pijl omhoog

Toekomstverwachting voor Israël

Verschillende verwachting

“Zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?” - Deze vraag van de discipelen heeft nog altijd niets aan aktualiteit ingeboet. Twintig eeuwen later wordt hij nog steeds gesteld, zowel door joden als door christenen.

Isaäc da Costa, de bekende Jezus-belijdende jood uit de vorige eeuw, wees erop1 dat de Heiland zijn discipelen niet terechtwees inzake de werkelijkheid van een aards messiaans koninkrijk, maar alleen inzake de tijden of gelegenheden, die God aan Zichzelf gehouden heeft en niet door mensen te berekenen zijn.

Hiertegenover staat de visie van Calvijn; “In deze vraag van de discipelen zijn evenveel dwalingen als woorden”2. Ze dwaalden volgens de reformator o.a. hierin dat zij het koninkrijk van Christus beperken tot het vleselijke Israël, daar het toch tot aan de uitersten der aarde moest worden verbreid.

Da Costa ziet daar evenwel geen tegenstelling in. “Is de wederoprichting van het koninkrijk aan Israël onbestaanbaar met het koninkrijk Gods dat in Christus begonnen, voortgezet en voltooid wordt en de gehele wereld omvat? Kan Christus niet tegelijk de Koning van het koninkrijk Gods én de Koning der joden zijn? Wij zouden niet weten waarom dat niet bestaanbaar zij.”3


Zoals uit het bovenstaande blijkt bestaan er onder christenen van orthodoxe opvatting verschillende meningen over de positie van Israël in de eindtijd. (Met de term “eindtijd” bedoelen we, hoewel we volgens Hand. 2:17 al sinds het Pinksterfeest in het laatste der dagen leven, nu speciaal de periode die vlak vooraf gaat aan de wederkomst van Christus).

Boeken en bladen over dit onderwerp vinden gretig aftrek, vooral die welke min of meer schematisch een verband leggen tussen wat er tegenwoordig in het Midden-Oosten gebeurt en wat er in het Oude en Nieuwe Testament geschreven staat. Een populair auteur als Hal Lindsey kan zonder verdere verantwoording schrijven: “Het is verbazingwekkend te zien hoe deze profetieën in onze tijd worden vervuld. Sommige toekomstige gebeurtenissen die honderden jaren geleden werden voorzegd laten zich lezen als een hedendaagse krant.”4


Maar is het inderdaad zo eenvoudig? Of moeten we ons eerst afvragen of wij wel goed lezen?

In dit artikel willen we een poging doen om in een omvangrijk gebied vol vragen enkele lijnen te trekken. Dat kan uiteraard niet volledig gebeuren. Veel meer dan een verkenning kan het niet zijn.

Inzake onze verwachting voor Israël hebben we vooral eerbiedig te luisteren naar wat er geschreven staat.

Daarbij staat het op voorhand niet vast dat iemand, die een massale bekering van het joodse volk verwacht en een duizendjarig rijk op aarde, “Bijbelgetrouwer” dan de christen die op grond van dezelfde Schrift tot andere conclusies komt. Zie Calvijn en Da Costa!

Oudtestamentische toekomstverwachting

Laten we beginnen met een kort overzicht van wat de profeten in het O.T. over de eindtijd hebben gezegd5.

In het algemeen onderscheidt men tussen messiaanse verwachtingen en meer algemene heilsverwachtingen, maar deze verwach­tingen lopen soms in elkaar over.


Van messiaanse verwachtingen getuigen Jes. 9:5; 11; 16:5 en 53; Jer. 23; 33:14vv; Ezech. 34:23vv; 37:22vv; Micha 5; Amos 9:11 en Zach. 9:9. Zij zinspelen direkt of indirekt op een persoon uit het huis van David.

Het woord “messias” (gezalfde) komt trouwens in het O.T. nergens voor i.v.m. deze verlosserfiguur. Wél t.a.v. profeten, priesters en koningen, zelfs Cyrus, de koning van de Perzen! (Jes. 45:1). Maar al kent het O.T. het woord “messias” nog niet, van de verwachting van de figuur van de komende messias is ook de prediking der profeten vol.


Onder de meer algemene heilsprofetieën zijn er die stoffelijk-concrete voorstellingen bieden naast andere, die zich richten op het geestelijke heil.

Buitengewone welvaart, vruchtbaarheid en vrede worden genoemd in Hos. 2:20; Amos 9:13; Joël 3:18; Micha 4:4; Jes. 11:6-10 en Ezech. 34:25-26.

Ook de andere volken zullen Israëls God leren kennen (Jes. 2:2v; 11:10; Micha 4) en met Israël delen in Zijn heil (Jes. 25:6-9; Zach. 8:20 en 14:16).

Van het geestelijk heil voor Israël wordt gesproken in Jer. 31:13-17; Ezech. 36:26; Hos. 3:5. Het volk zal zich bekeren en met het hart de HEERE dienen. God zal in Israël wonen (Ezech. 37:27; 48:35 en Zach. 2). De Geest van God zal worden uitgestort over alle vlees (Joël 2:28-29).


Het jongste profetische boek, Daniël, verkondigt dat “aan het einde der tijden koningschap en heerschappij gegeven wordt aan iemand als eens mensen zoon” (Dan. 7:13v).

In een iets latere periode van het jodendom - in de tijd van de apocalyptiek - wordt onder de Zoon des mensen de Messias verstaan, zowel in de apocriefe boeken Henoch en IV Ezra als in het N.T.


Het onderscheid tussen de profetische en de apocalyptische literatuur is bijv. dat de apo-calypticus in een geheimtaal en een symboliek spreekt, die alleen voor ingewijden te begrijpen is; voorts dat de toekomstige wereld volstrekt nieuw is t.o.v. de huidige wereld en dat de komst ervan een volslagen breuk zal zijn met de ontwikkelingsgang in de geschiedenis, die veroorzaakt zal worden door hemels ingrijpen6.

Toch zijn deze apocalyptische elementen ook al bij de profeten aan te wijzen: Jes. 24-27 (het wereldgericht en de komst van Gods rijk), Joël 3 en 4 (de dag des HEEREN), Ezech. 38 en 39 (strijd en ondergang van Gog en Magog), Zach. 9-14 (Jeruzalem bestormd door de heidenvolkeren, waarmee de heilstijd aanbreekt). Daniël 7-12 heeft ook alle kenmerken van apocalyptiek: de strijd van de wereldmachten wordt beschreven, er zijn allegorische voorstellingen, er is getallensymboliek (bijv. de zeventig jaarweken), er is de uiteindelijke vernietiging van de wereldmachten en het aanbreken van het rijk Gods, waarbij de doden zullen opstaan ten eeuwig leven of tot eeuwig afgrijzen. Dergelijke elementen vinden we ook in het N.T.

Joodse toekomstverwachting

De hiervoor genoemde apocalyptische literatuur, die dateert uit de tijd na de klassieke profeten, heeft in de joodse traditie geen plaats gekregen. Er bestond al direkt grote terughoudendheid. De meeste leraars waren van mening dat leven met de tora (de vijf boeken van Mozes) en onder het appèl van de profeten beter is dan leven bij de door de apocalyptici geopenbaarde geheimen7.


Zij kwamen vooral tot deze houding door de teleurstellende ervaringen met pseudo-messiassen als Theudas, en Judas de Galileeër (Hand. 5:36-37). Tragisch was ook de figuur van Bar Kochba, die de laatste joodse opstand tegen de Romeinen leidde. Hij was door de bekende rabbi Akiba in het jaar 132 tot “koning messias” uitgeroepen, maar moest het na drie jaar tegen een overmacht afleggen, waarbij de Romeinen de joden in het land zware verliezen toebrachten.8

De rabbijnen waarschuwden nu tegen het “verhaasten van het einde” met een beroep op Hooglied 8:4: “Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt voordat het haar behaagt”. Deze tekst werd door latere generaties van geleerden dikwijls gelezen als een waarschuwing tegen overspannen messiaanse verwachtingen en daarop gebaseerde voortijdige akties.9

De talmoed waarschuwt tegen het berekenen van het laatste der dagen. Het is onmogelijk de toekomst te doorgronden. Omdat men zich vooral met de getallensymboliek van het boek Daniël bezig hield werd herhaaldelijk op Dan. 12:9 gewezen: “Ga heen, Daniël, want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde”. Ook Daniël wist dus niet wanneer de verlossing zou plaatsvinden. Ja, rabbi Chalafta stelde kortweg dat alle eindtijdberekenaars geen deel hebben aan de komende wereld!10


R. Boon, die de plaats van de messias in talmoed en midrasj onderzocht, komt tot de conclusie dat de gestalte van de messias niet zozeer in het middelpunt staat als wel de verlossing zelf.11 De persoon van de messias is minder belangrijk dan de verlossing die hij inluidt. Hij is ook geen goddelijk of bovennatuurlijk wezen.

Men heeft zelfs twee messiassen onderscheiden. Eerst komt de zoon van Jozef of Efraïm, de priesterlijke gezalfde, die in de strijd tegen Gog en Magog zal lijden en sterven. Daarna zal de zoon van David verschijnen, de zegevierende vredevorst.

Sommige leraars denken aan een messiaanse tijd van 400 jaar vol overvloed en welzijn. Hierna zal pas de messias (ben Jozef) sterven, hetgeen het einde van deze wereldgeschiedenis zal betekenen. Daarop volgt de opstanding der doden en het laatste gericht.

Volgens andere leraars moet de komst van de messias worden gerekend tot de voorlaatste dingen. Deze behoren nog tot deze wereldgeschiedenis, terwijl de komende eeuw volstrekt anders zal zijn.12 Latere leraars als Jehuda Hallevi (11e eeuw) en Maimonides (12e eeuw) verwachtten zelfs dat het christendom en de islam zich nog eens zullen bekeren tot het jodendom ten tijde van de messias!13

Het zgn. Achttiengebed (Sjemonee esree) is het centrale gebed in de synagogale eredienst, waarin ook gebeden wordt om de verlossing van Israël. Dit gebed spreekt achtereenvolgens van

  1. de bevrijding en inzameling der ballingen in het beloofde land,
  2. het herstel van de geestelijke leiders en van het koningschap van God,
  3. het herstel van Jeruzalem,
  4. het herstel van het huis van David en
  5. het herstel van de offerdienst in de tempel.


De traditionele joodse verwachting aangaande het herstel van Israël gelooft dat dit zal gebeuren naar de in dit eeuwenoude gebed genoemde volgorde.14

Na de oprichting van de staat Israël is aan dit gebed nog een bede toegevoegd om het welzijn van deze staat: “Onze Vader in de hemel, zegen de Medienat Jisraeel, de staat Israël, het ontluikend begin van onze verlossing”.

De bewoordingen zijn voorzichtig gekozen, omdat er verschillende visies op de staat zijn. De chassidische stroming ziet deze als een menselijk produkt, als opstand tegen God, omdat de messias het rijk zelf zal vestigen. Maar de belangrijkste stroming zegt dat de staat niet de verlossing zelf is, maar alleen een teken ervan, een beginstadium in het proces van de verlossing.15


Overzien we al het genoemde, dan zijn de voornaamste dingen wel dat men in het jodendom

  1. overspannen verwachtingen aangaande de tijd van de verlossing en allerlei berekeningen dienaangaande afwijst,
  2. diverse voorstellingen over de komst van de messias c.q. alle voorfasen van de uiteindelijke verlossing naast elkaar duldt,
  3. de persoon van de messias minder belangrijk vindt dan de verlossing die hij brengt,
  4. de uitroeping van de staat Israël als een historische wending beschouwt na 2000 jaar omzwerving, hoe men deze staat verder ook wil zien.

Verwachting voor Israël in de Kerk

a. Op grond van Rom. 9-11 is er, ondanks teleurstellende ervaringen dat veel joden nee zeiden tegen Jezus als de messias al tamelijk vroeg in de kerk de verwachting dat de joden zich alsnog tot Hem zullen wenden. Tegenover felle anti-joodse uitspraken van bijv. Chrysostomos (4e eeuw)16 staan de opvattingen van Origenes (3e eeuw), Tertullianus (3e eeuw), Hiëronymus (4e eeuw) en Ambrosius (4e eeuw), die allen in meerdere of mindere mate vertrouwd zijn met de verwachting van een toekomstige bekering van de joden.

Dat wil evenwel nog niet zeggen dat zij daarmee ook een duizendjarig rijk op aarde verwachtten. Zo was Augustinus (4e eeuw) een groot en invloedrijk tegenstander van deze leer (het chiliasme), maar hij rekende terdege met een bekering van joden tot Christus. Wel is het zo dat hij van een bevoorrechte plaats voor Israël niet wilde weten en evenmin van een terugkeer van de joden naar hun land.17

In de middeleeuwen is te wijzen op de Nederlandse mysticus Dionysius de Kartuizer (15e eeuw), die de verwachting aangaat het joodse volk levend hield.18


b. Luther verwachtte een bekering van de joden. Hij rekende er echter niet op dat zij massaal christen zullen worden, zoals veel evangelischen, piëtisten, puriteinen en zelfs orthodoxe lutheranen later hebben gedaan. Als gemeenschap blijven zij net als Turken, ketters en valse christenen onder het schild van Antichrist. Maar nu komt het er volgens Luther op aan, voor de “rest”, waarvan het behoud door Jesaja is voorzien (Jes. 10:20-22, de toegang tot het Woord te openen. Ondanks de verstoktheid van de grote meerderheid moesten wij de joden niet onvriendelijk behandelen “want er zijn christenen onder hen op komst.”19


Bij Calvijn hebben velen een dubbele lijn bespeurd. Nu eens blijkt hij geen oog te hebben voor een heilvolle toekomst voor Israël, omdat zij Christus hebben afgewezen, dan weer komt hij op voor een blijvende plaats voor de joden in het heilshandelen van God omdat Hij Zijn verbond getrouw blijft.

Terecht is erop gewezen dat we op de achtergrond van zijn spreken Calvijns visie op Gods verbond en verkiezing moeten zien. Rom. 11 staat immers niet los van Rom. 9! Zowel de negatieve als de positieve uitspraken zijn te plaatsen als wij rekening houden met de sterke nadruk die de verkiezingsleer heeft t.o.v. het verbond. Vanwege hun ongeloof is het merendeel joden verworpen, terwijl nochtans de blijvende geldigheid van de beloften voor Israël blijkt uit het behoud van de uitverkoren rest, het overblijfsel dat in Christus gelooft.20

Per saldo rekent Calvijn voor de toekomst met een niet-nationale bekering van de joden, van wie hij benadrukt dat zij dan binnen de christelijke gemeente de eerste plaats behouden.21

Beza, Calvijns opvolger, was wat betreft die toekomstige bekering nog beslister.22


c. De vertalers van de Statenbijbel (1626-1637) dachten in de lijn van Calvijn. C.J. Meeuse, die er de kanttekening op nagelezen heeft, komt tot de slotsom dat zij wel duidelijk een bekering van de joden verwachten maar geen nationale bekering.23

Het is pas onder invloed van de geschriften van de Engelse puriteinen dat de predikanten van de Nadere Reformatie meer ruimte voor een eigen plaats van Israël laten. De commentaren van M. Bucer en P. Martyr Vermigli op Romeinen (met name hoofdstuk 11!) met aandacht voor de toekomstige bekering van den hadden deze puriteinse traditie op dit punt gestempeld.24

De visie van de theologen der Nadere Reformatie is echter niet gelijk te stellen met het chiliasme in de gangbare betekenis van het woord. Kenmerken daarvan zijn

  1. De verwachting van een volstrekt ander tijdperk van 1000 jaar dat plotseling aanbreekt en in deze wereld zijn beslag krijgt,
  2. Deze verwachting beheerst het lezen van alle Schriftplaatsen; men verklaart alle teksten letterlijk en komt zo tot gedetailleerde berekeningen en voorstellingen.
  3. De joden hebben een eigen verbondsrelatie met God, die wezenlijk onder­scheiden is van het genadeverbond voor de Kerk.25


De mannen van de Nadere Reformatie (als G. Udemans, W. en E. Teellinck, W. à Brakel, Joh. à Marck en Jac. Koelman) verwachtten in aansluiting bij het Engelse puritanisme wél een bekering van de joden, al dan niet gepaard gaande met een terugkeer naar hun land, maar géén volstrekt andersoortig tijdperk op aarde, dat de eerste wederkomst van Christus zou inluiden. Evenmin kwamen zij tot gedetaileerde voorstellingen van dit rijk dat men vooral als een geestelijk zegenrijke tijd voor de kerk gedurende ongeveer 1000 jaar zag. In de derrde plaats zullen huns inziens de joden geen aparte plaats naast de kerk ontvangen, maar zij zullen in de bestaande kerk worden opgenomen, ook als ze in hun land zullen terugkeren. Een herstel van de tempeldienst verwachtten zij over het algemeen niet.26


T. Brienen heeft binnen de stroming van de Nadere Reformatie drie visies op de joden onderscheiden27:

  1. de chiliastische visie (die dus wel moet worden opgevat in bovenstaande zin),
  2. de polemische visie (waarin men stelt dat het bijzondere van het volk Israël met de komst van Jezus Christus geheel is weggevallen, zodat de joden hun godsdienst geheel vaarwel hebben te zeggen om hun heil nu alleen in de Kerk te vinden). Deze lijn vinden we o.a. bij Voetius. Dit is ook de officiële kerkelijke visie, die op particuliere synodes en classes wordt verwoord.28
  3. de irenische visie, die er bijzonder oog voor heeft dat de joodse kerk moeder­kerk is van alle christenen, ook die uit de heidenen. God is vandaag nog bezig met Zijn verbondsvolk en wij behoren de joden tot jaloersheid te verwekken. Deze visie is bij Abr. Hellenbroek te vinden.


Overzien we wat er in de gereformeerde kerk van de Nederlanden in de 16e en 17e eeuw aan visies op Israël leefde, dan kan worden vastgesteld dat men wel niet gelijk dacht over de plaats van het oude volk, maar dat men elkaar binnen het raam van de Schrift en de gereformeerde belijdenis de ruimte liet.29


d. In de 18e en 19e eeuw zijn er in de reformatorische theologie geen wezenlijk andere visies op Israël naar voren gekomen. De hoofdstroom bleef toch wel de polemische visie, die het vervangingsmodel hanteerde: Israëls rol in de heils­geschiedenis is definitief uitgespeeld en overgenomen door de Kerk. Na Christus kan het jodendom geen heilshistorische betekenis meer hebben. Men verwacht nog wel incidentele bekeringen van joden.


Deze visie deelden A. Kuyper30 en H. Bavinck31. In onze tijd komen we haar tegen bij G.C. Berkouwer32 en J. Vlaardingerbroek33.


Het andere uiterste werd vertegenwoordigd door mensen als Isaäc da Costa en Abraham Capadose, die de chiliastische visie aanhingen (daarover uitgebreider in de volgende paragraaf).


Daartussen bewogen zich de ethische theologen D. Chantepie de la Saussaye en J.H. Gunning die nog steeds het bestaan van het volk Israël als een kritisch teken t.o.v. de Kerk zagen.

Chantepie schreef al in 1868, toen er van een nationaal ontwaken van het joodse volk nog weinig sprake was: “De groote bewegingen in de wereldgeschiedenis worden door die in Israël voorbereid en aangekondigd. Ook de laatste dingen. Merken wij op wat daar in en met Israël geschiedt”. Wat het 1000-jarig rijk betreft zocht hij een weg tussen de vergeestelijkende toepassing van de profetieën door de kerk en de materialistische opvatting ervan zoals men die bij de sekten aantreft.34

In hetzelfde spoor ging ook Gunning. Hij verwachtte een herstel van Israël door God, “niet door Jeruzalem als staat weder te bouwen (al zal dit misschien ook daarbij geschieden), maar door Israël in zijn Messias te doen gelooven om alzoo zijn ware bestemming eindelijk te doen vinden en bereiken.”35


e. In onze eeuw is het vóór de 2e wereldoorlog vooral K.H. Miskotte geweest die het bestaan van het eeuwenoude joodse volk als vraag aan de kerk voorhield. Kerk en synagoge, die toch zoveel gemeenschappelijks hebben, leven in een schisma, dat pas opgeheven zal worden bij de “toebrenging van Israël, de terugkeer van het volk als volk; het zal de kerk met één slag volledig katholiek maken; het zal de heidense verdraaiingen van Gods waarheid bij de wortel afsnijden.”36 Een nadere concretisering van deze verwachting kan Miskotte niet geven, beducht als hij was voor het chiliasme.


Na de 2e wereldoorlog met zijn Auschwitz-verschrikking én de stichting van de staat Israël erna, was het H. Berkhof, die in de dogmatische bezinning aan Israël een plaats in het toekomstgebeuren heeft willen geven. Berkhof benadrukt dat Paulus’ gedachtengang in Rom. 9-11 uitloopt op de blijde uitroep: “alzo zal geheel Israël zalig worden”. Hoe wij ons dat ook hebben voor te stellen, er is hier ondubbelzinnig sprake van heil ook en speciaal voor Israël. Dan zal aan Israëls verharding definitief een einde gekomen zijn. Dat betekent ook dat volgens de profeten de band tussen volk en land zal worden hersteld. Zeer voorzichtig stelt Berkhof dan: “De staat Israël is op zijn minst een voorteken van Gods toekomstig handelen met Zijn volk.”37


Een zelfde benadering vinden we ook in bekende handreiking “Israël, volk, land en staat”, vastgesteld op de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1970, bij de totstandkoming waarvan Berkhof nauw betrokken was. Een van de hoofdstellingen van dit rapport is dat het joodse volk op grond van Gods verkiezing en Gods verbondsbeloften met het land verbonden is. Daarbij laat men echter open of de stad Jeruzalem nog een bepaalde plaats inneemt voor alle volkeren in de eschatologische vervulling38 en tevens of met de terugkeer van de joden de laatste etappe van de eindtijd is aangebroken.39


In 1978 pakte C. Graafland de gematigd chiliastische lijn van de Nadere Reformatie weer op. Hij meent dat Calvijn, die in hoofdzaak de oudtestamentische beloften geestelijk verstond, ook wel enig besef had van het aards/stoffelijke karakter van het komende heil.40 Maar de theologen van de Nadere Reformatie, althans die van de gematigde chiliastische lijn, hadden toch meer oog voor het eigene van het O.T. Zo verwachtte W. à Brakel op grond daarvan dat Israël naar zijn land zal terugkeren en dat dit volk zich als natie zal bekeren.41 Deze verwachting is veel concreter dan die van Calvijn.

Graafland acht dit een verrijking van de gereformeerde geloofsbezinning, al wil ook hij zich niet vastleggen op de al te concrete voorstellingen die er in de Nadere Reformatie toch ook wel waren. Het gevaar van fantaseren over en ongeoorloofd vooruitgrijpen op Gods heilshandelen is immers niet denkbeeldig.42

In hetzelfde jaar verscheen een boek van ds. P. den Butter, die zich in dezelfde gedachtenlijn beweegt.43 De Nadere Reformatie was een legitieme voortzetting van de Reformatie en gaf een uitwerking van enkele thema’s die door de reformatoren slechts werden aangestipt. Daartoe behoort ook de toekomst van Israël.44 Ds. Den Butter verwacht met de Puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie een terugkeer van de joden naar het beloofde land met dan ook een geestelijk herstel.45 In tegenstelling tot chiliasten als Hal Lindsey die menen dat eerst het ongeloof zal toenemen vóór de grote verdrukking, verwacht Den Butter juist voordat Christus éénmaal wederkomt een tijd van grote geestelijke zegen, waarin de kerk, bestaande uit joden en heidenen, zal bloeien.46 Wel is hij zeer terughoudend om dit alles concreet in te vullen. Dat moeten we aan God overlaten.

De chiliastische toekomstverwachting

Al meerdere malen kwam in het voorafgaande het chiliasme ter sprake47. Dat is de leer van het duizendjarig rijk (chilioi = duizend), waarbij men verwacht dat Christus tweemaal zal wederkomen, nl. één keer vóór dit rijk aanbreekt en één keer daarna. Kenmerkend voor deze visie, die trouwens in diverse vormen voorkomt, is dat het aardse messiaanse vrederijk dat Christus zal stichten nog niet het eeuwig koninkrijk van God is, maar dat Christus eerst met de uit de dood opgewekte gelovigen 1000 jaar op aarde zal regeren.

Deze leer, die haar oorsprong vond in het lezen van Openbaring 20, heeft in de geschiedenis van de Kerk altijd aan de zijlijn een rol gespeeld. Men vond het een te aardse voorstelling van joodse snit.

Opvallend is wel dat er in de geschiedenis altijd een verband is aan te wijzen tussen een opleving van het chiliasme en de tijd waarin men leefde. In de eerste eeuwen waren er schrijvers die in de verdrukking hun hoop vestigden op het 1000-jarig rijk: gelovigen die nu vervolgd werden, zouden eenmaal heersen op dezelfde aarde! Opmerkelijk is ook dat men t.a.v. de plaats van Israël zelf terughoudend is!48 De teleurstelling over de kerk en haar dienaren leidde opnieuw tot de vraag naar wat de Bijbel zegt over de voortgang van de geschiedenis. Joachim da Fiore (12e eeuw) kwam tot een indeling van de geschiedenis in drie fasen: 1. die van het O.T. als tijdperk van de Vader (de wet), 2. die van de Zoon (de genade) en 3. die van de Heilige Geest (overvloediger genade). Dit laatste tijdperk zou volgens zijn berekeningen aanbreken in 1260 (dat is 58 jaar na zijn dood). Onder Joachims leerlingen wordt voor het eerst een indeling van de geschiedenis in 7 tijdperken gevonden aan de hand van de 7 zegels uit Openbaring 6 en 7.

De wederdopers in de roerige 16e eeuw, althans de revolutionairen onder hen, wilden het rijk Gods met geweld doorvoeren omdat zij meenden dat het in hun dagen zou aanbreken. Soms is er bij hen aandacht voor Israël.

In Engeland kwam in de 17e eeuw het chiliasme in drieërlei vorm voor. De eerste stroming was die van de “vijfde monarchie”, die na de vier rijken uit Daniël de regering van Christus in het 1000-jarig rijk verwachtte en die politiek wilde verwezenlijken. Daarbij zag men ook voor de joden een rol weggelegd. De tweede richting was een vroege vorm van het pre-millenniarisme, waarvan Joseph Mede een belangrijk vertegenwoordiger was. Christus zal persoonlijk op aarde verschijnen vóórdat (pre) het 1000-jarig rijk komt. Hoewel Mede met jaartallen werkte, kon hij niet zeggen in welk jaar dat zou gebeuren.

De derde stroming werd de hoofdstroming onder de puriteinen, nl. die van het gematigde chiliasme of post-milenniarisme.49 Men verwachtte dat Christus pas na (post) het verstrijken van deze bloeiperiode van de Kerk zou komen. Deze positieve verwachting - zo geheel anders dan die van de prechiliasten die immers alleen maar catastrofes voor de wereld verwachten - kon ontstaan doordat men in het protestantse Engeland de macht van de Roomskatholieke Kerk zag tanen en het evangelie in veel landen kon gaan doorwerken. Daarbij was het gebruikelijk geworden om in het boek Openbaring een profetisch patroon van het gehele verloop van de kerk­geschiedenis te zien. Hierbij paste men dan de verwachting uit Rom. 11:26 (geheel Israël zal zalig worden) in.

We wezen er boven reeds op dat deze derde visie in ons land aanhang vond bij de post-millenniaristische theologen van de Nadere Reformatie.

In de afgescheiden kerken vinden we pre-millenniaristische gedachten als van Da Costa terug bij ds. H.P. Scholte, die in dit opzicht onder zijn invloed stond50, en wat later bij J. in Andel51. Deze stelde echter wel duidelijk dat we niet precies moeten willen invullen hoe God met Israël zal eindigen.

In onze eigen Kerken vond dit chiliasme een fervent voorstander in ds. A.M. Berkhoff.52 In 1933 sprak de Generale Synode uit: “Er is geen schriftuurlijken grond voor de leer eener algemeene opstanding, noch voor een regering der heiligen op aarde gedurende duizend jaren, noch ook voor een periodieke aardsgetinte Christocratie”. Deze uitspraak lag heel in het verlengde van wat vorige Synodes van de Chr. Afgescheiden Kerken in 1863, 1866 en 1882 daarover zeiden.

Volledigheidshalve is nog het dispensationalisme te noemen, dat uit het pre­millenniarisme is voortgekomen. John. N. Darby (19e eeuw) is er de geestelijke vader van, zodat we deze visie vooral in de kring van de Vergadering der Gelovigen hebben te zoeken. Kenmerkend onderscheid met het premillenniarisme is het schema van zeven dispensaties of bedelingen. De huidige Kerk van Christus is ontstaan doordat Israël zijn Messias niet aanvaardde. Maar deze bedeling zal spoedig voorbij zijn. Dan wordt de Kerk met Christus opgenomen in hemel en dan gaan alsnog de oudtestamentische profetieën en beloften letterlijk aan Israël in vervulling, inclusief het herstel van de tempel als een herinnering aan Christus’ offer.

Hoe lezen we de oudtestamentische verwachting?

Na de bovengenoemde veelheid van visies is van belang op de hoofdzaken te letten bij de beoordeling ervan. En dan is de voornaamste vraag hoe wij de Bijbel lezen. Is de Schrift inderdaad als een blauwdruk gegeven om toekomstige gebeurtenissen er vrij gedetailleerd uit te kunnen aflezen? Kunnen we inderdaad de krant met nieuws uit het midden-oosten zomaar naast de profetieën leggen? Het is wel de meest eenvoudige manier, maar zegt de Schrift het ook zo eenvoudig?

We moeten nooit vergeten dat we bij ons Bijbellezen altijd een leesbril op hebben, die tegelijk ook de kijkbril is waarmee we onze tijd beschouwen. Zo hebben christenen uit vroeger tijd in de Schrift allerlei gebeurtenissen gelezen en aangewezen waar wij nu om moeten glimlachen.

Zo meende Joseph Mede dat in 1650 het einde van het 1000-jarig rijk zou aanbreken en dat dan de Amerikanen (in wie hij Gog en Magog zag) Europa, Azië en Afrika zouden overvallen!53 Drie eeuwen later ziet de Amerikaan Hal Lindsey wel een ander scenario. Hij meent nl. dat hier Rusland bedoeld wordt dat met zijn Oost­europese vazalstaten Perzië en Afrikaanse staten Israël zal aanvallen.54

Alleen al deze twee totaal verschillende duidingen moeten ons waarschuwen om niet te snel en triomfantelijk te menen dat wij bij het uitleggen van de oude profetieën het bij het rechte eind hebben. Laten we daarbij ook niet vergeten hoeveel eindtijdberekeningen er alle eeuwen door gemaakt zijn die echter geen van alle uitkwamen!


Allereerst ging het de HEERE erom Zijn volk door de profetie te waarschuwen en op te roepen tot bekering, opdat niet zou plaatsvinden wat werd voorzegd. Jona is daar bij uitstek het voorbeeld van. De profetieën zijn meestal zeer fragmentarisch: in enkele zinnen wordt in beeldspraak iets gezegd zonder nadere uitwerking. Terecht schreef Da Costa: “De profetie geeft alles stuksgewijze, waarin geen volkomen verband of eenheid te brengen is. Alleen de vervulling zal deze geven.”55 “Er wordt ook eene groote mate van Schriften historiekennis vereischt om de rechtstreeksche bedoelingen en de vele zijdelingsche toespelingen van de profeten te kunnen bevatten.”56

Terecht schreef ook J. van Bruggen: “Toekomstprofetie is niet geschikt om de toekomst in kaart te brengen, maar zij is wel geschreven om de vervulling, wanneer die komt, te herkennen.”57


Prof. Oosterhoff heeft in een artikelenserie in De Wekker58 een aantal behartens­waardige dingen geschreven over het lezen van de profetieën, die we kort willen memoreren.

  1. De toekomstprediking van de profeten was in de allereerste plaats bedoeld voor de hoorders van hun eigen tijd. Het ging er hun niet om te schilderen wat er over meer dan 2000 jaar precies gebeuren zou. Dikwijls heeft de toekomst­prediking haar uitgangspunt in de ballingschap. Zo heeft Ezech. 37 (het dal van de dorre doodsbeenderen) betrekking op de terugkeer van de joden uit de assyrische en babylonische ballingschap. Ezech. 38 en 39 (de moeilijke hoofdstukken over Gog en Magog) slaan op de strijd die de teruggekeerde ballingen zullen moeten leveren tegen nieuwe vijanden (de verdrukking onder Antiochus Epifanes en de bevrijding daarvan onder leiding van de Makkabeeën).
  2. Daarbij moeten we echter ook letten op de veel verdere strekking. De profetieën vatten soms gebeurtenissen die in de toekomst op verschillende momenten hun vervulling vinden, samen. Eén profetie blijkt in de loop van de tijd een meervoudige vervulling te hebben.
    We noemen dit het profetische perspectief, te vergelijken met een foto van diverse bergen in Zwitserland, die ver uit elkaar liggen, maar op één plat vlak gezamenlijk te zien zijn. Zo ziet Petrus op de Pinksterdag Joël 2 in vervulling gaan. De Geest werd uitgestort op mannen en vrouwen, ouderen en jongeren. Maar de dag van het gericht, door Joël en Petrus in één adem erbij genoemd, die gekenmerkt wordt door bloed en vuur en rookdamp, laat nog op zich wachten. Zo wordt ook in Hosea 3:5 de terugkeer uit de ballingschap direkt verbonden met de bekering van Israël tot de Messias. Israël is wel uit de ballingschap teruggekeerd, maar pas eeuwen later kwam de Messias, en op de bekering van Israël wachten we nog steeds.
  3. Vervolgens hebben we ook te letten op de symbolische spreekwijze en de getallensymboliek, die ons voorzichtig moeten maken om alles letterlijk op te vatten.
    De aanduiding: een tijd, tijden en een halve tijd (Dan. 7:25 zal toch symbolisch op te vatten zijn (3½ jaar, de helft van een volle, 7-jarige periode).
    En zal het inderdaad letterlijk in Joël 3:12 bedoeld zijn dat God eens alle volken zal samenbrengen in het dal van Josafat om daar over hen gericht te houden? Behalve de zeer beperkte plaatsruimte is er geen dal met die naam in de buurt van Jeruzalem te vinden. En vervolgens betekent Josafat: de HEERE oefent gericht.
    Als in Jes. 2:2 en Micha 4:1 gezegd wordt dat in het laatst der dagen de berg van het huis des HEEREN vast zal staan als de hoogste der bergen en verheven zijn boven de heuvelen, dan kan toch onmogelijk bedoeld zijn dat de heuvel Sion zal uitsteken boven de toppen van de Mont Blanc of de Himalaya?
    Vaak ook gebruiken de profeten beelden uit het verleden om de toekomst aan te duiden. Vooral in het tweede deel van het boek Jesaja wordt het einde van de ballingschap beschreven in termen van de uittocht uit Egypte. En ook in het profetische boek Openbaring komen we in de beschrijving van Gods oordelen verwijzingen tegen naar bijv. de plagen uit Egypte (bijv. water in bloed veranderd, boze zweren, zware hagel in Op. 16. Het is toch bezwaarlijk om daar nu een precieze beschrijving van toekomstige gebeurtenissen in te lezen.
  4. Tenslotte stelt prof. Oosterhoff twee visies t.o.v. Israël tegenover elkaar. Tegenover de visie welke geen beloften meer kent voor het joodse volk van vandaag staan zij die deze beloften nu juist in onze dagen vervuld zien worden. Terecht kiest prof. Oosterhoff dan voor een derde weg. Er blijven inderdaad beloften voor de joden gelden. Dat mogen we nooit voorbij zien. Maar tegelijk is het zo dat de beloften sinds de pinksterdag óók gelden voor de gelovigen uit de heidenen. Ze zijn niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar mede­burgers der heiligen en huisgenoten Gods. Ze vormen met de joden die in Christus geloven één kudde en er is slechts één herder (Ef. 2:14-16). Wat in Ex. 19:6 alleen voor het joods volk gold: Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom - dat geldt volgens 1 Petr. 2:9 nu ook voor de gelovigen uit de heidenen.


Het grote bezwaar tegen het chiliasme (pre-millenniarisme) en dispensationalisme is nu juist dat het scheiding maakt tussen joden en heidenen, alsof de nieuw­testamentische kerk maar tijdelijk zou bestaan.59 In het verlengde hiervan maakt het ook een scheiding tussen de twee delen van de ene Bijbel, als het nl. stelt dat het N.T. alleen voor de christelijke gemeente is bestemd en niet voor de joden.60 Zo zou ook het getuigend gesprek met Israël niet meer behoeven te worden gezocht, omdat gedurende het 1000-jarige rijk de joden massaal tot bekering zullen komen!61

Voor dit 1000-jarig rijk is echter nauwelijks een bijbelse grond. Opb. 20 is het enige Schriftgedeelte waarin over 1000 jaar gesproken wordt: de satan wordt gebonden en 1000 jaar vastgehouden, om daarna voor een korte tijd ontbonden te worden (vs 1-3). De gestorven gelovigen heersten als koningen met Christus gedurende die 1000 jaren. De overige doden werden niet weer levend totdat de 1000 jarer voleindigd waren (vs 4-6). Wanneer de 1000 jaren voleindigd zijn zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten om de volkeren aan te voeren om oorlog te voeren tegen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad, hetgeen op zijn eeuwige straf uitloopt.

We lezen hier echter niets van een dubbele wederkomst van Christus of van een regeren op aarde vanuit Jeruzalem als centrum. Hier wordt alleen gesproken van een erepositie van de gestorven christen-martelaars in de hemel. Daarbij is het ook niet juist om andere Schrift gedeelten die zelf niet over deze 1000-jarige periode spreken zonder meer in te passen in dit zo moeilijk te verklaren Schriftgedeelte.

Voor onze visie op Israël is het van doorslaggevende betekenis dat in heel Openbaring nergens een speciale rol voor dit volk genoemd wordt!62

Hoe lezen we de nieuwtestamentische verwachting?

Laten we eerst vaststellen dat de toekomstverwachting van het N.T. voor een groot deel gebaseerd is op het O.T. Terecht stelt J. van Bruggen: “Het gehele N.T. berust op de overtuiging dat in het O.T. toekomstprofetieën zijn gedaan die nog open staan en op de zekerheid dat Jezus deze nu en in de toekomst komt vervullen.”63

We zagen al dat het boek Openbaring teruggrijpt op oudtestamentische voorstellingen. Maar dat geldt niet alleen voor Gods oordelen. De centrale boodschap van het N.T. dat de Messias voor Israël en de volken van Godswege gekomen is wordt vanuit het O.T. aangetoond met een in onze ogen veelal merkwaardige bewijsvoering. Deze sluit echter aan bij de toen gangbare rabbijnse Bijbeluitleg.64

Voor ons blijft gezaghebbend dat de evangelisten en apostelen veel oudtestamentische uitspraken in Jezus de Messias en Zijn Kerk, bestaande uit gelovige joden en heidenen, vervuld zagen.

Bijv. de Immanuëlprofetie uit Jes. 7:14 in de geboorte en naamgeving van het Kind (Matt. 1:23).

Zo wordt ook Psalm 2:7 (Mijn Zoon zijt Gij, heden heb Ik u gegenereerd) betrokken op Christus in Matt. 3:17; 17:5; Hebr. 1:4,5 en 2 Petr. 1:16-18.

In 2 Kor. 6:16-18 wordt de belofte voor Israël (Ik zal in hun midden wonen en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn - te vinden in Ex. 29:45, Lev. 26:11, Jes. 52:11, Jer. 31:1,33 en Ezech. 37:26,27 op de nieuwtestamentische gemeente toegepast.


Voorstanders van het chiliasme beschuldigen tegenstanders ervan dat zij de oud­testamentische beloften voor Israël vergeestelijken. Maar we moeten toch erkennen dat het N.T. ons hierin voorgaat. Terecht is erop gewezen, dat wanneer oud­testamentische beloften uitlopen op Christus en hun uiteindelijke vervulling vinden in het herstel van alle dingen op aarde, we dan niet geringschattend moeten spreken van vergeestelijking, alsof deze toepassing op Christus en de eindtijd een dood­doener is.65 Het heil is echt eenmaal op déze vernieuwde aarde te verwachten!


Een belangrijke vraag hierbij is wel of het beloofde land daar nu nog steeds een teken van is, vanwege de door God gelegde band tussen het volk en het land (zoals Berkhof, Boertien, Den Butter, Graafland en Schoon vanuit diverse achtergronden menen.66 Het N.T. biedt er o.i. geen aanknopingspunten voor, zoals ook Schoon moet toegeven.67

In Matt. 5:5 zegt de Heere Jezus dat de zachtmoedigen niet het land (zoals in Ps. 37:11) maar de aarde zullen beërven, zoals Paulus de belofte van het 5e gebod (opdat uw dagen verlengd worden in het land dat Ik u geven zal) verbreedt tot: opdat gij lang leeft op de aarde (Ef. 6:2).

Abraham wordt in Rom. 4:13 niet maar erfgenaam van het land, maar van de wereld genoemd. Sterk benadrukt Hebr. 11:8-10.16 dat Abraham als vreemdeling in het land der belofte vertoefde en een hemels vaderland verwachtte. Daarbij komt nog het gegeven dat sommigen in de eerste joodschristelijke gemeente te Jeruzalem juist hun land verkochten en er afstand van deden! (Hand. 4:34-36). Iedere poging om tegenover deze hoofdlijn in het N.T. nog andere gegevens te vinden aangaande een blijvende geldigheid van de landbelofte blijft o.i. betwistbaar.68


Hierbij komt vanzelf de vraag naar voren of er ook plaats is voor de herbouw van de tempel na Jezus’ offer. Uit het N.T. moet het tegendeel worden opgemaakt. De joodse orthodoxie verwacht die echter nog eens en evenzo de dispensationalisten en vele pre-millenniaristen. Het liberale jodendom interpreteert de beloofde herbouw in geestelijke zin, zoals ook de puriteinen dat deden. Maar de chiliast Da Costa erkende: “Ik zie geen kans om Ezechiëls tempel te verklaren.“69 Ook de Jezusbelijdende jood Lance Lambert, een bescheiden voorstander van het chiliasme, verwacht geen herbouw van de tempel, ook al niet om praktische redenen. Alleen al het uitmaken wie bevoegd is tot de priesterdienst zal tot geweldige verdeeldheid onder de joden leiden. Daar komt nog bij dat de tempel in moslimhanden is en ook dat de exacte historische ligging van de tempel uitermate moeilijk te bepalen is.70


Wat het land zelf betreft is het vanuit het O.T. al moeilijk om de grenzen precies vast te stellen (vergelijk de algemene belofte van Gen. 15:18 met Num. 34:1-12 en Ezech. 47:13-20).


Is nu de stichting van de staat Israël een vervulling van de profetieën? Prof. Oosterhoff meent dat de stichting van deze joodse staat onvoldoende grond in de Schrift heeft om er een vervulling van de landbeloften in te zien, omdat een belangrijke voorwaarde, de bekering van het volk, ontbreekt.71 Anderen72 zijn van mening dat de profeten toch eerst van terugkeer spreken en daarna van bekering (zie Jer. 30:3 en 8,9; Jer. 31:7.9 en 11-12; Jer. 33:7,8; Ezech. 36:22-25; Ezech. 37).

Toch schrijft Oosterhoff er tegelijk bij dat God blijkbaar nog een doel heeft met het joodse volk. De terugkeer van het volk naar het land der vaderen kan daarmee samenhangen, al zien we bij het joodse volk nog niet de bekering waarvan Paulus spreekt in Rom. 9-11 en al kan ook niet direkt van een nieuwe vervulling van Gods beloften aan de aartsvaders worden gesproken. Een bewijs van Gods trouw mogen we er wel in zien. En het kan een voorspel zijn op grotere daden van God die nog te wachten staan.73

We zullen open moeten blijven staan voor Gods handelen met Zijn volk ook in deze tijd, al kunnen wij daar lang niet zulke stellige uitspraken overdoen als bijv. Hal Lindsey.

G. Abma, een voorstander van een gematigd chiliasme, kan inderdaad vaststellen dat de geschiedenis in elk geval diegenen in het gelijk heeft gesteld, die rekenden op het herstel van de staat Israël en de terugkeer van de joden naar het land van de belofte.74 Anderzijds moeten we bedenken dat het feit dat er in Amerika ongeveer een half miljoen christenjoden zijn dichter bij de vervulling van Rom. 11 komt dan de stichting van de staat.75


Is er nu op grond van het N.T. ook een massale bekering van de joden te verwachten?

In 1 Thess. 2:16 lijkt Paulus dat radikaal uit te sluiten. Hij schrijft daar over joden die hem verhinderen te spreken tot de heidenen en komt dan tot de uitspraak: “de toorn is over hen gekomen tot het einde.” Schrijft de apostel hiermee het hele joodse volk af? Dat zou in tegenspraak zijn met wat hij zelf later in Rom. 9-11 schrijft, al is het mogelijk dat hij pas later een openbaring daarover kreeg.

Wij menen dat Paulus in de eerste plaats alleen bepaalde joden op het oog had van wie hij uit eigen ervaring wist hoezeer zij zich tegen het evangelie verzetten. Hij spreekt dus niet in het algemeen over het joodse volk in het einde der tijden.

In de tweede plaats is het de vraag of de woorden “tot het einde” moeten worden opgevat als een tijdsaanduiding. Zelf kiezen we met vele exegeten76 voor de betekenis “tot de volle maat, tot de uiterste grens”. Het gaat Paulus dan om de mate van de straf, die de joden waarmee hij werd geconfronteerd, zullen ontvangen.


In 2 Kor. 3:16 noemt Paulus in het algemeen de mogelijkheid van de bekering van de joden: “doch wanneer het (of: hij, een individuele jood, want Paulus zegt niet specifiek wie hij op het oog heeft) zich tot de Heere bekeert, zo wordt de bedekking (nl. van het hart) weggenomen.”

Paulus trekt hier een parallel tussen het toetreden van Mozes tot God en het toetreden van elke willekeurige jood tot Christus76. Het gaat hier dus niet om een massale bekering. Ook denkt Paulus blijkens de werkwoordsvorm niet aan de toekomst, maar aan het heden.77


In Romeinen 9-11 treffen wij de uitvoerigste verhandeling uit het N.T. aan over Gods handelen met Israël. We kunnen Paulus’ betoog nu niet uitvoerig weergeven. In de discussie gaat het vooral om Rom. 11:25,26. Er is, schrijft Paulus, een verharding voor een deel over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen zal ingaan en alzo zal geheel Israël zalig worden. Met “de volheid der heidenen” bedoelt Paulus het volle getal van Gods verkiezend welbehagen t.a.v. de heidenen. De overgrote meerderheid van exegeten is deze mening toegedaan.

Over de woorden “geheel Israël” bestaat minder overeenstemming. Augustinus en Calvijn dachten aan het totale getal van uitverkoren joden en heidenen Maar het gaat hier toch onmiskenbaarover het joodse volk, dat Paulus apart noemt.

Anderen denken aan de joden uit Paulus’ dagen, waarbij men er dan van uit gaat dat de apostel een spoedig einde van de wereldgeschiedenis verwachtte. Met prof. Versteeg78is daarentegen te wijzen op 2 Thess. 2, waar Paulus juist waarschuwt om niet te menen dat de dag van Christus al aanstaande is.

Weer anderen denken aan een bekering an de joden in de toekomst, de eindtijd. Deze opvatting is heel populair. Versteeg heeft hier echter tegen ingebracht dat er niet staat “dan”, alsof Paulus een tijdstip bedoelt, maar “alzo”. Het gaat Paulus om de manier waarop God joden en heidenen in Zijn heil doet delen, nl. niet door werken, maar door het geloof. Dit hoofdthema van de gehele Romeinenbrief geldt ook hier.

Daarom is o.i. de vierde opvatting de beste, die “gans Israël” betrekt op het volle getal uit de joden, dat in de loop der eeuwen in Jezus Christus gelooft.

Niet los hiervan staat de vraag of Paulus nu bedoelde dat eerst de volheid der heidenen zal binnengaan en daarna geheel Israël. Versteeg merkt op dat in Rom. 11 nergens sprake is van een delen in het heil in een toekomstige eindtijd, maar slechts van een delen in het heil van het “heden” (vs. 30,31), dat met Christus is aangebroken. “Nu” wordt in heel het N.T. vaak gebruikt voor het heden van de gehele nieuwtestamentische bedeling, de periode tussen de beide komsten van Christus. Het is in deze periode waarin God Zijn ontferming doet toekomen aan de heidenen, maar de joden daarbij niet vergeet.

Terecht stelt Versteeg de vraag waarom Paulus, wanneer hij alleen wist van een bekering van Israël in de eindfase van de geschiedenis, zoveel hartzeer had en zoveel inspanning toonde om het heil van zijn volksgenoten. Dit mag dan het standpunt zijn van sommsge chiliasten (wij evangeliseren niet onder de joden, maar wachten Gods tijd af), maar het is niet paulinisch.

Paulus haalt als Schriftbewijs voor zijn visie Jes. 59:20,21 aan, waar gesproken wordt van het komen van de Verlosser uit Sion, die de goddeloosheden van Jakob zal afwenden en hun zonden zal wegnemen. Dit kan alleen maar op de eerste komst van Christus slaan.79 Van een bijzondere bekering van de joden bij Christus’ tweede komst spreekt de apostel niet.

We sluiten ons dan ook aan bij Versteeg als hij zegt dat voor Paulus het behoud van gans Israël zich uitstrekt over de hele periode van het nu van de nieuw­testamentische bedeling. En alzo - d.w.z. op de manier van een tijdelijke verharding van Israël waardoor het evangelie door de heidenen kan worden aanvaard (waarbij we met Den Butter en Graafland80 ook aan het geloof als de wijze waarop God het heil schenkt mogen denken) zal gans Israël zalig worden.

Blijvende verwachting

We komen tot een afsluiting. Dat betekent echter geenszins tot een afronding! De zaak die God met Zijn volk heeft is dat naar Rom. 9-11 ook nog niet. Vast staat in elk geval dat God Zijn volk niet heeft verstoten en dat Zijn genadegiften en roeping t.a.v. Israël onberouwelijk zijn. Er liggen nog steeds beloften voor dit volk!


Uit het bovenstaande is echter wel gebleken dat wij uit de Bijbel geen gedetailleerd schema voor toekomstige gebeurtenissen kunnen aflezen. De profetieën moeten we in hun eigentijds verband lezen en in hun oosterse beeldspraak en klankkleur verstaan. Ze zijn niet zomaar naast de krant met dagnieuws uit het midden-oosten te leggen.


Voor ons is normatief dat de oudtestamentische profetieën hun nieuwtestamentische vervulling in Jezus Christus gekregen hebben en nog zullen krijgen.

Dr. M.J. Paul heeft in het voetspoor van Da Costa ervoor gepleit om zowel een geestelijk-typologische (d.w.z. op de christelijke gemeente betrekking hebbend) alsook een letterlijke uitleg van de profetische beloften van het Oude Testament toe te passen.81

Het blijft o.i. echter moeilijk om deze tweeërlei uitleg overtuigend op elkaar te laten aansluiten. Zoals aangetoond heeft de landbelofte in het N.T. geen specifiek nationale betekenis meer. Ook is uit het N.T. niet duidelijk een toekomstige massale bekering van de joden af te leiden. Het blijft de vraag wat nu precies het “tegoed”, van het O.T. voor Israël is, behalve dan dat het op de concreetheid, de “aardsheid” van Gods toekomstig heil wijst.

Het is ook bijzonder moeilijk om vanuit de Schrift de politieke situatie in en rondom de staat Israël op te lossen (bijv. het beleid t.a.v. de bezette gebieden en de rechten van de Palestijnen).


Zo blijft het verschijnsel Israël, het volk en zijn godsdienst, theologisch en politiek, een vraag aan de kerk, zoals het dat in feite al was in de dagen van Paulus.

We hebben eerbiedig te erkennen dat de HEERE het geheimenis van Zijn handelen met joden en heidenen wél heeft geopenbaard, maar ons niet volledig in handen heeft gegeven.

We zullen waakzaam moeten blijven om te letten op Gods bemoeienis met Israël en de Kerk. In ons gebed hebben we te bidden voor de joden dat zij de God van Israël ook in Zijn nieuwtestamentische openbaring mogen leren kennen, en dat het tot een samen lezen van het O.T. als de Schriften die ook van Jezus Christus getuigen, mag komen.


Dat wij nog niet alles kunnen doorzien en verklaren moge voor ons een sterkere stimulans zijn tot gelovig verwachten dan de illusie dat we alles wel door middel van een spoorwegboekjesmethode uit de Bijbel kunnen aflezen. Blijven we bij de ootmoedige erkenning van Paulus dat Gods wegen onnaspeurlijk zijn! En dat in dit alles uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn (Rom. 11:33,36).




Noten
1 Mr. Isaäc da Costa, Beschouwing van het Tweede Boek van Lucas, Amsterdam 18582, p. 24v.
2 De Handelingen der apostelen uitgelegd door Johannes Calvijn, Goudriaan 19702, p. 18v.
3 Mr. Isaäc da Costa, Bijbellezingen, 8e deel, Amsterdam 1877, p. 115v.
4 Hal Lindsey, De planeet die aarde heette... Laren z.j., p. 14
5 Zie hiervoor B.J. Oosterhoff, Israëls profeten, Baarn z.j., hoofdstuk 8 en Th.C. Vriezen, Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament, Wageningen 19744, p. 476-499
6 Zie voor een korte karakteristiek B.J. Oosterhoff, a.w. p. 158; S. Safrai, Volk met een land, ’s-Gravenhage 1986, p. 92v; Th.C. Vriezen en A.S. v d. Woude, Literatuur van Oud-Israël, Katwijk 19827, p. 336v.
7 Aldus Hannah Safrai, Jewish apocalyptic in the second Temple Period in: Profetie en vervulling, Bergen 1984, p. 17v.
8 Zie hiervoor naast de handboeken voor joodse historie H. Sysling, De Bar Kochba-opstand, historie en legende, in: Ter Herkenning, 14e jrg. nr. 3, p. 165-176.
9 Zie M. Boertien, Het joodse leerhuis, Kampen 1974, p. 54v.
10 P. Lapide, Uit de Bijbel leren leven, Baarn 1984, p. 124
11 R. Boon, De Messias in Talmoed en Midrasj, Kampen 1980, p. 5
12 R. Boon, Ontmoeting met Israël, Kampen 1974, p. 107 en Rav. Aharon Keiler, Israëls toekomstverwachting, Nes Ammim-lezing 10e jrg. nr. 1. p. 9,12.
13 M. Boertien, Twee wegen? in: Rondom het Woord, 18e jrg. nr. 3 p. 131 v. Ook gepubliceerd in: Vrede over Israël, 25e jrg. nr. 6, p. 13-23. Zie ook R. Boon, Ontmoeting met Israël, p. 129.
14 Zie G. Cohen Stuart, Land inzicht, Kampen 1989, p. 69.
15 Aldus Pinchas Peli, Toekomstvisies in het rabbijnse denken. Nes Ammim-lezing 4e jrg. nr. 6, p. 16.
16 Zie bijv. J.A. v.d. Velden, Israël en het anti-semitisme, Kampen 1990, p. 15-27.
17 Zie bijv. het korte overzicht in H.R. v.d. Kamp, Israël in Openbaring, Kampen 1990, p. 44v.
18 W.J. op ’t Hof, De visie op de joden in de Nadere Reformatie, Amsterdam 1984, p. 98.
19 H.A. Oberman, Wortels van het antisemitisme, Kampen 1983, p. 109v.
20 M. van Campen, Het verbond en Israël bij Calvijn en de Nadere Reformatie, in: Zicht op Israël 3, ’s-Gravenhage 1988, p. 161 v.
21 W.J. op ’t Hof. a.w. p.52.
22 Idem.
23 C.J. Meeuse, De toekomstverwachting van de Nadere Reformatie in het licht van haar tijd, Kampen 1990, p. 33.
24 Zie hiervoor het uitvoerige overzicht in: P. den Butter, Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid, Lisse 1978, p. 125-149.
25 Zie hiervoor de genoemde studie van C.J. Meeuse, p. 66v. en 94.
26 Zie naast de genoemde studies van Meeuse en Op ’t Hof ook C. Graafland, De toekomstverwachting der Puriteinen en haar invloed op de Nadere Reformatie, in: Documentatieblad Nadere Reformatie, 3e jrg. nr. 3.
27 T. Brienen, Reformatie en Nadere Reformatie over de plaats van Israël in het heilshandelen van God, in: Zicht op Israël, ’s-Gravenhage 1983, p. 116v.
28 Zie bijv. J.C.L. Starreveld, Van verleiding tot bekering, in: Vrede over Israël, 25e jrg. nr. 6 (Jubileumnummer 1981).
29 T. Brienen, a. art. p. 119 en C.J. Meeuse, a.w. p. 96.
30 A. Kuyper, De gemeene gratie, Eerste deel. Kampen z.j. p. 384-391.
31 H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek. Vierde deel, Kampen 19675, p. 64-653.
32 G.C. Berkouwer, De wederkomst van Christus II, Kampen 1963, p. 110-153.
33 J. Vlaardingerbroek, Jezus Christus tussen joden en christenen, Kampen 1989 p. 47-72.
34 S. Gerssen, Modern Zionisme en Christelijke theologie, Kampen 1978, p. 168. Zie ook S. Gerssen, Grensverkeer, p. 166-169.
37 H. Berkhof, Christus de zin der geschiedenis, Nijkerk 1958. Een samenvatting van Berkhofs visie op Israël geeft K. Blei in zijn boek: Christelijke toekomstverwachting, ’s-Gravenhage 1986, p. 68-82.
38 Israël, land, staat en volk. Handreiking voor een theologische bezinning, ’s-Gravenhage 1970, p. 19.
39 Idem p. 27.
40 C. Graafland, Het vaste verbond, Amsterdam 1978, p. 98,165. Op p. 100 spreekt Graafland van aspecten die ook al in Calvijns denken aanwezig zijn, maar die bij hem veel meer impliciet zijn aan te treffen.
41 A.w. p.116.
42 A.w. p.117,164v.
43 P. den Butler, Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid, Lisse 1978.
44 A.w. p.124.
45 A.w. p.151-173.
46 A.w. p. 229-257.
47 Zie hiervoor de beknopte studie van J. van Genderen, De toekomstverwachting van een duizendjarig vrederijk, Kampen, De Groot Goudriaan 1984 en het overzicht in H.R. v.d. Kamp, Israël in Openbaring, Kampen 1990, p. 40-86.
48 H.R. v.d. Kamp, a.w. p. 43.
49 J. van Genderen, a.w. p. 37-44, spreekt van een partieel of schijnbaar chiliasme, C. Graafland, a.w. p. 164, van een gematigd chiliasme.
50 Zie bijv. J. Kamphuis, Isaäc da Costa en de Afscheiding, Groningen 1975, p. 62.
51 Zie bijv. het korte overzicht van T. Brienen in: Vrede over Israël 35e jrg. nr. 3, p. 7v.
52 Zie over hem hetzelfde artikel van T. Brienen in V.o.I. p.9.
53 C.J. Meeuse, a.w. p. 53.
54 H. Lindsey, De planeet, die aarde heette, p. 62-66.
55 Mr. Isaäc da Costa, Bijbellezingen, Tweede deel, Amsterdam 1866, p. 37.
56 A.w. p. 42.
57 J. van Bruggen, Het lezen van de Bijbel, Kampen 1981, p. 109.
58 90e jrg.(1980-1981) p. 91v, 118v, 123v, 131v en 147v. Zie ook B.J. Oosterhoff, Israëls profeten, hoofdstuk 4. Onze samenvatting bevat ook hier en daar een eigen toevoeging.
59 Zie J. van Genderen, De verwachting van een duizendjarig vrederijk, p. 55v.
60 Zie hiervoor de wat moeizame, maar wel leerzame discussie in: J.G. Fijnvandraat, A. Maljaars en W.J. Ouweneel, De Kerk onder de loep, een confrontatie tussen de calvinistische en de chiliastische visie, Apeldoorn 1979.
61 Dit is de visie van bijv. J.W. v.d. Hoeven van de Christelijke Ambassade te Jeruzalem.
62 H.R. v.d. Kamp, Israël in Openbaring, komt na een diepgaande exegese van Op. 7,11,12,14 en 21 tot de conclusie: een bijzondere plaats voor (leden van het volk) Israël is - behoudens die voor de twaalf apostelen in Op. 21,14 - in het toekomstbeeld schetst, niet geopenbaard). De vraag naar de mogelijkheid van een bijzondere plaats van de joden in de laatste fase van de geschiedenis moet negatief worden beantwoord, (p. 317).
63 J. van Bruggen, Het lezen van de Bijbel, p. 110.
64 Zie hiervoor bijv. C. van Leeuwen, Hoe moeten wij het Oude Testament uitleggen? in: Op het spoor van Israël, ’s-Gravenhage 1961, p. 84-118. Ook B.J. Oosterhoff, a.w. p. 110v.; J. Vlaardingerbroek, a.w. p. 59; J.P. Versteeg, Het gebruik van het Oude Testament door het Nieuwe Testament, met name in het evangelie naar Mattheüs, in: Geest, ambt en uitzicht, Kampen 1989, p. 32-42.
65 J. Vlaardingerbroek, a.w. p. 58.
66 H. Berkhof, Christus de zin der geschiedenis, p. 126-143; M. Boertien, De liefde tot zijn land is Israël aangeboren, Amsterdam 1971, p. 45-48; P. den Butter, Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid, p. 150-173; C. Graafland, Het vaste verbond, 143v; S. Schoon, Christelijke presentie in de joodse staat, Kampen 1982, p. 178v.
67 S. Schoon, a.w. p. 179. Zie ook C. Blenk, Israël tussen profetie en vervulling, in: Zicht op Israël 2, ’s-Gravenhage 1987, p. 71: “Strikt genomen noemt Paulus nergens expliciet de landbelofte of de terugkeer naar het land”.
68 Zie bijv. de interessante pogingen van F.W. Marquardt. Een weergave van zijn gedachten in S. Gerssen, Modern Zionisme en Christelijke Theologie, p. 190-207. Beknopt bij S. Schoon, Christelijke presentie in de joodse staat, p. 177.
69 Mr. Isaäc da Costa, Bijbellezingen, Tweede deel, p. 40.
70 Lance Lambert, De dag breekt aan, Harderwijk 1991,p.108.
71 B.J. Oosterhoff, De beloften aan de aartsvaders, Kampen 1973, p. 45.
72 P. den Butter, a.w. p. 170v. en C. Blenk, Zicht op Israël 2, p. 63v.
73 B.J. Oosterhoff, De beloften, p. 45.
74 G. Hette Abma, Hoe lezen we de profeten? in: Hoop doet leven, Amersfoort 1991, p. 31.
75 C. Blenk, a. art. p. 71.
76 H. Ridderbos, Paulus, Kampen 1966, p. 396. Zie ook T. Baarda e.a., Paulus en de andere joden, Delft 1984, p. 55v, die alle vertalingen op een rij zet, zelf voor de tijdsopvatting kiest, maar toegeeft dat de door ons gekozen vertaling in het Grieks is toegestaan en stellig ook een goede zin geeft.
77 Zie hiervoor F.W. Grosheide. De tweede brief aan de Kerk te Korinthe, Kampen 19592 en F.J. Pop, De tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs, Nijkerk 19713.
78 Zie voor een uitgebreide bespreking van deze verzen J.P. Versteeg, Het behoud van gans Israël (Rom. 11:26) in: Geest, ambt en uitzicht. Eerder gepubliceerd in V.o.I., 25e jrg. nr. 6 (1981) en J.P. Versteeg, Kerk en Israël volgens Romeinen 9-11, in: Theologia Reformata, 34e jrg. nr. 2, p. 151-169.
79 Zo stelt W. Hendriksen terecht in zijn commentaar Romans, Edinburgh 1981, p. 380.
80 P. den Butter, a.w. p. 224 en C. Graafland. Het vaste verbond, p. 140. Terecht benadrukken zij o. i. het heilsordelijke aspect van dit heilshistorisch handelen van God.
81 Zie zijn artikel: Hoe lezen wij de oudtestamentische profetieën? in: Christenen voor Israël, 7e jrg., nr. 1 jan. ’91 en de concrete toepassing van deze visie in een viertal meditaties van zijn hand in De Waarheidsvriend, 79e jrg. nrs. 26-29 (27 juni, 4, 11 en 18 juli 1991).

ds. Harry Rietveld
Vrede over Israël jrg. 35 nr. 4 (okt. 1991)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel