pijl omhoog

Jodendom, christendom en de ‘nalatenschap’ van Jezus


Eind vorig jaar is opnieuw een geruchtmakend boek uitgekomen van prof. dr. H.M. Kuitert (Jezus: nalatenschap van het christendom. Schets van een christologie, Baarn 1998). Er is over dit boek al heel wat geschreven, en men kan de vraag stellen of er nog méér aandacht aan besteed moet worden - en vooral: of dat dan moet in Vrede over Israël.

De redactie heeft gemeend dat om twee redenen toch te moeten doen. De eerste is, dat in dit boek over Jezus ook de relatie van kerk en Israël op een ongebruikelijke en uitdagende manier aan de orde komt, die ons bij de kern van de zaak brengt. De tweede is, dat de Generale Synode ons opdroeg om ook aan moderne Israël-visies aandacht te geven.

Niet de tora, maar de verzoening verbindt

Na eeuwen van benadrukken van de verschillen tussen kerk en synagoge is er in deze eeuw - vooral sinds de Tweede Wereldoorlog - sprake van toenadering en herkenning. Velen hebben oog gekregen voor de gemeenschappelijke wortels van jodendom en christendom, en sommigen zijn zover gegaan te spreken van één joods-christelijke traditie. Inmiddels beseft men dat er verschillen zijn en blijven. Het lukt bijvoorbeeld toch niet om de boodschap van de Evangeliën samen te vatten onder het kopje: rabbi Jezus geeft onderricht in de tora.

Het lijkt op het eerste gezicht of Kuitert nu wat achter de ontwikkelingen aan komt. Terwijl in brede kring erkend wordt dat we het nieuwe in het optreden van Jezus niet mogen uitvlakken, stelt hij kortweg: ‘Jezus hing de joodse religie aan’ (21). Toch is zijn uitwerking origineel en tegendraads. Volgens hem hebben jodendom en christendom één vraag gemeenschappelijk: die naar de verzoening. De diepste eenheid van jodendom en christendom ligt volgens Kuitert dus niet in de tora, maar in de verzoening als bedekking van de schuld!

Om zijn gedachte kracht bij te zetten wijst hij erop dat jodendom en christendom één centrale dag op hun kalender hebben: de ‘verzoendag’. Voor de jood is dat Jom Kippoer of Grote Verzoendag, voor de christen Goede Vrijdag. Natuurlijk zijn er verschillen tussen die beide dagen, maar in de kern hebben ze volgens Kuitert hetzelfde ritueel. Je zou misschien kunnen zeggen: zoals de afkorting hetzelfde (GV) is, zo is ook de kern van het ritueel identiek - alleen de uitwerking en invulling verschilt in jodendom en christendom.

Verzoening als ritueel

Het woord ‘ritueel’ is een paar keer gevallen. Zo spreekt Kuitert over Christus’ ‘kruisdood als ritueel dat de overtredingen van de wereld, van de niet-joden, wegdraagt’ (179). ‘Ritueel’ duidt op een bepaalde liturgische invulling, waarin mensen ooit een zin gelegd hebben en die vervolgens ook erin vinden. Voor Kuitert is Christus’ kruisdood een ritueel van niet-joden, zoals blijkt in het zojuist aangehaalde citaat. De reikwijdte van Goede Vrijdag beperkt zich tot de deelnemers aan het ‘ritueel’.

Toch schrijft Kuitert dat dit ‘ritueel’ de zonden van de niet-joden ‘wegdraagt’. Bewust plaats ik het woord ‘wegdraagt’ hier tussen aanhalingstekens, omdat het precies de vraag of er iets weggedragen wordt. Het gaat in het ritueel van Christus’ kruisdood immers om een menselijke activiteit.

Maar - volgens de apostel Paulus was God toch in Christus de wereld met Zich verzoenende?! Op dit punt hebben we te maken met een fundamentele stelling van Kuitert, die hij zo’n 25 jaar geleden voor het eerst heeft geponeerd en die hij sindsdien trouw is gebleven, namelijk dat al onze woorden over ‘boven’, over God dus, hier op aarde gesproken worden - óók als mensen beweren dat iets van ‘boven’ komt en Woord van God is. Dit uitgangspunt verbiedt hem uit te gaan van een dienst van de verzoening, die door God zou zijn ingesteld. De hele offerdienst van het Oude Testament is een menselijk ontwerp: een poging om met God in het reine te komen, in de hoop dat God onze offers aanvaardt. Het is precies het omgekeerde van wat ons in alle toonaarden in de eerste vijf bijbelboeken gezegd wordt.

Bij zijn uitgangspunt kan Kuitert Jezus dan ook niet zien als de mensgeworden Zoon van God, als de Zoon die ons de Vader heeft doen kennen (Joh. 1,18). Nee, Jezus is niet ‘God-op-aarde’, zoals Kuitert het formuleert, maar een joodse man die Zichzelf helemaal niet als unieke Zoon van God - in de zin zoals de kerk belijdt - kàn hebben gezien. Dan zou Hij opgehouden hebben jood te zijn...

Wat scheidt jodendom en christendom volgens Kuitert?

Volgens Kuitert zijn jodendom en christendom in hoge mate identieke religies. Toch zijn de wegen van synagoge en kerk in de eerste eeuwen uiteengegaan. Hoe verklaart Kuitert dat? Na het bovenstaande ligt het voor de hand te denken: dat was toen de kerk Jezus beleed als de Zoon van God. Hoewel er niet weinigen zijn die beweerd hebben en nog steeds beweren dat dit het eigenlijke punt in geding was, en er daarom hartstochtelijk voor pleiten afstand te nemen van de belijdenis van het god-zijn van Jezus, zegt Kuitert dat niet. Dat is daarom zo opvallend, omdat Kuitert de godheid van Christus zelf ook op de meest rigoureuze wijze ontkent. Toch ziet hij er niet het eigenlijke breekpunt tussen kerk en synagoge in. Waarom niet?


Nu, er is Kuitert veel aan gelegen een andere benadering te bieden. Immers, als inderdaad kerk en synagoge op het punt van de belijdenis van de godheid van Christus zijn uiteengegaan, heeft hij een fundamenteel probleem met de kerk. Dan zou de kerk staan of vallen bij de afwijzing van zijn uitgangspunt, namelijk dat Jezus niet ‘God-op-aarde’ kan (geweest) zijn. En dat wil Kuitert niet, want dan zou hij zichzelf erbuiten plaatsen.

Maar wat was volgens hem dàn het eigenlijke punt dat jodendom en christendom uit elkaar heeft doen gaan? Historisch gezien pleit er ook het een en ander voor het breekpunt te leggen bij de andere visie op de joodse wet (de Halacha), die bij christenen ingang vond. Wie Handelingen 10 en 11 leest kan zich enigermate voorstellen wat het voor een jood als Petrus moet zijn geweest om het huis van een Romeinse officier binnen te gaan, waarin zonder enige twijfel afgodsbeelden opgesteld stonden. Het ‘apostelconvent’ in Jeruzalem (Handelingen 15) laat zien dat velen - óók in de jonge kerk van Jeruzalem - er moeite mee hebben gehad dat de heidenen de bekering ten leven geschonken werd, zonder dat ze zich behoefden te laten besnijden en alle voorschriften van de wet in acht te nemen.

Toch was ook dit volgens Kuitert historisch gezien niet het breekpunt tussen kerk en synagoge. Het speelde wel mee, maar het eigenlijke punt lag eronder. Dat is dat Israël ten tijde van het Nieuwe Testament en daarna de grootste moeite had met het doorbreken van de grens tussen Israël en de volken. Ze hadden altijd gehoord dat Israël het volk van God is, en dat Gods verkiezing zich beperkte tot Israël. Nu komen de volken erbij!? Dat kon men niet aanvaarden.

Tot zover Kuitert’s argumentatie. Ik meen te mogen zeggen dat hij in historisch opzicht geenszins kan overtuigen. Ten eerste was het Oude Testament - het verbond van God met Abraham! - van meet af aan gericht op ook het heil van de volken, zoals Kuitert zelf erkent (166). Bovendien was het jodendom ten tijde van het Nieuwe Testament wel degelijk missionair, en oefende het een grote aantrekkingskracht uit op de vele ‘godvrezenden’. Nee, het was historisch gezien het ‘succes’ van de kerk en de moeite om als jodendom na de verwoesting van de tempel, dat de synagoge ertoe bracht de deur naar de niet-joden te sluiten.

Een laatste argument tegen Kuitert’s gedachtengang is, dat als Jezus niet kan hebben geloofd dat Hij God-op-aarde was, men ook moet zeggen dat Hij niet kan hebben geloofd dat Hij de grenzen van het jodendom van zijn dagen doorbrak (vgl. Matth. 15,21-28). Als men zich niet op Hem kan beroepen voor de belijdenis van de kerk aangaande Hemzelf, dan ook niet voor de doorbraak naar de heidenen onder voorbijgaan van de gehoorzaamheid aan de wet.

De verkiezing van Israël en de ‘nalatenschap’ van Christus

De betekenis van Kuitert’s stelling dat Jezus als jood Zelf niet gedacht, laat staan gezegd kàn hebben dat Hij de Zoon van God is is niet alleen bepalend voor de wijze waarop hij het Nieuwe Testament leest. We hebben al gezien dat die gedachte rechtstreeks voortvloeit uit Kuitert’s ‘dogma’ dat alle spreken over ‘boven’ ‘beneden’ geschiedt. Daarmee maakt hij het zichzelf niet alleen onmogelijk alleen Gods komen tot deze wereld in Christus te denken, in feite neemt hij ook afscheid van de gedachte dat God met bepaalde mensen een geschiedenis aangaat, en daarmee van wat het Oude Testament ons vertelt van Gods bijzondere geschiedenis met Israël. Een God, die Abraham roept, Israël uitleidt uit Egypte, die in alle benauwdheden van zijn volk Zelf ook benauwd is - het zijn voor hem alleen maar woorden van ‘beneden’ over ‘boven’. Of er werkelijkheid aan beantwoordt? Kuitert meent dat we daar niets van kunnen zeggen.


Kuitert laat - zijns ondanks - zien dat het geheim van Israëls verkiezing en de belijdenis van Christus op het nauwst samenhangen. Als je de verkiezing van Israël tot niet meer dan menselijke interpretatie verklaart, wordt het jodendom een soort stam-godsdienst, met alle eigendunk en hoogmoed vandien. Kuitert zegt dat niet, maar ik zie niet goed hoe hij zich zou willen verweren als een ander die conclusie trekt. Wie Gods verkiezing van Israël niet kan erkennen als zijn genadig heilsplan, zal vrijwel onvermijdelijk het christelijke universalisme als ‘hoger’ en ‘edeler’ beschouwen. Het mag in de ogen van sommigen lijken alsof Kuitert een belangrijke barrière in de ontmoeting van kerk en Israël opruimt, omdat hij afscheid neemt van de belijdenis van de godheid van Christus - hij stelt er een nieuwe scheidslijn voor in de plaats.

Er is geen andere basis van echte toenadering en herkenning dan Gods genadige verkiezing en zijn verbond met Abraham, dat Hij Zelf vervuld heeft in de komst en het werk van Christus. De dienst van de verzoening in het Oude Testament, door de HERE gegeven, roept immers om een vervulling hier op aarde, die de kracht in zich bergt om de zonden der wereld werkelijk weg te doen. Als Jezus een notoire zondares aanvaardt, klinkt dan ook de vraag op: ‘Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft?’ (Lucas 7,49). Het antwoord van het Nieuwe Testament luidt: Hij is de Zoon van de levende God, die gekomen is om de belofte aan Israël te vervullen. Hij is niet maar de nalatenschap van het christendom in het moderne Europa - een ‘nalatenschap’, die door mensen in leven moet worden gehouden en dus mogelijk in onze tijd dood kapitaal kan blijken te zijn. Hij is de levende Zoon van God die door zijn Geest zondaars als ‘erfgenamen’ doet delen in de ‘nalatenschap’ van zijn dood en opstanding: de verzoening met God en de aanneming tot zonen. Zo en zo alleen is de zegen van Abraham tot ons heidenen gekomen, en zijn we in Israël ingelijfd...

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 43 nr. 1 (feb. 1999)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi43-1c.php

vrede-over-israel/voi43-1c.php