseft hebben hoe zulke woorden zijn mede-Joden verontrustten. Niet rechtvaardig door naleving van de wet - wordt hier heel Tenach (het Oude Testament) niet ondermijnd? Daarom slaat ook hij het Oude Testament er bij op. Het slot van v. 16 is een duidelijk toespeling op Ps. 143:2. Daar staat: Ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die leeft is voor U rechtvaardig. Dat vers is - in het geheel van de Psalmen - zeer opvallend. In Ps. 143:1 doet de dichter in zijn benauwdheid een beroep op Gods hulp. Hij pleit daarbij op Gods gerechtigheid, d.i. zijn handelen naar zijn gegeven Woord. Zo’n pleidooi vinden we meer in de Psalmen, en het wordt dan vaak gevolgd door een betuiging van eigen onschuld. Zie bijv. Ps. 26:1vv. De dichter heeft Gods gebod nageleefd; hij is zo een rechtvaardige; dáárom mag hij onbevreesd een beroep doen op Gods gerechtigheid. Dit in tegenstelling tot de goddelozen, die zijn gericht moeten vrezen (Ps. 1:4-6; 7:9, 10). Wat zien we nu in Ps. 143? Hier valt elke geruststellende onderscheiding tussen enerzijds rechtvaardigen (waar je zelf bij hoort) en anderzijds goddelozen wég. Dit is het gebed van iemand die ontdekt heeft dat voor God niemand als rechtvaardige kan staan. Zij, die wij goddelozen noemen niet. Maar ook wij, die de wet trachten na te leven niet. Daarom het gebed: Ga met mij niet in het gericht.

Hoe heeft Paulus dit gebed leren meebidden! Hij neemt het dan ook én hier én in Rom. 3:20 over; met een uitbreiding (uit werken der wet) - die echter de oorspronkelijke bedoeling van het Psalmwoord niet weerspreekt maar onderstreept. Paulus heeft geleerd van naleving van de wet geen heil meer te verwachten. Stérker nog zegt hij het verderop, in v. 19. (Op v. 17 komen we nog terug, v. 18 blijft in deze studie buiten beschouwing). Ik ben ten opzichte van de wet gestorven (v. 19): Het is tussen mij en haar volstrekt uit. Ik besta niet meer voor de wet! En dat nog wel: door de wet!

Ook nu heeft Paulus geweten hoe aanstotelijk deze woorden zijn voor zijn joodse broeders. Maar hij kan er niet onder uit, het zo te zeggen. Waarom niet - dat legt hij uit in het geladen vers 20. Daar staat de naam van Christus met nadruk voorop: Met Christus... Christus’ liefde en overgave voor mij (intens-persoonlijk!) sluiten met even veel nadruk het vers af. Daar tussen ingeklemd staat het ik van Paulus en van de gelovige: gevangen geraakt in Christus’ liefde. Pas in de ontmoeting met Hem en zijn kruis leer je Psalm 143 in volle diepte na-bidden. Want dan ontdek je de zonde van de hoogmoed, juist in jouw streven om - met hulp van de wet - van jezelf iets moois te maken: een goede verbondspartner, een geestelijk mens.

Je ontdekt bij Christus ook, dat je geen reden hebt om neer te zien op de armzaligen en zondaars die, met hun lege handen, niets anders hebben om op te hopen dan: genade. Je ziet nu immers dat je zelf ook zo’n armzalige zondaar bent. Die alleen kan bestaan, omdat God niet met je in het gericht wil gaan, maar je in Christus liefheeft. Daarom is Christus en zijn liefde Paulus’ enige argument.

Met Christus gekruisigd (v. 20): die woorden slaan niet op een innerlijke kruiservaring. Ze zien op het kruisgebeuren op Golgotha waar de gelovige in betrokken is. Toen Christus daar stierf (en dat door (de rechtseis van) de wet), deed Hij dat voor al de zijnen, in hun plaats. Door zó voor hen het gericht van God te dragen, nam Hij in zijn sterven hen a.h.w. mee. Dus zijn zij allen gestorven (2 Kor. 5:15). En zoals de rechtseis van de wet toen op Christus geen vat meer had, zo nu ook niet meer op wie door het geloof van Hem zijn. Zo wordt v. 19 verklaard door v. 20!

Maar waar blijft nu het leven-voor-God waar het toch in de wet om gaat? Hoeft dat niet meer? Dat is de verontruste vraag van v. 17 (verg. Rom. 6:1.15). Rest er nu niet anders dan verder leven als een (weliswaar gerechtvaardigde) zondaar? En is Christus dus Iemand die helpt om de zonde in stand te houden? Nee! Want do keerzijde van het voor de wet gestorven is: om voor God te leven (v. 19). Omdat de keerzijde van Christus’ kruis is: zijn opstanding! Dáárom kan Paulus in v. 20 zeggen: en toch leef ik. Maar (voegt hij or direct aan toe) niet ik. Daarmee zweert hij zijn oude ik af, ook voor zover het zich uit in het zich willen waar maken door wat je zelf bent en doet voor God, door de wet dus. Hij verwacht alles alleen van Christus. Zijn leven is gefundeerd in Christus. Hij, de Opgestane, gaat nu door zijn Geest het verhaal van zijn leven verder schrijven in het bestaan van de zijnen. Dat dat leven van Christus in mij geen mystieke versmelting betekent waar bij de gelovige geheel opgaat in Christus en geen eigen bestaan meer heeft, blijkt uit het vervolg.

Christus in mij is: leven door het geloof dat zich richt op wat Christus eenmaal volbracht. Het is ook leven in het vlees, d.w.z. dit aardse bestaan met al zijn gebrek en geschondenheid. Dáárin houdt Christus mij door zijn Geest verbonden aan zijn liefde, zijn offer. Die gaan dan ook - dat kan niet anders - mijn leven jegens God en de naaste tékenen: Zie maar Gal. 5:13-26 en 6:1-10.

Omwille van Christus is het nu voor Paulus of-of. Wie nog heil zou verwachten van wat ik zelf moet, de wet, ontkomt er niet aan Christus opzij te schuiven. Want bij Hem is elke mogelijkheid dat ik toch ook (wil het goed zijn) nog iets moet doen of zijn uitgesloten. Dat ik dat nog iets zou moeten is immers meegegaan in Christus’ dood? Elke eis die in dat opzicht toch nog aan dat ik gesteld wordt, mag nu aan dodemansoren gezegd zijn. Niet op reageren!

Houd het bij Christus!

En wees dan niet bang dat aan de wet naar haar eigenlijke bedoeling tekort wordt gedaan. Het leven voor God dat de wet bedoelt komt juist zó tot volle bloei.

Gespreksvragen:

  1. Niemand is rechtvaardig, er is alleen heil doordat goddelozen gerechtvaardigd worden (verg. Luc. 5:32): heeft nu de tegenstelling rechtvaardigen-goddelozen (zie de Psalmen) haar betekenis verloren? Zo nee, hoe blijft ze dan van kracht? Verg. Rom. 6:17-19; Tit. 2:12; 1 Petrus 3:12 (een Psalmcitaat!).
  2. Hoe kunnen ook wij nog proberen geloof in Christus te combineren met zelf iets zijn of doen (de wet)?
  3. Snijdt Paulus volgens u in dit gedeelte de band met Israël door?

drs. Wiendelt Steenbergen
Vrede over Israël jrg. 32 nr. 6 (dec. 1988)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel