pijl omhoog

Judaica - hobby of hart?


Judaica is de naam van het ‘vak’ waarin prof. dr. M. Boertien gedurende lange tijd de doctoraalstudenten aan onze Theologische Hogeschool, later Universiteit, heeft onderwezen. In deze speciale uitgave van Vrede over Israël, bedoeld als felicitatie voor zijn zeventigste verjaardag kan een artikel over dit vakgebied en de manier waarop prof. Boertien zich hiermee heeft beziggehouden, dan ook niet ontbreken.


Judaica, wat is dat eigenlijk? Letterlijk genomen betekent deze benaming: dingen van de joden, datgene wat het jodendom aangaat. Dat is een tamelijk brede formulering voor een tak van wetenschap. Eigenlijk is het meer een vakgebied dan een vak, vandaar de aanhalingstekens in de eerste regel. Dit blijkt ook wel als we een blik werpen in de studiegids waarin het programma staat afgedrukt dat prof. Boertien aan zijn studenten voorlegde.


De studie van de Judaica omvat verschillende deelgebieden. Allereerst gaat het om de literatuur uit de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament, vervolgens om de latere rabbijnse literatuur. Dan hoort bij de bestudering van het jodendom de kennisname van de geschiedenis van het joodse volk in het algemeen, en van de ontwikkelingen binnen de joodse godsdienst in het bijzonder. In de studiegids liet prof. Boertien vervolgens een aantal werken opnemen onder het kopje ‘theologie’, om tenslotte nog een gedeelte van het examen aan de joodse liturgie te wijden.


Met elk van deze onderwerpen heeft prof. Boertien zich intensief beziggehouden. Daarbij heeft hij telkens laten zien wat het belang van de bestudering hiervan is voor de kerk van vandaag. In een gepubliceerd gesprek met Rik Valkenburg stelt Boertien zelfs: ‘Sedert ik mij ben gaan interesseren voor allerlei kwesties rondom Israël, jodendom e.d., ben ik hoe langer hoe meer gaan zien, dat de juiste bijbelse verhouding tussen Israël en de volkeren, en dus ook tussen joden en christenen en de rest van de wereld, de eigenlijke dingen zijn waar het om gaat. Vandaar dus dat ik terechtgekomen ben bij dit merkwaardige vakgebied, dat sommige mensen als een soort hobby beschouwen, maar dat ik beschouw als iets dat te maken heeft met het zijn of niet-zijn van de gemeente van Christus in deze wereld.’1


Om dit grote belang te onderstrepen willen we de schijnwerper richten op de aparte onderdelen van de Judaica. Tevens is het de bedoeling van dit artikel er iets van de laten zien welk werk prof. Boertien blijkens zijn publicaties op deze gebieden heeft verricht.

Tussen de testamenten

Het spreekt vanzelf dat de Judaica begint met de bestudering van de literatuur uit de periode direkt na het O.T.; daar liggen de wortels van het latere jodendom.

In deze periode zijn er verschillende stromingen ontstaan binnen het jodendom, die voor een deel ook in het N.T. worden genoemd, zoals de farizeeën, de sadduceeën, de zeloten en de essenen. Binnen deze groeperingen ontstonden verschillende geschriften, die voor een deel onder ons bekend zijn als ‘apocriefe boeken’. Een ander deel werd later niet als zodanig erkend, maar is voor ons toch nog steeds van belang om een beter inzicht te krijgen in de manier waarop het jodendom zich later heeft ontwikkeld.

In een populaire publicatie heeft prof. Boertien indertijd speciale aandacht gevraagd voor een geschrift dat binnen een van de stromingen uit die tijd van groot belang was: de zgn. Tempelrol uit Qumran. Hij laat daarin zien dat door de vondst van dit geschrift in 1947 onze kennis van de ontwikkeling van de hebreeuwse taal en van de tekst van het Oude Testament verdiept wordt en er meer bekend is geworden van de doorwerking van bepaalde bijbelse tradities in de kringen rondom Qumran.2

Tevens is de bestudering van deze literatuur en van de geschiedenis uit deze periode van groot belang voor een beter verstaan van het N.T. Veel gebruiken binnen het jodendom, die in het N.T. als bekend worden verondersteld, zijn immers ontstaan in deze periode. Zo vormt deze joodse literatuur een schakel tussen de beide testamenten.

Tegelijk vormt ze een schakel tussen het O.T. en het latere jodendom, dat een andere weg is ingeslagen dan die van het N.T. Hier liggen bronnen, die open moeten gaan, en die een beter begrip kunnen geven van de manier waarop kerk en synagoge op verschillende sporen terecht zijn gekomen.

Rabbijnse literatuur

Prof. Boertien heeft op tal van manieren benadrukt, dat het van groot belang is niet bij deze tussentestamentaire literatuur te blijven staan. Het jodendom heeft zich verder ontwikkeld. Het is kenmerkend voor de joodse omgang met het Woord van God, dat dit ontwikkelingsproces in iedere nieuwe periode van het jodendom ook een nieuwe gestalte kreeg.

Dat was ook noodzakelijk, daar men in iedere nieuwe situatie genoodzaakt was zich af te vragen: wat is de wil van God voor vandaag? Hoe moeten we handelen volgens de Tora? En hoe kunnen we in onze omstandigheden vandaag het uitzicht op de levende God bewaren?

Daartoe vonden levendige diskussies plaats in het leerhuis, waarin gezocht werd hoe de woorden uit de Bijbel konden worden toegepast en geherinterpreteerd, zodat er ook een antwoord kwam op de eigentijdse vragen. Deze diskussies, die door rabbijnen en hun leerlingen werden gevoerd, werden in verschillende fases schriftelijk vastgelegd.

Aan het eind van de tweede eeuw werd een komplex van deze diskussies vastgelegd in een boek dat de naam Mishna kreeg. Vervolgens ontstonden er nieuwe vragen en nieuwe diskussies; ook kwamen er verhandelingen bij over de uitleg en de toepassing van de regels, gegeven in de Mishna. Deze werden aan het eind van de vijfde eeuw opnieuw schriftelijk vastgelegd in de zgn. Talmoed. Het laat zich denken dat deze Talmoed een heel omvangrijk werk is, daar de diskussies van vele rabbijnen uit een heel aantal eeuwen hierin zijn opgenomen. Eigenlijk is het meer een verzameling van boeken.

Proefschrift

Prof. Boertien heeft zich vanaf het begin van zijn studie van het jodendom intensief met deze geschriften beziggehouden. Dat blijkt uit zijn proefschrift, dat als onderwerp had één gedeelte uit dit grote komplex van overleveringen. Op een grondige wijze heeft hij één traktaat uit de Mishna behandeld, nl. het gedeelte dat gaat over de naziraatsgelofte.

In de tijd van het N.T. was het een zeer veel voorkomend gebruik, dat mensen een gelofte aflegden, zich voor een bepaalde tijd niet te scheren, geen wijn te drinken en zich niet te verontreinigen door de aanraking met een dode, om zich op die manier toe te wijden aan God, zoals dat is voorgeschreven in de wet op het nazireeërschap in Num. 6. Soms kwam het voor dat men zich voor zijn gehele leven als nazireeër aan de HERE wijdde, zoals Simson en Gideon, maar meestal was de periode vastgesteld op een tijd tussen de dertig en de honderd dagen. Zo legde Paulus de nazireeërgelofte af (Hand. 18:18) en kreeg hij later van Jacobus de raad voor vier nazireeërs de kosten van hun offers te dragen (Hand. 21:23v).

Boertien laat in zijn dissertatie zien, dat dit een in die tijd veel voorkomend verschijnsel was. Tegelijk laat hij de achtergrond hiervan zien. Er konden verschillende redenen voor zijn: b.v. bij een speciaal gebed, of als een uitdaging van iemands liefde voor de Tora, Gods Woord.

Nu kwamen er vervolgens ook vragen op: wanneer kun je nu precies zo’n gelofte afleggen? En als je die hebt afgelegd, wanneer wordt zo’n gelofte dan verbroken? Je komt b.v. wel eens met iets doods in aanraking, zonder dat je er erg in hebt. Wat moet je dan doen? Vervolgens: hoe moet je handelen, als een godsdienstige plicht je tot overtreding van je gelofte dwingt? Kortom: de actuele situatie vroeg om verduidelijking en nadere precisering van de voorschriften uit het O.T. Deze vragen werden aan de rabbijnen in het leerhuis voorgelegd. Meningen werden uitgewisseld. En tenslotte werd een gezaghebbend gebruik vastgelegd. Na een langere mondelinge overlevering werd in de Mishna hiervan tenslotte - zoals reeds vermeld - een eerste schriftelijke fixatie gegeven.

Bijzonder interessant in het kommentaar van Boertien op genoemd traktaat uit de Mishna is, dat hij laat zien op welke wijze men redeneerde. Voor ons besef is de logica van bepaalde rabbijnse gedachtengangen dikwijls nauwelijks te volgen. Boertien toont echter aan, dat men niet op willekeurige wijze te werk ging, en dat het gezaghebbende resultaat van deze diskussies dan ook niet uit de lucht gegrepen is. Men wist zich gebonden aan de Schrift en een aantal regels om die Schrift uit te leggen en toe te passen. Boertien laat in zijn werk zien, dat ‘vele voorschriften op logische wijze volgens de destijds voor de bijbeluitleg geldende regels uit de bijbeltekst worden afgeleid’.3

De kwaliteit van zijn proefschrift was van dien aard, dat het gegeven kommentaar enkele jaren later als gezaghebbende wetenschappelijke uitgave werd opgenomen in een bekende reeks.4 Om een indruk te geven: van deze gezaghebbende ‘Giessener’ uitgave van de Mishna verscheen de eerste band in 1912, en tot op dit moment zijn vele traktaten nog niet van een dergelijk degelijk kommentaar voorzien. Het mag een grootse prestatie heten als iemand op zo’n specialistisch terrein zijn debuut maakt met een geschrift van deze kwaliteit.

Het leerhuis

Het is typerend voor Boertien, dat hij naast deze wetenschappelijke uitgave ook diverse publikaties op zijn naam heeft staan, waarmee hij dezelfde zaken bij een veel breder lezerspubliek onder de aandacht wilde brengen. Het bekendste boekje is wel Het Joodse leerhuis. Daarin laat hij zien wat het eigen karakter is van het joodse leren uit de bijbel, en de manier waarop Gods Woord de eeuwen door steeds nieuwe zeggingskracht kreeg voor de joodse gelovigen. Aan de hand van verschillende voorbeelden wordt duidelijk hoe het jodendom blijvend zoekt naar het doen van de wil van God om op die manier de naam van God te heiligen in deze wereld.

Opnieuw benadrukt Boertien dat ‘het jodendom ondenkbaar is zonder de nabijbelse ontwikkelingen, die daarop zulk een grote invloed uitoefenden.’5 Kennisname hiervan is niet alleen verrijkend voor de eigen omgang met de Schriften, maar ook onmisbaar voor ieder die iets over het jodendom zou willen denken of zeggen in deze tijd. Vanwege een gebrek aan kennis van deze bronnen zijn er dikwijls verkeerde vooroordelen ontstaan tegen het jodendom, en heeft men ook de eigen, christelijke bronnen vaak verkeerd geïnterpreteerd.

De twintigste stelling bij zijn proefschrift kan een program voor Boertiens arbeid genoemd worden: ‘De kerk zal haar relatie tot het joodse volk slechts dan blijvend ten goede kunnen veranderen, wanneer zij traditioneel anti-joodse voorstellingen niet onder invloed van philo-semitische tendenzen maar tengevolge van een hernieuwde bezinning op christelijke en joodse bronnen herziet en als strijdig met de door haar verkondigde boodschap verwerpt.’

Latere joodse literatuur

Het zojuist genoemde proefschrift heeft dr. Boertien voltooid in de periode dat hij door onze kerken was uitgezonden naar Israël, waar hij zeven jaar lang een brugfunktie wist te vervullen tussen joden en christenen, en waar zijn kennis van het jodendom en van de hebreeuwse taal verdiept kon worden door de levende ontmoeting met de mensen in dat land.

Deze kennis bleef niet onopgemerkt. In 1967 werd hij door de Universiteit van Amsterdam gevraagd Hebreeuws te gaan doceren en in het volgende jaar werd hij aldaar benoemd tot hoogleraar aan de faculteit der Letteren voor de Hebreeuwse en Aramese taal- en letterkunde. Aanvankelijk betrof zijn leeropdracht de taalperiode vanaf de derde eeuw na Chr., later ook vanaf de eerste eeuw.

Dr. Boertien bleek goed thuis te zijn in de literatuur uit al de taalperioden van het hebreeuws. De inaugurele rede, uitgesproken bij de aanvaarding van zijn hoogleraars-ambt ging over een middeleeuws gedicht, en in zijn afscheidscollege behandelde hij een eigentijdse hebreeuwse roman. Het zou te ver voeren bij deze beide publikaties uitvoerig stil te staan. Maar in het kader van ons onderwerp moet wel worden opgemerkt, dat prof. Boertien ook als taalgeleerde voluit het belang van de kennis van de geschriften waarin hij zijn onderwijs gaf naar voren wist te brengen. Hij laat zien hoe de beloften van God in de bijbel gegeven een voortdurende inspiratiebron zijn gebleven voor joodse schrijvers en dichters de hele geschiedenis door.


Een voorbeeld van de manier waarop hij met de teksten omging mag niet ontbreken. In zijn behandeling van een middeleeuws gedicht laat hij het verlangen zien van de dichter - Jehoeda Hallevi, die op dat moment in Spanje leefde - naar Jeruzalem.

Een regel uit dat gedicht luidt:

Lief is ’t mij, ontbloot en barvoets te gaan op de puinhopen,
de grote verlatenheid, eens Uwe woning.

Waarom is hem dit lief? vraagt Boertien. Een langer citaat:

Omdat o.a. in Jes. 52:7-9 de puinhopen genoemd worden in een context, die van verlossing spreekt. De profeet kondigt een vredebode aan, ‘die tot Tsion spreekt: Uw God is Koning. Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de HERE naar Tsion weerkeert. Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de HERE heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.’ Het is voor hem geen stijlfiguur, wanneer Hallevi zegt, dat hij verlangt naar de aanraking van de puinhopen van Jeruzalem. Hij snakt naar het lijfelijke tasten van de verlossing, en het puin van Tsion is hem een tastbare belofte, dat hij niet vergeefs wacht.6


Boertien verstaat de kunst zijn hoorders en lezers mee te nemen in de gedachtengang en de hoop die in dit gedicht worden uitgedrukt, zodat de oude tekst weer tot spreken komt. Het wordt duidelijk dat voor deze jood ‘hoop’ niet een algemeen principe is, maar een werkelijkheid die zijn leven draagt en richting geeft, en die levend wordt in het zingen van het lied over de puinhopen heen. Daar ligt wel een - misschien wel hét - geheim dat de eeuwen door de bron is gebleven voor het jodendom, om stand te houden in vervolgingen en in de letterlijke puinhopen.

‘Er staat niet wat er staat’

Uit genoemd voorbeeld blijkt hoe prof. Boertien zijn studenten probeerde te laten zien dat er meer staat in een tekst dan wat er staat. Dat was vaak zijn motto: ‘er staat niet wat er staat; er staat méér.’ Voordat je dat hoort zul je wel moeten kloppen op de tekst. Dan zul je er verschillende lagen in ontdekken, die ieder een bijzondere betekenis hebben. Zo bleef hij ook als taalgeleerde voluit judaicus.


Dat bleek ook uit zijn afscheidscollege, dat hij in 1981 gaf omdat hij helaas om gezondheidsredenen met vervroegd emeritaat moest gaan. Dat college ging, zoals al is opgemerkt, over een hedendaagse roman.

Hij stelt onomwonden tegenover een literatuur-theoretische benadering van een tekst, waarbij men een tekst alleen uit zichzelf wil verklaren: ‘zonder buitentekstuele gegevens is een volledig verstaan van de tekst niet mogelijk.’7 Dat is een stelling die in Amsterdam velen tegen de haren zal hebben ingestreken, daar de zgn. ‘Amsterdamse school’ bij de bijbeluitleg juist wel alleen van de tekst als literaire eenheid wil uitgaan. Prof. Boertien was er niet bang voor zo af en toe een knuppeltje in verschillende hokken te gooien.

Overigens bleek bij zijn afscheid tevens welke plaats de vertrekkende hoogleraar aan de Amsterdamse Universiteit gekregen had. Tijdens zijn hoogleraarschap is de vakgroep Hebreeuws, Aramees en Syrisch aan de faculteit der Letteren behoorlijk uitgegroeid. Boertien heeft zich ingezet voor de oprichting van het Juda Palache Instituut waardoor er aan de faculteit naast het onderwijs in de hebreeuwse taal ook ruimte kwam voor onderwijs en onderzoek in het Jiddisch en in de joodse geschiedenis.

Zo heeft prof. Boertien in Amsterdam, om met een uit een joodse bron bekende uitdrukking te spreken, ‘een levende haag gevormd’ van leerlingen. Zij vormen een levende haag rondom de heilige Schriften, omdat zij gewapend en getraind zijn in het luisteren daarnaar. Daardoor zal een aanval op grond van een al te snel gevormd (voor)oordeel afgeweerd kunnen worden door deze ‘levende haag’.8

Geschiedenis

Bij de judaica hoort ook de bestudering van de geschiedenis van het jodendom. Vanwege de zojuist geschetste manier waarop prof. Boertien met de joodse teksten omging was hij wel gedwongen zich ook voortdurend met de historische achtergronden bezig te houden. Hij geeft in de genoemde wetenschappelijke publikaties blijk van deze kennis. Maar ook op een meer eenvoudige manier wist hij de geschiedenis van het joodse volk onder de aandacht te brengen. Zo b.v. in een boekje over Israëls onafhankelijkheidsverklaring, dat in 1973 verscheen, en dat nog steeds een goed overzicht biedt over de ontstaansgeschiedenis van de staat Israël.9


Het belang van een gedegen kennis van de geschiedenis van het joodse volk in haar verhouding met de volkeren en m.n. met de christelijke kerk heeft Boertien op verschillende manieren uitgedrukt. Deze is eenvoudig onontbeerlijk om tot een werkelijke ontmoeting met het jodendom vandaag te komen, omdat precies die geschiedenis het grote struikelblok is dat tussen hen en ons instaat.

Boertien benadrukt dat de weg waarop de gemeente van Christus gaat, en waarop zij Hem volgt, die de weg, de waarheid en het leven is, inderdaad de weg ten leven is. Maar...: ‘het joodse volk heeft deze weg dikwijls ervaren als een weg die in letterlijke zin naar ondergang en dood leidde.’ Wie zich dat niet terdege realiseert en bewust of onbewust poogt aan deze geschiedenis voorbij te gaan, zal merken dat een gesprek over wezenlijke zaken, dood zal lopen. Ook bij het spreken over de oorspronkelijke vraagstellingen, die ons verdelen, ‘kunnen noch de joden noch de christenen uit hun eigen geschiedenis springen.’10

Theologie

Bij de bestudering van de Judaica komt ook de vraag naar voren, hoe de verschillende opvattingen die de rabbijnen in hun geschriften hebben neergelegd, en die voortleven in de joodse tradities, in een bepaald samenhangend verband gebracht kunnen worden. Dan is te spreken van ‘theologie’.

Het eigene van het jodendom in dit verband is dat het spreken over theologie, de leer aangaande God, nooit los staat van de vragen naar het leven met God. De juiste leer is nooit los verkrijgbaar, maar kan alleen echt juist zijn, als deze in verband staat met een juist handelen. De Tora is de levende stem van God, die in de praktijk gestalte zal krijgen. Zonder deze praktijk is er niet van een theologie te spreken.


Prof. Boertien heeft in zijn publikaties deze verbanden steeds laten zien. Met name in het reeds genoemde boekje Het Joodse leerhuis leidt hij de lezer in deze joodse denkwereld binnen. Een meer systematische bezinning op een deelname van de joodse theologie heeft Boertien gegeven in zijn radiovoordrachten die later gebundeld werden onder de titel: De liefde tot zijn land is Israël aangeboren. Daarin gaat het om de manier waarop de eeuwen door de belofte van het wonen in het land aan Abraham gegeven zijn uitwerking gehad heeft op de verwachting van het joodse volk.11

In een latere reeks radiolezingen heeft hij opnieuw de verhouding van de kerk met Israël onder de loep genomen, bij wijze van een voortgaande herbezinning. Ook hier komen de meer systematische aspecten van de Judaica naar voren.


Boertien komt uit bij de blijvende betekenis van het verbond van God met Israël. Hij wijst aan het slot van zijn laatste lezing op een aangrijpende ontmoeting tussen de joodse denker M. Buber en een Duitse evangelische theoloog in het jaar 1933.

Buber maakt melding van zijn bezoek aan een verwoeste joodse begraafplaats in Worms. Boertien citeert hem: ‘Ik heb daar gestaan en heb alles zélf wedervaren. Mij is al die dood overkomen; al die as, al die gebrokenheid, al dat stemmeloze geklaag is het mijne, maar... het verbond werd mij niet opgezegd. Ik lig ter aarde, neergestort als deze stenen. Maar het verbond werd mij niet opgezegd.’

Op deze manier wordt zichtbaar wat theologie is in het jodendom: geen tijdloos studeerkamergebeuren, maar de doordenking van Gods verbond temidden van de verscheurende gebeurtenissen van het leven van vandaag. ‘Slechts vanuit een nieuwe doordenking van het verbond, dat níet werd opgezegd, noch aan Israël, noch in de kerk, zullen wij tot nieuw, gezamenlijk uitzicht kunnen komen.’12 Ziedaar de taak die Boertien ziet weggelegd voor het theologische gedeelte van de Judaica.

Liturgie

Lest best. Als nu als laatste onderdeel van de Judaica de liturgie naar voren komt, dan is dat niet, omdat dit onderdeel achteraan komt. In de liturgie wordt de traditie, de geschiedenis en de theologie van het jodendom hoorbaar en zichtbaar. In de liturgie klopt het hart van het joodse geloof. Daar wordt de kennis van God tot een geleefde werkelijkheid. Daar krijgt het wezenlijke van het geloof vorm en wordt het aan het volgende geslacht overgedragen. ‘Wie het jodendom wil leren kennen,’ zei Boertien op zijn colleges, ‘schaffe zich een gebedenboek aan’.


Persoonlijk heb ik het voorrecht gehad college te krijgen van prof. Boertien over een stukje van die joodse liturgie, namelijk de vertelling die op het paasfeest in de joodse gezinnen centraal staat. In die zgn. ‘Pèsach-haggada’ zijn eeuwenoude tradities uitgekristalliseerd. Voor een groot gedeelte komt de liturgie zoals die vandaag nog gevierd wordt overeen met die zoals het paasfeest in de dagen van de Here Jezus Christus gevierd werd. Tijdens de viering daarvan heeft Hij ook het heilig Avondmaal ingesteld. Het spreekt voor zich dat kennis van die liturgie van betekenis is voor ons verstaan van die instelling door de Here, en dus ook voor de manier waarop wij dat vandaag nog mogen vieren en beleven.


Tegelijk zijn juist de gebeden en de lofzeggingen een rijke bron voor onze kennis van het joodse geloof. In dit opzicht staat het jodendom eenvoudig dichter bij de oorspronkelijke manier waarop God door zijn volk is lofgezongen vanaf aloude tijden. De psalmen worden door dit volk nog steeds met exact dezelfde woorden gezongen als ten tijde van David en Salomo. In dat opzicht kan het jodendom ons de ogen openen voor de aloude rijkdom van de lofprijzing. Dat kan een verrijking zijn voor de beleving van het geloof in de levende God vandaag.


Een persoonlijke herinnering zij hieraan tenslotte nog toegevoegd. Prof. Boertien vertelde tijdens een van de genoemde colleges, hoe de lofzegging voor gelovige joden een vanzelfsprekend deel vormt van het gewone leven. Bij bepaalde gebeurtenissen is men van jongs af aan gewend de HERE direkt te prijzen met een vaste formulering. Hij vertelde hoe hij met zijn gezin lange tijd buiten Nederland had vertoefd, en toen na een lange en vermoeiende reis terugkwam bij de Nederlandse grens. Bij het binnenrijden in Nederland klonk van achter uit de auto uit de mond van zijn kinderen de woorden: ‘Baruch Attah, Adonai Elohenu, Melech ha-olam, sjèhèchèjenu weqimanu wehiggi-anu lazzeman hazzèh’. Hebreeuwse woorden, in Israël geleerd, die er op een haast vanzelfsprekende manier uitrolden: ‘Geprezen zijt Gij, HERE onze God, Koning van deze wereld, die ons het leven en het bestaan gaf, en ons dit tijdstip deed bereiken’.


Graag wil ik instemmen met deze lofzegging die - mutatis mutandis - past bij de zeventigste geboortedag die onze hoogleraar Judaica onlangs mocht gedenken. Ik eindig met de wens en bede neer te schrijven, dat hem nog enige tijd gegeven zal worden om zijn verworven kennis tot zegen te laten zijn.




Noten
1 In Rik Valkenburg, Wat dunkt u van Israël..., Amsterdam 1975, blz. 38
2 Zie M. Boertien, De tempelrol, AO-reeks no. 1761, Lelystad 1979
3 M. Boertien, Der Mischnatraktat Nazir. Einleitung, Text, Ubersetzung und Erklarung. Textkritischer Anhang. Diss. Amsterdam 1964, blz. *5*
4 M. Boertien, Nazir (Nasiräer). Die Mischna. Text, Ubersetzung und ausführlicher Erklarung. III. Seder,4. Traktat Berlin/New York 1971
5 M. Boertien, Het Joodse leerhuis van 200 voor tot 200 na Christus, Kampen 1974
6 M. Boertien, ‘Het vers, dat niet bedierf’, Leiden 1969, blz. 22v.
7 M. Boertien, Jeruzalem tussen droom, daad en dood, Kampen 1981, blz. 11
8 Zie de uitleg van genoemde uitdrukking in M. Boertien, ‘Een levende haag rondom de Tora. Een nieuwe interpretatie van Abot l 1b’ in Verkenningen in een Stroomgebied, F.S. M.A. Beek, Amsterdam 1974
9 M. Boertien, Israëls onafhankelijkheidsverklaring. AO-reeks nr. 1457, Lelystad 1973
10 Beide citaten uit M. Boertien, ‘Twee wegen?’, in Rondom het Woord 18/3, 1976, blz. 138
11 M. Boertien, De liefde tot zijn land is Israël aangeboren, Amsterdam/Driebergen 1971
12 Beide citaten uit M. Boertien, Jacobs stem en Ezaus handen, Verkenning en Bezinning 17/4, 1984, blz. 47

drs. Michael Mulder
Vrede over Israël jrg. 37 nr. 4 (sep. 1993)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel