pijl omhoog

“Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten...”

Het rest-motief in het Oude Testament

De vraag

Te midden van de miljoenen Joden is er slechts een zeer gering deel, dat Jezus als Messias aanvaardt. Van Gods oude verbondsvolk lijkt er slechts een kleine rest te zijn overgebleven, die het door God toegezegde heil ten deel valt. Met dat probleem worstelde Paulus, en met dat probleem worstelen wij vandaag nog. Terwijl we vast en zeker mogen weten, dat Gods Woord niet krachteloos is geworden, konstateren we dat het overgrote deel van het volk Israël Jezus Christus niet als Here en Heiland belijdt, terwijl de beloften en het verbond toch allereerst voor hen bestemd waren (Rom. 9:1-6, 11:1).

Slechts een rest dus. En tóch: een rest, ‘een overblijfsel naarde verkiezing der genade’, schrijft Paulus (Rom. 11:5) en hij verwijst daarbij dan naar de tijd van Elia: toen was het niet anders (Rom. 11:4,1 Kon. 19:18).

De vraag waarop dit artikel wil ingaan is: hoe ligt dat dan in het O.T.? Is de tekst waar Paulus op kan teruggrijpen een geïsoleerde tekst, waarin hij iets kon herkennen van de problemen, waar hij zelf mee worstelde? Of is de werkelijkheid, dat het volk van God inderdaad de gestalte van een ‘rest’ kon hebben, een vaker voorkomend verschijnsel in het O.T.?

Om op deze vraag een antwoord te geven, worden de teksten waarin sprake is van een overblijfsel van het volk van God op een rij gezet. Dan zal blijken, dat de gedachte die Paulus weergeeft in Rom. 11 geen nieuwe ‘vondst’ is, maar een wezenlijk element van de verkondiging van het O.T. met betrekking tot het volk van God genoemd kan worden.

Noach

De eerste keer dat er in de Bijbel sprake is van een ‘overblijfsel’, is in de geschiedenis van Noach.

De achtergrond hiervan ligt in de verschrikkelijke werkelijkheid zoals die beschreven staat in Gen. 6:5. Na de schepping is de mens van God afgevallen. En de gevolgen van de afval van God zijn zó ingrijpend en zo alomvattend, dat de HERE moet zien en konstateren ‘dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was.’ Op dat moment staat er dat de HERE er zelfs berouw van heeft, dat Hij de mens gemaakt heeft. Zijn verdriet is zo groot, dat Hij besluit de mensen van de aardbodem uit te roeien (Gen. 6:7). Echter, Hij zal één gezin sparen: Noach en de zijnen. En van deze Noach wordt dan voor het eerst het werkwoord ‘overblijven’ gebruikt: ‘Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was’ (Gen. 6:23).


Waarom? Het antwoord ligt al opgesloten in het onbegrijpelijke woord van Gen. 6:6: het berouwde de HERE dat Hij de mens gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. Er had ook kunnen staan: God maakte er - in toorn - een eind aan. Dan was de Bijbel - bij wijze van spreken - daar opgehouden. Dat gebeurt niet. God gunt ons een blik in zijn hart. Hij had de mens immers niet zo maar gemaakt. Die mens was er om God te kennen, te loven en voor Hem te leven (vgl. Gen. 1:26v., en het beeld van God in Ef. 4:24). Omdat daar nu niets van over was, was God gekrenkt tot in zijn hart. Dat is het ontstellende gevolg van de zondeval.

En tegelijk ligt precies daar de opening naar de toekomst. Want het is Gods hart, dat trouw blijft aan zijn oorspronkelijke doel. Hij had gezegd, al direkt na de val, dat er toch een toekomst zou kunnen zijn: eenmaal zou de kop van de slang vernietigd worden. Aan zijn gegeven woord en aan zijn bedoeling blijft Hij trouw. En daarin ligt het diepste geheim, dat er één kon zijn, die genade vond in de ogen des HEREN (Gen. 6:8). Sléchts een rest bleef over; het onderstreept het alomvattende van Gods oordeel over de alomvattende afval. En tóch: een rest bleef over; dat onderstreept het geheim van Gods genadige trouw.


Dat Noach overbleef wordt dus niet gefundeerd in zijn gehoorzaamheid. Ook hij hoort bij de ‘mens’ van vers 5. Toch wordt in Gen. 6:9 en 22 wel de nadruk gelegd op Noachs onberispelijke wandel en op zijn gehoorzaamheid. Zonder de gehoorzaamheid aan het woord van God was hij niet overgebleven, maar eveneens omgekomen in het water van de zondvloed. En om gehoorzaam te zijn - en dus: de ark te bouwen - was allereerst geloof nodig, dat het waar was, wat God zei dat Hij zou gaan doen.


Van meet af wordt het behoren tot de rest gefundeerd in Gods genadig overlaten. En tegelijk blijkt van meet af de geloofsgehoorzaamheid een beslissende faktor te zijn in het behoren tot de rest.


Een laatste element dat opvalt in dit eerste voorkomen van een ‘overblijfsel’, is dat God in dit overblijfsel tóch opnieuw het totaal van de mensheid op het oog heeft. Men kan zelfs zeggen, dat in Noach, de rest, in feite de gehele mensheid reeds aanwezig is. Als God met alle levende wezens een verbond sluit, kan Hij Noach als representant van al wat leeft aanspreken (Gen. 9:8,15). Van meet af is ook de gedachte van de representatie en incorporatie van het geheel met de ‘rest’ verbonden.

Jozef

De tweede keer dat er sprake is van een ‘overblijfsel’ waarin Gods volk is vertegenwoordigd, is in de geschiedenis van Jozef.


Eigenlijk komt de hierin tot uiting gebrachte gedachte al veel vaker voor in het boek Genesis. Het zou zelfs een leidend motief te noemen zijn, dat de verwerkelijking van Gods belofte voortdurend bedreigd wordt door ongehoorzaamheid en afval van mensen, maar dat God telkens opnieuw zelf zorgt voor een rest die overblijft, en waarin Hij zijn belofte toch wil waarmaken.

Denk alleen al aan de roeping van Abram, die als achtergrond heeft de algehele ongehoorzaamheid en opstand van de mensheid tegen God, in de torenbouw van Babel. Abram vond genade in Gods ogen - ofschoon hij evenals zijn gehele familie andere goden diende (Joz. 24:2).

De verkiezing van Israël als Gods volk is van meet af gegrond in de eenzijdige en genadige liefde van God (Dtn. 7:7).

Tegelijk vraagt die afzondering van Abram en zijn nageslacht wel om geloofsgehoorzaamheid (vgl. voor Abram Gen. 12:1, 15:6, en voor zijn nageslacht Gen. 18:19, Dtn. 7:6: het is alleen langs de weg van geloofsgehoorzaamheid dat God zijn bedoeling zal gaan vervullen).

En ook het derde bovengenoemde aspekt ligt van meet af in de verkiezing van Abram opgesloten: in en door zijn nageslacht heeft God opnieuw al de volkeren op het oog (Gen. 12:3). Men zou Israël zelf het ‘overblijfsel van de volkeren’ kunnen noemen. De term ‘overblijfsel’ wordt daarvoor echter niet gebruikt.


Die komt wel voor in Gen. 45, het hoofdstuk waarin Jozef zich in Egypte bekend maakt aan zijn broers. Daar geeft Jozef de wonderlijke leiding van de geschiedenis door God aan met de woorden: ‘doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing’ (vers 7, S.V.).

Het voortbestaan van het volk van God wordt in Kanaan bedreigd door hongersnood, Zonder Gods ingrijpen was de verwerkelijking van Gods belofte verhinderd. Doch daartoe heeft God Jozef naar Egypte gezonden, om een overblijfsel van zijn volk in het leven te behouden.

Allereerst is daarbij gedacht aan lichamelijk overleven. Wie de achtergrond van de familietwisten uit de geschiedenis van Jakobs kinderen kent, hoort echter ook nog meer. Als het aan hen gelegen had, was er van Gods volk niets meer overgebleven dan een verscheurd geslacht. Doch wat de broers daarbij ten kwade bedacht hadden, heeft God opgenomen in zijn plan om uiteindelijk hun eigen voortbestaan te verzekeren (vgl. Gen. 45:4-8, 50:20).


Ditmaal heeft het feit dat er slechts een rest kon overblijven niet een direkte achtergrond in de opstand tegen God, maar in de bedreigende omstandigheden, waarin Gods volk komt te leven, en die het door eigen kracht niet kan overwinnen. Dat er toch een rest overblijft wordt niet zozeer teruggevoerd op Gods genade, ofschoon die op de achtergrond wel steeds doorklinkt, maar meer op Gods voorzienende leiding. Wel blijkt opnieuw dat in dit overblijfsel het bestaan van het gehele volk wordt beoogd en wordt verzekerd. Daarin blijkt opnieuw Gods trouw aan zijn belofte.

Elia

Een derde cruciaal moment in de geschiedenis van Gods volk waarin sprake is van een ‘overblijfsel’ is te vinden in de geschiedenis van Elia.

Hier heeft het feit, dat er van een rest gesproken moet worden, opnieuw de donkere achtergrond van de afval van de HERE, ditmaal van de totaliteit van het volk Israël in de tijd van de koningen. Ondanks het optreden van de profeet, ondanks de indrukwekkende gebeurtenis op de berg Karmel, waarbij de HERE had laten zien dat Hij waarlijk de levende God is, en niet Baäl, moet Elia in het volgende hoofdstuk opnieuw konstateren: ‘ik ben alleen overgebleven’ (1 Kon. 18:22 en 19:14). De Israëlieten hebben - in hun totaliteit als volk - Gods verbond verlaten, de altaren van de HERE omvergehaald en zijn profeten gedood (1 Kon. 19:10). Elia heeft de moed verloren. Dan ontmoet hij de HERE.

En dan klinkt het bekende woord: ‘doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft’ (1 Kon. 19:18). Zeven is het getal van de volheid. Duizend is ten opzichte van het toaal van het volk ‘slechts’ een overblijfsel, maar toch een aantal, dat Elia zomaar niet kan overzien. Dit overblijfsel is een volheid, die alleen de HERE zelf kan overzien.

En, wat hier ook sterke nadruk krijgt: een volheid die de HERE alleen in stand houdt. Het N.B.G. vertaalt terecht toekomstig: ‘Ik zal...’; hierin ligt meer dan een konstatering, waar Elia genoegen mee moet nemen. Hierin ligt een belofte, waarin God zelf zijn eigen Ik legt als waarborg. In deze rest ligt de toekomst van Gods volk opgesloten. Er is alleen een toekomst voor Gods volk, als de HERE zelf een volheid van zijn volk overlaat, dwars tegen de algemene verlating en afval van Hem in.

Tegelijk wordt hier iets duidelijk van de manier waarop de HERE die rest in stand houdt. Doordat er mensen zullen blijven, die de knie voor Baäl niet buigen. Mensen worden in hun verantwoordelijkheid niet terzijde geschoven; integendeel, de tegenwoordige tijd: ‘niet buigen’ duidt een volharding in de trouw aan de HERE aan.


Vergeleken met de vorige teksten legt de nadruk op het ‘overblijfsel’ opnieuw het accent op de totaliteit van de afval van Israël.

Het legt vervolgens de nadruk op de genadige trouw van God, die hier uitdrukkelijk genoemd wordt als Degene die zelf de rest schept. Hij doet dit echter niet met uitsluiting van het menselijke antwoord, maar juist langs de weg van de persoonlijke geloofsgehoorzaamheid en trouw aan Hem.

Tenslotte kan opnieuw gezegd worden dat in dit overblijfsel het gehele toekomstige volk wordt samengevat. Dit toekomstgerichte komt voor het eerst ook daarin uit, dat God het apart noemt: Ik zal overlaten.

Als Paulus in Rom. 11 terugkijkt, kan hij zeggen: God hééft overgelaten. Het is waarheid gebleken, wat God aan zijn profeet Elia beloofde.

Amos

Het toekomstgerichte in de belofte van de rest die zal overblijven, komt bijzonder sterk naar voren in de verkondiging van de profeten.

Als eerste is Amos te noemen, die profeteerde in Noord-Israël, ongeveer een eeuw na Elia. Israël verkeert dan in voorspoed. Uiterlijk wordt de dienst aan de HERE wel onderhouden. Maar ondertussen gaat de leiding van het volk voorbij aan de meest wezenlijke eisen van Gods recht: de voorspoed komt slechts een deel van het volk ten goede, over de rug van de zwakkeren. En daarbij: er mist een hartelijke verbondenheid met de HERE. Er heerst een gearriveerde gerustheid. Recht daartegenover moet de profeet Amos het oordeel van de HERE uitroepen over het volk, dat zich niet bekeren wil.


In de eerste plaats heeft het noemen van een ‘rest’ in Amos’ profetie tot doel de totaliteit van het oordeel van God te onderstrepen. ‘Zoals een herder uit de muil van een leeuw twee schenkels redt of een lapje van een oor, zo zullen de Israëlieten gered worden...’ (Am. 3:12). De reden waarom een herder zo’n stukje van een schaap of lam moest redden was om te kunnen aantonen, dat het dier werkelijk door een leeuw was aangevallen en verslonden.

Misschien heeft deze profetie van Amos wel als achtergrond de gedachte van het volk, dat de HERE toch zeker wel een rest zou overlaten, waar zij dan vanzelfsprekend bij zouden behoren. Besef goed, wat die rest inhoudt, moet Amos dan zeggen. Deze dient alleen als bewijs van de totale vernietiging. Ja, denk maar niet dat het ‘de overgeblevenen’ makkelijk af zal gaan. Zelfs wie overblijven uit een eerste strafuitoefening zal de HERE met zijn oordeel treffen, Am. 4:2, 9:1.

Wat uiteindelijk overblijft zal een zeer gering getal zijn: ‘de stad die met duizend uittrekt, zal er honderd overhouden, en die met honderd uittrekt, zal er tien overhouden voor het huis Israëls’ (Am. 5:3). De prediking van de rest is erop gericht om het gevoel van gearriveerdheid, die de ‘rest-belofte’ mogelijk kon meebrengen, bij de grond af te breken.


Tegelijk blijft ook in de profetie van Amos het doel van Gods handelen niet de totale vernietiging van zijn volk Israël. Ook al wéét Amos dat slechts een zeer gering deel gehoor zal geven aan zijn oproep, hij moet de weg wijzen, die tóch open blijft: ‘zoekt de HERE en leeft..., zoekt het goede en niet het kwade... misschien zal de HERE, de God der heerscharen, Jozefs rest genadig zijn.’ (Am. 5:5,14,15).

In dit ‘misschien’ ligt slechts een smalle opening. Later mag Amos verkondigen dat het niet bij een misschien zal blijven. Zijn profetie eindigt met een uitzicht op een rest van Israël, door God geschud als in een zeef, maar toch: behouden (9:9). Niet omdat Israël in zichzelf meer waard is dan de buurvolkeren, maar omdat de HERE eenvoudig geen ‘steentje’ (of: graankorrel) ter aarde zal laten vallen (9:7,9). In de rest blijft God het oog houden op ieder lid van zijn volk afzonderlijk, en op zijn belofte, aan zijn volk en aan Davids huis gegeven (9:11). Wie in onverschilligheid voortleefde, zal verdelgd worden (9:10), maar God zal er zelf voor zorgen, dat er steentjes (of: graankorrels) blijven die Hem blijkbaar wel hebben gezocht.

Enerzijds is het zoeken van de HERE en zijn recht beslissend. Anderzijds blijkt hier opnieuw het enige fundament onder de rest Gods genadige handelen te zijn: wat bij mensen slechts een ‘misschien’ kan zijn. zal God zelf tot een werkelijkheid maken.


In dit laatste gedeelte klinkt ook al iets door van een breder werk van de HERE, dan alleen in zijn volk Israël. Immers, de buurvolken van Israël zijn ook door Hem geleid (9:7) en er zal zelfs een rest overblijven ‘van Edom en van alle volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord des HEREN’ (9:12). Naast de versmalling van de rest in de profetie van Amos ligt hierin ook een uitzicht op een verbreding daarvan.


In dezelfde tijd profeteerde ook Hosea in Noord-Israël. Hoewel bij hem de term ‘overblijfsel’ niet naar voren komt, is er zakelijk een grote overeenkomst met de profetie van Amos. Met name in Hos. 11:7 e.v. zien we hoe de ongehoorzaamheid van Israël God ter harte gaat, en hoe Hij zich inhoudt om het niet totaal te verdelgen. Het is zijn erbarming - in trouw aan zijn belofte - dat Hij zijn brandende toom niet ten uitvoer brengt. En uiteindelijk zal Hij er zelf voor zorgen dat Hij daar, waar Hij moest zeggen: zo kunnen jullie niet langer mijn volk zijn, zal kunnen zeggen: ‘Gij zijt mijn volk’ Dan zal het antwoord weer klinken: ‘Mijn God!’ (Hos. 1:10, 2:22).

Jesaja

Eveneens in deze tijd predikte Jesaja in Jeruzalem. Het boek van deze profeet is wel getypeerd als de profetie van de rest. De gehele profetie is ervan doortrokken, dat Gods oordeel zo totaal zal zijn, dat er slechts een rest zal overblijven. Tegelijk blijkt telkens opnieuw: tóch een overblijfsel, door God zelf in stand gehouden.


Dit blijkt al bij de roeping van Jesaja. Jesaja krijgt de HERE te zien, zoals Hij zit op zijn troon. Diep is hij onder de indruk van Gods heiligheid. Jesaja zelf krimpt ineen omdat hij weet dat hij onrein is. Een engel raakt zijn lippen aan met een kool van het altaar. Zo worden zijn lippen gereinigd om te kunnen spreken. En eigenlijk moet zijn woord dan precies dezelfde reinigende werking hebben op het onreine volk.

Van tevoren krijgt de profeet te horen, dat het volk niet zal willen gehoorzamen. Daarom zal het oordeel van God over zijn volk totaal moeten zijn. Jes. 6:13 gaat daarin nog verder dan Amos: zelfs dan als er een tiende deel overblijft, zal dit opnieuw verwoest worden. Alleen een stompje blijft over, als een tronk na het vellen van een boom. En tóch: die tronk zal een heilig zaad zijn. In dat minieme overblijfsel legt God de hoop op een nieuw leven.


Deze hoofdlijn loopt door het hele boek Jesaja heen. In Jes. 1:9 zou de konklusie van de voorgaande profetie moeten zijn: niemand zal gespaard worden, want er is geen plek in het volk, of het is doodziek van afval. Wat het volk verdiend heeft is net als Sodom en Gomorra ondersteboven gekeerd te worden. En tóch: zo wil God het met zijn volk niet laten eindigen. De HERE der heerscharen heeft nog ‘enige weinige ontkomenen overgelaten’.

Die weinigen zijn degenen die overbleven nadat de HERE zijn wraak heeft uitgeoefend en al het onreine uit zijn volk heeft uitgezuiverd (1:21 -25). Daarmee zal de HERE zelf zijn volk weer brengen bij de oorspronkelijke bedoeling die Hij had met zijn volk (1:26). God zelf zal ervoor zorgen dat ‘wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem, heilig zal heten,’ zoals God dat inderdaad in de beginne bedoeld had (4:3, vgl. Ex. 19:6). Dat ligt dan dus niet in de kwaliteit van het volk, maar in het werk van God zelf, die het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen (4:5).

Uiteindelijk ligt die rest vast bij God: het zijn zij, die ‘opgeschreven zijn ten leven’ (4:3). Daarmee wordt het diepste geheim en de vaste grond van het overblijfsel der genade aangegeven. Het is ‘de ijver van de HERE der heerscharen’ die ervoor zal zorgen, dat er van Jeruzalem opnieuw een overblijfsel zal uitgaan (37:32).


Dat neemt echter niet weg, dat Jesaja de volle nadruk moet leggen op de verantwoordelijkheid van het volk en zijn koning. Heel duidelijk wordt dit in Jes. 7, een hoofdstuk dat gedragen wordt door de oproep tot bekering, tot geloof en vertrouwen in de HERE.

Die oproep wordt in levende lijve zichtbaar gemaakt door de aanwezigheid van de zoon van Jesaja, met de betekenisvolle naam ‘Sear-Jasub’, dat is: ‘een rest bekeert zich’. De boodschap van Jesaja wordt voor de koning tot wie hij moet spreken als het ware belichaamd in die jongen die daarbij moet gaan staan: weet voorzeker, dat er een rest zal zijn, die zich inderdaad bekeert.

Echter, het is de vraag of de koning ook bij die rest hoort. Hij zal zelf moeten antwoorden op de beslissende oproep uit 7:9: ‘indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd.’ Enerzijds wordt opnieuw duidelijk: de HERE zelf houdt een rest in stand, in Hem ligt de enige grond en basis onder die rest. Anderzijds is het zeker van belang, hoe de overgeblevenen zelf zullen reageren, hun antwoord kan zelfs beslissend genoemd worden.


Op een wonderlijke manier zal blijken: God zelf zal maken, dat er zullen overblijven, die niet langer zullen steunen op een menselijke macht, maar in waarheid zullen vertrouwen op de HERE, de Heilige Israëls (10:19). ‘Te dien dage zal de HERE der heerscharen tot een sierlijke kroon en een prachtige diadeem zijn voor de rest van zijn volk...’ (28:5); ook al is het maar een overblijfsel ‘als een seinpaal op een bergtop en als een banier op een heuvel’, zij verwijzen naar de HERE, die hun sterkte is: zij hebben hun kracht gevonden in ‘bekering en rust, ... stilheid en vertrouwen’ (30:15,17). Op al deze plaatsen blijkt: het is niet door hun geestelijke houding, dat zij zichzelf in stand hebben weten te houden. Het is andersom: Gods in-stand-houden van de rest bracht hen tot deze geestelijke houding.


In dit verband is ook te wijzen op een verbinding die er ligt tussen de rest en het ene Kind, het ene Rijsje, dat uit de tronk van Isaï zal voortkomen (11:1). Onmiskenbaar is het verband dat er ligt tussen de tekst uit 11:1, waarin we een heenwijzing naar de Messias mogen horen en de belofte uit 6:13: door die Ene die komen zal, wordt de heilige rest verwerkelijkt.

Bedekt en indirekt was die aanwijzing ook aanwezig in hfdst. 7, als de rest die zich bekeert zichtbaar wordt rond het kind, dat de naam Immanuël draagt.

Het meest direkte verband ligt in de tekst, waarin de geestelijke houding van de rest het scherpst wordt aangegeven: ‘een rest zal zich bekeren, de rest van Jacob, tot de sterke God’ (10:20). In die naam, ‘sterke God’, ligt een terugverwijzing naar de naam van het Kind, dat geboren zal worden, en wiens heerschappij geen einde zal hebben (9:5). Hoewel nog niet volkomen duidelijk, liggen hierin al voorafschaduwingen van de Christus, de ware ‘Immanuël’, die de rest tot zich verzamelen zal.


Tenslotte wordt bij Jesaja opnieuw zichtbaar, dat Gods handelen niet beperkt blijft tot zijn volk Israël. Allereerst omdat alle volken in Gods dienst worden genomen, om de rest van zijn volk te verzamelen en terug te leiden uit de ballingschap (11:11,16). Maar ook omdat in de profetieën over de volkeren blijkt hoe ver Gods bemoeienis gaat met die volkeren zelf. Ook zij zullen aan Gods oordeel niet ontkomen, zelfs tot aan hun laatste overblijfsel toe, zal God hen vinden (14:22,31, 15:9). Tegelijk straalt ook in Gods handelen met de volkeren een zelfde soort lichtpunt als in Gods handelen met zijn eigen volk: ‘een nalezing blijft ervan over’ (17:6 van Damascus, vgl. 16:14 van Moab, 21:17 van Arabië en 24:6,13 van de gehele aarde).

Micha

In dezelfde periode is ook de profetie van Micha te dateren. Bij hem ligt het accent vooral op de uitredding van de rest, die ondanks het oordeel toch overgelaten zal worden. Hij mag verkondigen: ‘voorzeker zal Ik u, o Jacob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël’ (2:12).

In dit overblijfsel heeft de HERE dus het geheel op het oog, anders gezegd: in dit overblijfsel is het geheel vertegenwoordigd, zo blijkt uit de parallellie. Een zelfde soort parallellie is te vinden in 4:7: ‘En Ik zal het kreupele stellen tot een overblijfsel en het verdrevene tot een machtig volk’. Ofschoon er weinig van de macht van het restje te zien is, ligt in die rest toch kracht door de bedoeling die God er mee heeft, nl. het tot een machtig volk te maken.

Ook voor Micha is er maar één reden dat er sprake kan zijn van een rest. Deze ligt niet in de kwaliteit van die rest, maar in Gods genade; in 7 ; 18 heel duidelijk aangewezen als vergevende genade: ‘wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat...’


Wat bij Jesaja vrij indirekt naar voren kwam, wordt bij Micha nog iets scherper zichtbaar: er ligt een heel nauwe verbinding tussen de geboorte van de ene Heerser die zal voortkomen uit Betlehem Efratha en het teruggebracht worden van ‘het overblijfsel zijner broederen’ (5:2). Dit overblijfsel zal een bijzondere plaats krijgen te midden van de volkeren, het zal zijn als dauw van de Here, dus tot zegen, en als een jonge leeuw, die verscheurt: dus tot oordeel (5:6,7). Opnieuw een bedekte aanwijzing van wat later meer onbedekt zichtbaar zal worden.

Zefanja

Zefanja profeteerde in de tijd van koning Josia, een kleine eeuw na de drie vorige profeten. Hij moet de dag des HEREN aankondigen. Waarschijnlijk had het volk goede hoop op die dag, omdat men dacht dat dan de heerschappij van God zichtbaar zou worden en zij als volk van God wel zeker in de heerlijkheid van die dag zouden mogen delen. Recht daartegenover moet Zefanja het volk wijzen op hun afgodendienst en op het feit dat geen menselijke hulp of zekerheid hen zal kunnen redden op die dag. Hij moet de inwoners van het land oproepen tot ootmoed en tot het zoeken van gerechtigheid (2:3).


De term ‘rest’ wordt allereerst gebruikt in het kader van Gods oordeelsaankondiging: zelfs iedere rest van vertrouwen op de Baäl zal worden uitgeroeid (1:4).

Tegelijk klinkt bij Zefanja ook de belofte, dat God toch een rest zal overlaten: ‘een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de naam des HEREN’ (3:12). Dat schuilen is dan niet een zaak van de binnenkamer alleen, want, zegt het volgende vers: ‘het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen, noch leugen spreken...’

God zelf zorgt voor een rest te midden van zijn volk, waarin Hij zijn oorspronkelijke bedoeling met zijn volk waar zal gaan maken, doordat ze zullen leven naar zijn geboden. Zo zullen zij ‘weiden en nederliggen, zonder dat iemand hen verschrikt’ (3:13). Die oorspronkelijke bedoeling wordt ook daarin zichtbaar, dat die rest opnieuw zal wonen in het land Kanaan. Zij zullen de andere volken die daar gekomen zijn verdrijven en hun land weer ‘erfelijk bezitten’ (2:7,9).

Joël

Het boekje van deze profeet is niet met zekerheid te dateren.

De belofte in 2:32, ‘dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden’, en dat er op deze manier ‘op de berg Sion ontkoming zal zijn’, verankert enerzijds de rest in Gods verkiezing van Sion/Jeruzalem, maar laat (net als Amos en Zefanja) tegelijk een bredere uitwerking ervan zien: ieder die de naam des HEREN aanroept mag bij de ‘ontkomenen’, dat is het overblijfsel, behoren.

En uiteindelijk ligt dit ook in deze profetie vast in het roepend handelen van de HERE: ‘tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE roepen zal’.

Ten tijde van de ballingschap

In de periode vlak voor en tijdens de ballingschap van Juda en Jeruzalem wordt de aankondiging van het oordeel door de profeten aangescherpt. Toch wordt op het moment dat de straf van de ballingschap voltrokken is opnieuw duidelijk wat er ten diepste in het hart van de HERE leeft: dat zijn oordeel het laatste niet zal blijven, maar zal brengen tot bekering. Dat wordt zichtbaar in de rest, die steeds duidelijker verbonden gaat worden met het werk van de ene Zoon uit het geslacht van David.


In het boek van de profeet Jeremia wordt de term ‘rest’ meestal gebruikt om het schamele hoopje mensen aan te duiden, dat overbleef na de verwoesting van de stad Jeruzalem door Nebukadnezar (vgl. 8:3, 21:7, 24:8, 29:1, 34:7, 38:4,22, 39:9,10, 40:6, 41:10, 42:15,19, 44:14, 52:15). Ten dele is hierin een vervulling te zien van wat ook door de eerste profeten was aangekondigd.


Ook de profeet Ezechiël gebruikt de term ‘rest’ om de totaliteit van het gericht van God aan te geven: zelfs het overblijfsel van Israël zal niet gespaard worden (6:12, 9:8, 11:13, 17:21).


Ofschoon het in de profetie van deze tijd volstrekt duidelijk wordt, dat er geen enkel aanknopingspunt kan zijn aan de kant van het volk, op grond waarvan de HERE aan een deel van het volk toch zijn heil kan gaan schenken, is er toch sprake van een rest, die wél verzameld zal worden uit de ballingschap, en die wél gebracht zal worden tot een nieuw leven met God.

In Jer. 31:7 wordt die verlossing van het overblijfsel van Israël dan ook gefundeerd in de eeuwige liefde van de HERE voor zijn verbondsvolk (Jer. 31:3).

In Jer. 23:3 wordt Gods verzamelen van de rest van zijn schapen in nauw verband gebracht met de komst van de rechtvaardige Spruit uit het geslacht van David, die als een goede Herder zijn schapen zal regeren.

Zelfs in de profetie van Ezechiël is sprake van een rest, die ontkomen zal, en die in handel en wandel zal beantwoorden aan wat God van zijn volk vraagt (Ez. 14:22).

In Ezechiël 34 wordt de term ‘overblijfsel’ niet gebruikt, maar de zaak waar het in Jer. 23 om ging is daar precies gelijk aanwezig. Nadat de HERE zelf het gericht geoefend heeft over zijn schapen, en het ene schaap van het andere gescheiden heeft, zal Hij over zijn volk één herder aanstellen, zijn knecht genoemd naar David (Ez. 34:20 e.v.).

Verder gebruikt de profeet Ezechiël blijkbaar liever de term ‘het (gehele) huis Israëls’ om de nieuwe eenheid van Gods volk aan te duiden (b.v. 36:22 e.v., 37:11).


Ook het deel van het boek Jesaja dat op de periode van de ballingschap te betrekken is (Jes. 40 e.v.), dient hier aan de orde te komen. Hierin verkondigt de profeet het volk dat in ballingschap worstelt met de vraag: ‘waar is de HERE?’, dat God hen niet vergeten is. Integendeel, hij mag ‘het huis van Jacob en geheel het overblijfsel van het huis Israël’ voorhouden, dat God hen heeft gedragen en nog steeds draagt (Jes. 46:3).

Net als voorheen in Micha 2:12 moet de parallellie opvallen: in het overblijfsel wordt het gehele huis van Jacob vertegenwoordigd. De reden van Gods blijvende bemoeienis en toewending ligt alleer in de vergeving (40:1 e.v.) en eenzijdige toewending van Gods kant. Terwijl Sion denkt alleen overgebleven te zijn, als een vrouw zonder kinderen, zal blijken: God zal zijn hand opheffen en de volkeren zullen Sions zonen en dochters terugbrengen (Jes. 49:21,22).

In dit gedeelte van het boek Jesaja wordt ook de opening naar de volkeren toe duidelijker: ook zij die uit de volkeren ontkomen zijn worden opgeroepen zich door de HERE te laten verlossen (45:20,22). Tenslotte krijgen de ontkomenen (lees: de overgeblevenen, de rest) zelfs de taak om Gods heerlijkheid te verkondigen, onder de volkeren waar de tijding aangaande Hem nog niet is gehoord (66:19).


Ofschoon de term ‘rest’ hier niet in verband wordt gebracht met het werk van de Knecht des HEREN, is dat verband er zakelijk wel, als er staat, dat Hij het geknakte riet niet zal verbreken; dat Hij de gevangenen uit de kerker zal leiden; dat Hij Israël weer tot de HERE zal vergaderen; en dat Hij Gods heil ook zal doen reiken tot het einde der aarde (Jes. 42:3,7, 49:5-7). Uiteindelijk blijkt de HERE zijn overblijfsel te redden door het werk van zijn Knecht.

Na de ballingschap

Zoals dat te verwachten is wordt de term ‘overblijfsel’ na de periode van de ballingschap zeer dikwijls gebruikt als aanduiding van degenen die de ballingschap hebben overleefd (zo b.v. Ezra 1:4, Neh. 1:2,3, Hagg. 1:12, 2:3).

Toch is dat geen reden voor een gearriveerde houding van die rest. Alleen al, omdat de ‘overgeblevenen’ beseffen, dat er geen enkele reden is om hun redding aan zichzelf te danken. Integendeel, Ezra belijdt: ‘o HERE, God van Israël, Gij zijt rechtvaardig, daarin, dat wij als een schare ontkomenen zijn overgebleven, gelijk heden het geval is. Zie, wij staan voor uw aangezicht in onze schuld. Waarlijk, niemand kan deswege voor uw aangezicht standhouden’ (Ezr. 9:15).


In deze periode blijkt echter ook dat dé rest, zoals daarvan geprofeteerd was voor de ballingschap, nog niet geheel zichtbaar is geworden. Opnieuw wordt er een profeet geroepen om het oordeel van God uit te roepen over de afgoderij, de valse profetie en het verlaten van de HERE. Het is de profeet Zacharia die in deze tijd opnieuw moet aankondigen, dat het grootste deel van het land getroffen zal worden door het vuur, als teken van Gods gericht. Slechts een derde deel zal overblijven (Zach. 13:8). Opnieuw wordt de ‘rest’ gebruikt om de totaliteit van Gods oordeel aan te geven (vgl. Zach.11:9).


In deze periode wordt duidelijk dat dé rest nog komen moet. En ook die belofte mag Zacharia dan bevestigen. Hoewel de mensen het misschien niet meer verwachten, zou dit voor God te wonderlijk zijn? vraagt Zach. 8:6. Het moment komt, dat Jeruzalem weer bevolkt zal zijn met het ‘overblijfsel van dit volk’ (Zach. 8:6,11 en 12). Dat zal dan zijn, als de HERE tot Sion wederkeert en de werkelijkheid van het verbond in trouw en gerechtigheid vervuld zal worden (vers. 3,8). De basis van het overblijven van de rest is en blijft de toewending van de HERE, zijn wonen bij zijn volk. De vervulling kan alleen dan werkelijkheid worden, als die rest in trouw en gerechtigheid beantwoordt aan de bedoeling van God. De kleuren waarmee Zach. 8 die vervulling tekent wijzen enerzijds op een reële toekomst, voorstelbaar in Jeruzalem, en tegelijk wijzen ze naar een grotere toekomst. Ook de natuur deelt in de zegen van het overblijfsel.


De verwijzing naar een grotere toekomst komt het sterkste uit in Zach. 14. Daar ziet Zacharia een dag komen voor de HERE, waarin te Jeruzalem een strijd geleverd zal worden, waarbij een rest van het volk (de helft) in de stad niet uitgeroeid zal worden (14; 2). In het vervolg blijkt: deze dag is geen gewone dag. Het duidt een periode aan, bij de HERE bekend (vers 6,7). In die periode zal er ook een scheiding binnen de volkeren plaatsvinden. Daarbinnen zal er een rest worden gevormd, om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen (vers 16). Ook uit de volkeren zullen er ‘overblijven voor onze God’ (vgl. Zach. 9:7).

Terugblik

De vraag was: is het terecht, dat Paulus in Rom. 11 teruggrijpt naar het O.T. om aan te geven, dat ook toen al het volk van God in eigenlijke zin beperkt was tot een overblijfsel? Het antwoord kan bevestigend zijn: Paulus haalt met zijn ene voorbeeld een hoofdlijn uit de O.T.-ische verkondiging aangaande Gods volk naar voren.


Puntsgewijs zijn hierin vier konstanten en drie ontwikkelingen aan te geven:

  1. Dat Gods volk in het O.T. de verschijningsvorm van een ‘overblijfsel’ aan kan nemen, ligt niet aan het beperkte van Gods belofte. Vanaf het begin heeft het spreken over de rest de donkere achtergrond van de afval van de HERE. Daar ligt de oorzaak van de versmalling van de bedding van het heil tot het volk Israël. En zelfs binnen dat volk blijkt hetzelfde verschijnsel zich als een repeterende breuk te herhalen: de enige reden dat er slechts sprake is van een rest van Gods volk is, dat dit volk zich in zijn totaliteit van de HERE en zijn dienst heeft afgewend. Verschillende malen wordt daarbij duidelijk, dat er eigenlijk zelfs van een rest geen sprake meer zou kunnen zijn, indien God met zijn volk zou handelen naar wat het verdiend heeft.
  2. Dat er tóch een overblijfsel is, waarmee God verder gaat, ligt dan ook alleen aan Gods eenzijdige in-stand-houden van een rest. En dat handelen van God heeft uiteindelijk als diepste grond: het geheim van Gods liefdevolle hart, zijn trouw aan zijn belofte, waarmee Hij in zijn genade een middel schenkt tot vergeving van de schuld.
  3. Dit neemt niet weg dat erook een voortdurend accent ligt op de gehoorzaamheid, het geloof en het appèl tot bekering, als de enige manier waarop het behoren tot de rest gestalte kan krijgen. Nergens wordt dit genoemd als grond om bij de rest te behoren, maar telkens blijkt het wel een onmisbaar element te zijn, ja zelfs een beslissend element. Het blijkt dat God zelf het overblijfsel doet beantwoorden aan de bedoeling die Hij van de beginne had met zijn volk.
  4. In die zin kan over het overblijfsel ook gesproken worden als belichaming van het gehele volk van God. In de rest verwerkelijkt God zijn bedoeling voor het geheel. En, hierbij nauw aansluitend: door de rest blijkt God ook dat geheel op het oog houden.


Naast deze konstanten in het spreken van de Schrift over de rest zijn er ook ontwikkelingen te noemen.

  1. Allereerst een ontwikkeling wat betreft de omvang van het volk van God. Welk volk wordt in de rest gerepresenteerd? Allereerst is dat het totaal van de mensheid. Daar lag Gods scheppingsbedoeling. Die ligt daar nog als God opnieuw een begin maakt met de rest van Noach en de zijnen. Die blijft daar uiteindelijk ook liggen, als God een speciaal nieuw begin maakt met Abram en zijn nageslacht. Vanaf het begin is het doel van diens verkiezing dat door zijn nageslacht alle geslachten van de aardbodem gezegend zullen worden.
    Toch blijkt de speciale weg met het volk Israël nodig te zijn in Gods heilsplan, met opnieuw als enige reden: de afval en opstand van de totale mensheid. Vanaf dat moment gaat het in de rest steeds om het totaal van het volk van Gods verkiezing en verbond, het nageslacht van Abraham. Toch wordt gaandeweg de geschiedenis van dat volk ook weer een verbreding zichtbaar. Israël wordt steeds sterker herinnerd aan de oorspronkelijke bedoeling van de HERE ook voor de heidenen.
  2. Een parallelle ontwikkeling is, dat het ook steeds duidelijker wordt, dat God de rest zal verwerkelijken in nauw verband met het werk van Eén nakomeling uit het geslacht van David, die op een bijzondere manier koning zal zijn naar Gods hart. Hij zal als rechtvaardige Spruit waar maken, wat mensen voor Hem niet konden.
  3. Een laatste ontwikkeling ligt in de verbreding van de contouren van het heil, waarin de rest zal mogen leven. De blik wordt niet slechts gericht op een aards voorstelbare werkelijkheid. Zij sluit daar wel bij aan, maar gaat tegelijkertijd ons aardse voorstellingsvermogen te boven.
  4. Tenslotte kan worden opgemerkt dat zowel de konstanten als de ontwikkelingen vanuit het O.T. doorverwijzen naar het N.T.; daar zal echter in een ander artikel aandacht aan gegeven worden.

Konklusie

God werkt de geschiedenis door via een rest. In die rest wordt Gods bedoeling die Hij met heel zijn volk had en houdt verwerkelijkt. Die rest blijft er, ondanks menselijke schuld, alleen door Gods genadige trouw aan zijn belofte. Dit handelen van God heft de menselijke verantwoordelijkheid niet op, maar werkt langs de weg van het appèl tot geloof en bekering.

Dit betekent dat het ons niet tot twijfel aan de trouw van God hoeft te brengen, als we zien dat een groot deel van Gods verbondsvolk Israël zich van de verwerkelijking van Gods beloften afwendt: het is tegen de achtergrond van het O.T. helaas geen nieuw verschijnsel. Het betekent tegelijk dat wij nooit uit het oog mogen verliezen, wat God in de rest op het oog houdt: dat langs de weg van geloof en het vertrouwen op Hem nog velen aan de nu zichtbare rest zullen worden toegevoegd.

drs. Michael Mulder
Vrede over Israël jrg. 35 nr. 4 (okt. 1991)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel