pijl omhoog

Herleving in de Doodsvallei

Enkele overwegingen bij Ezechiël 37:1-14

1

Altijd heb ik dit een boeiend bijbelgedeelte gevonden. En ook wel geprobeerd er over te preken - na Pasen of Pinksteren. Want lees je hier niet een geweldige belofte van opstanding en leven?

Zo is het ook vaak toegepast op de kerk. Ik hoor iemand haar nog aanduiden als ‘een knekelveld’, waarover nodig de adem van de Geest moet waaien. Daar kan veel waars in zitten. Maar zijn we hierbij niet, zoals wel vaker, al te snel aan Israël voorbijgegaan?

2

Diepe indruk hebben deze profetische woorden op me gemaakt, toen ik voor het eerst op Massada was, de hoge afgeplatte rots bij de Dode Zee, het laatste bolwerk van de Joden in hun vrijheidsstrijd.

We stonden daar bij de ruïnes van een synagoge. De gids vertelde dat daar - tussen allerlei andere dingen - ook verbrande resten waren gevonden van oude boekrollen. Het enige dat nog ’n beetje leesbaar was, was ... Ezechiël 37, 1-14. Het gaf me een schok.

Het kwam scherp en troostvol op me af: dat juist dáár, temidden van puinhopen die herinneren aan vergane glorie en aan verloren vrijheid - dat juist dáár deze goddelijke belofte van herstel van Israël gevonden is! De belofte van terugkeer uit het graf van ballingschap, verstrooiing en onmacht.

En ik vroeg me af: hoe komt het toch dat we dit zo weinig concreet gelezen hebben?

3

Het is een luguber schouwspel dat Ezechiël te zien krijgt en goed in zich moet opnemen: een laagvlakte vol dorre beenderen, een massagraf.

Kennelijk heeft er een slachting plaatsgevonden - één van de vele ‘holocausten’, waardoor Israël getroffen is. Daarbij zijn talloze mensen gedood, verminkt en uiteengeslagen: hier een schedel, daar een romp, een arm, een been... De gloeiende zon en de hete woestijnwind hebben de stoffelijke resten totaal verdroogd en verbleekt. Geen vonkje leven is daar nog te bespeuren. De ‘stille omgang’ door dat dal laat dat overtuigend zien.


Toen na de 2e wereldoorlog een Amerikaans officier het concentratiekamp Bergen-Belsen bezocht en daar al die graven en lijken zag, reageerde hij geschokt: ‘wat Ezechiël in de geest zag, zag ik in werkelijkheid’.

4

Naar de betekenis van deze totale en verschrikkelijke doodstoestand hoeven we niet te gissen. In vs 11 wordt dat aangegeven: ‘deze beenderen zijn het gehele huis Israëls’.

Vréémd: dit wordt van lévenden gezegd. Maar die levenden zélf zeggen: ‘het is met ons gedaan’ - en dat ook wel heel definitief, zoals duidelijk te constateren is: levend begraven in de ballingschap, verstrooid onder de volken, in een toestand van volslagen uitzichtloosheid en onmacht - ‘onze hoop is vervlogen’. Noem dit maar ‘triomf van de dood’: geen kracht meer om te leven...

Wat moet je bij zo’n massagraf beginnen? Dek het maar toe met aarde, leg er bloemen bij, richt een monument op of maak er een tentoonstelling van zoals dat b.v. in Yad Washem te zien is: herinnering aan 6 miljoen Joden, waaronder 11/2 miljoen kinderen, in de 2e wereldoorlog vergast of op andere wijze omgebracht...

5

Het wordt hier niet gezegd, maar in de voorgaande hoofdstukken van Ezechiël wordt wel duidelijk gemaakt waardoor Israël in de ballingschap gekomen is: door de ontheiliging van de Naam, door de ontrouw aan God, door het verbreken van het verbond.

Waar de band met de Here wordt doorgesneden in ongehoorzaamheid gaat de dood heersen...

Is dat dan het - definitieve - einde?

6

Ineens klinkt dan die vraag: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven’? Zal Israël vernieuwd worden? Niet alleen terugkeren, maar ook een werkelijk lévend Godsvolk worden? Dat lijkt onmogelijk. De feiten zijn immers duidelijk: dood is dood...

En als amechtig mensenkind kun je daar ook niets aan veranderen... - zelf stof en aan het sterven prijsgegeven...


Maar toch: alleen die vraag van Godswege al mag/moet hoop geven, maakt opening. Is Hij niet de Almachtige en Getrouwe? Overmachtig, dwars tegen feiten in en boven onmogelijkheden uit klinkt een veelvoudig ‘Ik zal’. Daarbij is tot twee keer toe sprake van het openen van graven en het daaruit doen opkomen (vss 12.13).

En ontroerend van trouw is het eveneens twee maal herhaalde ‘o, mijn volk’. Toch nog. Ondanks alles. En hoe uiteengeslagen ook. Hierin hoor ik Gods hart, dat klopt van onberouwelijke roeping (vgl. Rom.11,29).


Ondubbelzinnig lees ik hier de krachtige belofte voor Israël van terugkeer, herstel en wonen in het land. Daarover mag absolute zekerheid bestaan.

En dit zal uitlopen op het weten, het erkennen en het beleven dat het de HERE is, de God-van-het-verbond, de eeuwig Getrouwe, die dit doet.

(Hoe we als gemeente van het Nieuwe Verbond hierbij betrokken mogen zijn, stellig na Pasen en met Pinksteren, laat ik nu even rusten - de eerste blikrichting is Israël).

7

Hoe komt dit nu tot stand? Bij het goddelijk Ik zal wordt het mensenkind ingeschakeld: dat moet profeteren, spreken namens de Here.


Eerst tot die verstrooide en verbleekte beenderen: hóórt!!


Wie ooit bij een begrafenis zoiets meemaakte - een woord tót de overledene - mag dat terecht dwaas vinden. Soms lijkt ook de prediking dwaas: aan dovemens-oren gericht. Of zou de Here Jezus bij zijn woorden die we in Joh. 5,25-29 lezen ook aan dit gebeuren gedacht hebben?

En het mensenkind, dat uit zichzelf niet kan geloven in herleving, krijgt vanuit het gelovige ‘Gij weet het’ de moed om te spreken namens Hem die bij machte is doden te doen herleven.

Er komt een beweging: botje bij botje, totdat daar complete lijven liggen.


Maar dat is nog niet genoeg. Een tweede wonder moet gebeuren.

Zoals bij de schepping de Here God de mens formeerde uit stof en hem toen de levensadem inblies, zó is ook hier een levendmaking nodig door de Geest.

8

Twee dingen lees ik hier: nationaal én geestelijk herstel. Als een verrijzenis uit de dood.

Wanneer we - voorzichtig - mogen zeggen dat het eeuwenlang niet verwachte herstel van Israël en de terugkeer naar het land ‘een ontluikend begin van de verlossing’ zijn, dan moeten wij maar beginnen met de erkenning dat ook lange tijd ‘een bedekking’ op ons gezicht gelegen heeft met betrekking tot het lezen en het verstaan van dit schriftgedeelte. Tot veler verrassing is er onmiskenbaar sprake van vervulling van deze belofte - vóór en ná 1948.


Maar vervulling betekent niet dat nu in één keer ook meteen alles voltooid en afgelopen is. Wat merken we - om het vragenderwijs te stellen - van de Geest in Israël? Geeft dit bijbelgedeelte geen aanleiding om méér voor Israël te hopen dan wat we er nu van zien? Dat geldt temeer, omdat Christus gekomen is, dé Opstanding en hét Leven. Is dan juist niet vanwege Hem en Zijn volbrachte werk nog méér te verwachten?

9

Het zou kunnen zijn dat de taak van de kerk nú erg veel moet lijken op die van het mensenkind Ezechiël: namens de HERE spreken tot mensen en evenzeer in de Naam van God om zo te zeggen de Geest oproepen tot het waarlijk levendmakende werk: een herschepping, opdat Israël ook waarlijk erkent dat de HERE God is.

Dat profeteren zou een holle klank zijn, wanneer we niet zelf - als kerk - volop leven in de kracht van het profetische Woord en van de levendmakende Geest.

10

Laten we ons maar ootmoedig aansluiten bij het tweede van het zgn. ‘Achttien-gebed’:


Gij zijt machtig voor altijd, Heer;
Gij doet doden herleven.
Groot zijt Gij in bevrijden...
Wie is als Gij,
Heer van machtige daden,
en wie is U gelijk,
Koning die doodt en doet leven
en bevrijding laat ontspruiten.
Getrouw zijt Gij
in het doen leven van doden.
Gezegend Gij, Heer,
die de doden doet leven.’

ds. Hedde Biesma
Vrede over Israël jrg. 46 nr. 2 (mrt. 2002)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel