pijl omhoog

Grote Verzoendag en het Nieuwe Testament

Inleiding

Hoeveel Nederlanders zullen er op 14/15 september van dit jaar bij stilgestaan hebben, dat een kleine minderheid onder ons, de joden, inhoud gaven aan het voorschrift van Leviticus 16 om deze dag - Grote Verzoendag of Jom Kippoer - te vasten en te bidden? Bij ons in Leiden ging die woensdag het leven op de grote parkeerplaats voor de synagoge gewoon door. De lampen brandden ’s avonds in de synagoge, en slechts weinig mensen zullen er bij stilgestaan hebben dat dit voor het handjevol mensen daarbinnen een van de meest ontzagwekkende dagen van het jaar was.

De vrouw van de schilder Marc Chagall schrijft in een boekje over haar herinnering aan de joodse feesten zoals ze die in haar jeugd meemaakte: ‘De christenen hebben helemaal geen vrees voor God. Ze lachen zelfs op Jom Kippoer.’ Uit dat zinnetje blijkt zowel de grote betekenis van die dag voor haar, alsook de onkunde erover bij christenen.


Wie de liturgie van Grote Verzoendag bestudeert komt onder de indruk van de gebeden, die gezegd worden. De schuldbelijdenis en het gebed om Gods erbarmen stempelen deze dag. Men staat op de drempel van een nieuw jaar. Maar er is geen toegang tot dat jaar dan alleen wanneer God ons genadig is.

De grote joodse denker Franz Rosenzweig overwoog in zijn jeugd zich te laten dopen. Maar nog eenmaal wilde hij eerst de Grote Verzoendag meemaken in een synagoge in Berlijn. Het leidde ertoe dat hij afzag van zijn doop. Hij heeft er weinig over gezegd - eigenlijk alleen een kort zinnetje: ‘Ich bleibe also Jude.’

Ook op christenen heeft deze dag indruk gemaakt. De protestantse theoloog Rudolf Otto, schrijver van het boek Das Heilige, is vooral bekend geworden door zijn pleidooi om er weer ernst mee te maken dat God de ‘Gans Andere’ is, die we als mensen alleen kunnen naderen in vreze en beven. Het was begin deze eeuw nodig dat te zeggen, toen de mens zichzelf meende groot te moeten maken op kosten van God. Minder bekend is dat de aanleiding tot het schrijven van dit boek Otto’s bezoek aan een kleine synagoge in Noord-Afrika was, tijdens een dienst op Grote Verzoendag. Daar moet hij o.a. deze woorden gehoord hebben: ‘Breng dan, Eeuwige, het ontzag voor U over alles door U gemaakt en de geweldige, huiveringwekkende, eerbiedige vrees voor U over alles door U geschapen. Laten allen door U gemaakt vol eerbied voor U zijn, alle schepselen voor U zich neerbuigen...’


Er is dus alle reden om ons af te vragen wat deze ‘hoge feestdag’ ons als christenen te zeggen heeft. Waarom heeft deze dag geen plaats gekregen op onze kerkelijke kalender?

1. Grote Verzoendag in het Oude Testament

We werpen daarvoor eerst een korte blik op het Oude Testament. De instelling van Grote Verzoendag wordt ons opmerkelijk genoeg niet reeds in het bijbelboek Exodus verteld, maar eerst in Leviticus. Dat is opmerkelijk, omdat in Exodus wel de drie pelgrimsfeesten, waarop Israël volgens Gods eigen voorschrift opgeroepen werd om naar zijn heiligdom te komen, vermeld staan. De Grote Verzoendag is dus van een andere orde dan Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest!

We doen er goed aan te letten op de aanleiding tot de instelling van Grote Verzoendag. In Leviticus 10 horen we dat de zonen van Aaron ‘vreemd vuur’ voor het aangezicht van de HERE brachten. ‘Vreemd vuur’, dat is: verzoening brengen op een andere manier en langs een andere weg dan de HERE heeft geboden. ‘Vreemd vuur’, dat is ten diepste, dat ze in de verzoening tussen God en mens iets van de mens inbrengen. Maar dat is heidendom! Dan cirkelt het toch weer om wat wij God aanbieden. Door dat ‘vreemde vuur’ is de hele tent der samenkomst verontreinigd.

De ernst van de situatie is, dat de dienst van de HERE tot in het hart van de eredienst verontreinigd is. Zou het alleen om zonden van Israël gaan, dan zou aan het altaar verzoening gezocht kunnen worden. Maar nu is het heiligdom zélf verontreinigd. Wat blijft er dan nog over? Hoe zou de dienst der verzoening nog kunnen plaatsvinden? Hoe zou een mens nog het Heilige kunnen binnengaan - om nog te zwijgen van het Heilige der Heiligen?!

In die situatie geeft de HERE de Grote Verzoendag. De instelling daarvan vormt het hart van het bijbelboek Leviticus.

- Grote Verzoendag: reiniging van Gods heiligdom

Grote Verzoendag is door God gegeven om zijn heiligdom te reinigen. Dat was in een bepaalde situatie, maar uit het gegeven dat deze dag wordt ingesteld als jaarlijks weerkerend blijkt wel, dat reiniging van het heiligdom van de HERE nodig blijft. Daarom staat er ook dat Aaron ‘niet te allen tijde’ in het Heilige der Heiligen mag komen (Lev. 16:3). De Grote Verzoendag legt dus de zwakke plek in de eredienst van de tempel bloot!

Men kan ook positief stellen, dat de Grote Verzoendag in het Oude Testament die dag is, die de voortgang van de feesten en offers van Israël mogelijk maakt. Anders gezegd: zouden de tent der samenkomst en de tempel niet gereinigd worden door het ritueel van Grote Verzoendag, dan zou de hele offerdienst van Israël moeten ophouden - stukgelopen op het harde gegeven, dat zelfs in het hart van de eredienst het heidendom kan binnendringen. Grote Verzoendag roept zo als het ware om een Hogepriester, die de eredienst van Israël tot zijn doel brengt.

2. Grote Verzoendag in het Nieuwe Testament

Wanneer we nu gaan kijken naar de plaats van de Grote Verzoendag in het Nieuwe Testament, valt om te beginnen op dat er nergens gesproken wordt over een viering ervan. Zeker, de Grote Verzoendag neemt een heel centrale en wezenlijke plaats in in de Brief aan de Hebreeën, en daar zullen we ook nog naar kijken. Maar van een viering van de dag zelf horen we niets. We lezen alleen in Handelingen 27:9 de terloopse vermelding dat ‘de vasten reeds achter de rug was’. Voor niet iedereen zal duidelijk zijn, dat Lukas daar zinspeelt op de Grote Verzoendag. Toch doet hij dat - en dat is dan ook meteen de hele oogst van het Nieuwe Testament. Dat stilzwijgen is opvallend.


Goed - nu de Brief aan de Hebreeën. In deze brief worden het lijden en sterven, en ook de opstanding en hemelvaart van Christus getekend als vervulling van het oudtestamentische ritueel van Grote Verzoendag. Op een indringende wijze tekent de schrijver van deze brief hoe de dood van de Here Jezus Christus ‘buiten de legerplaats’ eens en voorgoed de toegang tot de troon der genade heeft vrijgelegd.

Christus is niet binnengegaan met het bloed van stieren en bokken, en zijn offer hoeft ook niet - zoals in de tempel - ieder jaar herhaald te worden. In zijn lijden en sterven heeft die open vraag van het Oude Testament: om een Hogepriester die niet eerst voor de door hemzelf begane zonden verzoening moet aanbrengen, het definitieve antwoord gekregen. Daarom heeft men Christus’ offer aan het kruis wel getypeerd als ‘de Grote Verzoendag van het Nieuwe Testament’.

- Heiligheid

De brief aan de Hebreeën beargumenteert ook waarom dit offer van Christus allesbepalend is. Er is geen sprake van dat de offerdienst van Israël zomaar opzijgeschoven en afgedankt wordt. De HERE gaat niet met willekeur te werk, en de offerdienst van het Oude Testament was niet niks! Het moet dus duidelijk worden dat het lijden en sterven van Christus werkelijk geldt.

Nu is ‘heiligheid’ in deze brief een sleutelwoord, en het is bekend dat dat een term is die vooral zijn plaats heeft in de eredienst van Israël. Denkt u maar aan het boek Leviticus, dat grotendeels aan de cultische wetten is gewijd. Juist daar horen we de oproep: ‘weest heilig, want Ik, de HERE uw God, ben heilig.’ Nu heeft heiligheid in de Bijbel en nog altijd in het jodendom drie aspecten. Er is (1) heiligheid van tijd, (2) heiligheid van plaats en (3) heiligheid van mensen. Daarom - ik geef maar een voorbeeld - wordt met de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2 de tijd vervuld (de Pinksterdag is de vijftigste dag), de ruimte (het huis) vervuld en de mensen. Zó heiligt de HERE!

Nu zijn er graden van heiligheid. De tempel is zelf al heilig, d.i. door de HERE afgezonderd. Maar daarbinnen is behalve een voorhof ook het ‘heilige’ en het ‘heilige der heiligen’. Het is duidelijk dat het ‘heilige der heiligen’ aan de top van de ‘piramide’ van heiligheid van plaatsen staat. Een dergelijk soort ‘piramide’ is er ook in de tijd. De heiligste dag van het jaar is de Grote Verzoendag. Het is de ‘sabbat der sabbatten’. Er is dus geen feest dat zo de kern van de omgang met de HERE raakt als juist deze dag! En wat de mens betreft: de meest heilige mens (dat is iets anders dan: de beste mens!) is uiteraard de hogepriester, die op Grote Verzoendag het ‘heilige der heiligen’ mag binnengaan, na eerst geofferd te hebben voor zijn eigen zonden.

Het is duidelijk dat we voor het besef van de schrijver van de Brief aan de Hebreeën in de viering van Grote Verzoendag in de tempel bij het hoogtepunt van de offerdienst van het Oude Testament zijn, waar alles omheen cirkelt. Het gaat daarbij - zo zei men in het jodendom en zo zag de schrijver van de Brief aan de Hebreeën het ook - om een instelling van de HERE God, waar niet van afgeweken kan worden, tenzij er een tijd en plaats en mens zouden zijn, die deze heiligheid van Grote Verzoendag zouden overstijgen.

Een dergelijke ‘verandering van wet’ kan alleen door God Zelf bewerkstelligd worden, en wel als er een ‘verandering van priesterschap’ zou optreden (Hebr. 7:12). Die verandering van wet heeft - zo betoogt de Brief aan de Hebreeën - plaatsgevonden in de kruisdood en de opstanding en hemelvaart van Christus.

Hij verwijst daarvoor op een heel boeiende manier naar Melchizedek, de koning-priester die Abraham heeft ontmoet. In Psalm 110 komen we deze mysterieuze gestalte ook tegen. De schrijver van Brief aan de Hebreeën leidt uit het feit dat Abraham aan hém tienden betaalde af dat Melchizedek de meerdere van Abraham was. Als Jezus dus Hogepriester naar de ordening van Melchizedek is deert het ook niet, dat Hij niet uit het geslacht van Aäron afkomstig was. Hij bezat een hoger, hemels, eeuwig priesterschap. En daarom kan Christus ook de toegang tot God voorgoed openleggen. Hij is de Hogepriester van het nieuwe verbond, die niet met bloed van stieren en bokken, maar met zijn eigen bloed binnengaat om de zijnen te heiligen.

Het is duidelijk waar de schrijver van de Brief aan de Hebreeën naar toe wil. Het gaat hem erom duidelijk te maken dat Christus, de Zoon in Wie God in het laatst der dagen zijn laatste Woord gesproken heeft, een mens is geweest is als wij, maar zonder te zondigen. Daarom is ook de plaats waar Hij stierf - buiten de legerplaats - heiliger dan de tempel! En dat ene Paasfeest is eens en voorgoed de Grote Verzoendag geworden. Deze verandering van wet betekent dat de oude weg nu vervangen is door een nieuwe en levende weg.

3. Grote Verzoendag en ons leven

Na wat ik over de Brief aan de Hebreeën geschreven heb, zou de gedachte kunnen opkomen dat daarmee inderdaad de vraag beantwoord is, waarom de Grote Verzoendag geen aparte plaats heeft gekregen op de kerkelijke kalender. Het heeft er alles van dat we simpelweg kunnen zeggen: de Grote Verzoendag heeft - net als alle offers in de tempel - afgedaan.

Toch kan dat antwoord niet bevredigen.

In de eerste plaats alleen al omdat het woord vervulling in het Nieuwe Testament niet betekent dat iets afgeschaft wordt, maar dat het tot zijn doel komt. Denkt u alleen maar aan de woorden van Jezus in Mattheüs 5:17: ‘Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om die te vervullen!’ Duidelijk is ook, dat de offers niet afgeschaft zijn, maar in ons dagelijks bestaan een levende werkelijkheid willen zijn. Dat althans blijkt duidelijk uit wat Paulus in Romeinen 12:1,2 zegt.

Maar er is een tweede reden waarom we niet gemakkelijk mogen vaststellen dat Grote Verzoendag ons niets meer te zeggen heeft. We moeten niet vergeten dat Grote Verzoendag in het Oude Testament is ingesteld opdat de offerdienst, de omgang met de HERE in de dienst der verzoening, voortgang kon hebben. Zijn er aanwijzingen dat dat in het Nieuwe Testament óók zo is?

- De Bergrede en Grote Verzoendag

Het is - om te beginnen - opvallend dat in Mattheüs 6, waar het gaat over bidden, vasten en het geven van aalmoezen of doen van gerechtigheid, precies de elementen genoemd worden die kenmerkend zijn voor de (voorbereiding op) Grote Verzoendag.

Is het vergezocht een verband te leggen tussen dit hoofdstuk en Grote Verzoendag? Nee, ik denk het niet. In Mattheüs 5:23 zegt Jezus: ‘Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.’ Wat Jezus hier zegt is precies datgene wat in de Ontzagwekkende Dagen (= de tien dagen tussen de joodse Nieuwjaarsdag en de Grote Verzoendag) aan de orde is. In het joodse tractaat Joma, dat handelt over de Grote Verzoendag, staat geschreven: ‘Jom Kippoer verzoent de overtredingen van de mens tegenover God; de overtredingen tussen de mens en zijn naaste verzoent Jom Kippoer pas wanneer hij zijn naaste gunstig gestemd heeft.’ We doen er daarom goed aan de woorden van Jezus te horen, zoals ze in het Evangelie staan. En we weten het ook uit het Onze Vader: er kan geen sprake zijn van een vergeving van Godswege als ons hart onverzoenlijk is en blijft tegenover de naaste (zie Mattheüs 18:21-35!).

In Mattheüs 6 laat Christus zien, dat Hij ook Grote Verzoendag niet afschaft, maar tot zijn doel brengt. Het gaat ook voor de christelijke gemeente om die drie kernwoorden van Mattheüs 6: bidden, vasten en het doen van gerechtigheid. Waar het Jezus om gaat is duidelijk te maken dat dat alles alleen dan betekenis heeft voor het aangezicht van God, als wij ze in het verborgen verrichten, d.w.z. níet om door de mensen gezien te worden.

- ‘Bereid zijn in liefde en vrede met de naaste te leven’

Het lijkt me, dat alleen al uit deze gegevens blijkt, dat Christus de Grote Verzoendag inderdaad heeft vervuld, en dat dat er niet toe mag leiden, dat we menen dat de hele offerdienst nu heeft afgedaan. Integendeel: zoals de Grote Verzoendag in het Oude Testament diende om de offerdienst doorgang te laten vinden, en zo het hele leven op God te richten - zo komt het er ook in het Nieuwe Testament op aan, dat vanuit de verzoening in Christus heel ons leven een geestelijke eredienst wordt (Romeinen 12:1).

Maar eigenlijk is dat niet nieuw. In het avondmaalsformulier wordt ons de vraag gesteld of we van harte bereid zijn in vrede met onze naaste te leven. Er is geen toegang tot het Avondmaal voor hen, die weigeren te vergeven. Dat is - meen ik - precies wat in Israël rond Grote Verzoendag aan de orde is. En we doen er goed aan daar ernst mee te maken. Al was het alleen al om Israël duidelijk te maken dat Christus de Torah van Israël niet heeft afgeschaft, maar vervuld.

Maar minstens zo belangrijk is dat het ook voor onszelf nodig is: in dezelfde Brief aan de Hebreeën die de beslissende betekenis van Christus’ offer als vervulling van de Grote Verzoendag ontvouwt, lezen we ook de oproep in eigen leven ‘te jagen naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand God kan zien’ (12:14).

We zijn gewend dat te verstaan als betrokken op ons eeuwig heil. Dat is terecht. Maar zoals de Grote Verzoendag in de eredienst van Israël de grondslag was, die heel het leven droeg, zo kan ons persoonlijk en kerkelijk leven vandaag alleen voortgang hebben als wij ernst maken met de Grote Verzoendag van het Nieuwe Testament in heel ons bestaan.

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 38 nr. 4 (juni 1994)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi38-4c.php

vrede-over-israel/voi38-4c.php