‘Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David...’

Schriftstudie over Mattheüs 15:21-28


‘Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David...’ Hij echter antwoordde haar geen woord... Het is in het Evangelie uniek, dat Jezus niet antwoordt op een roep om erbarmen.

Zeker, Christus zwijgt, als men uit zijn mond een veroordeling wil horen van een vrouw, die op overspel betrapt is (Johannes 8). Of als Hij verhoord wordt door de hogepriester, alleen maar om Hem te kunnen veroordelen (Mattheüs 26).

Maar hier klinkt een roep om hulp, uit de mond van een niet-joodse vrouw uit de omgeving van Tyrus en Sidon, en Jezus antwoordt niet. In vers 25 lezen we: ‘zij kwam...’ Dat geeft aan, dat ze al eerder tot Jezus gekomen is, maar ze is weggegaan zonder een woord van Jezus, en nu komt ze opnieuw. Kennelijk heeft Jezus deze vrouw laten weggaan, met haar nood en verdriet.

Ook al helpt Jezus haar uiteindelijk, dat neemt niet weg dat deze Kanaänitische vrouw de pijnlijke ervaring heeft gehad dat Jezus zweeg op haar roep om hulp. ‘Hij zal de Redder zijn der armen, Hij hoort hun hulpgeschrei, Hij is met koninklijk erbarmen, hun eenzaamheid nabij...’ Maar het was niet voor haar...

Het moment, waarop deze vrouw komt...

We lezen in vers 21 dat Jezus vandaar wegging en Zich terugtrok. Hij was in het hart van Israël, in een discussie met Farizeeën over rein en onrein, die leek te gaan om de zuivere dienst van God, maar in vers 8 haalt Jezus Jesaja aan: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.’ De Farizeeën nemen aanstoot aan Jezus, staat er. Begrijpelijk, als Jezus hen ‘blinden, die andere blinden leiden’ noemt. In die situatie wijkt Jezus uit naar de omgeving van Tyrus en Sidon, zoals iemand doet, die een confrontatie uit de weg gaat.

En zie! Moet je nu eens horen! Stuit Jezus in Israël op een muur van afwijzing, van weigering om Hem te begroeten als de van God gezondene - komt daar ineens een heidense vrouw uit die streek naar Hem toe! Wie had dat nu kunnen denken?!

Mattheüs noemt haar een Kanaänitische. Dat is een naam, die we kennen uit het Oude Testament, maar die in die tijd niet meer in gebruik was. Het is het volk, dat er woonde, voordat Israël er kwam. Ze dienden de Baäls, en verleidden Israël de HERE te verlaten (Izebel!).

Uit dàt volk komt iemand naar Jezus toe, noemt Hem ‘Heer’, d.i. Degene die alle macht heeft in hemel en op aarde, en dus boven alle goden uit gaat. En in één adem laat ze erop volgen: ‘Zoon van David’. Dat is: de beloofde Messias. Kennelijk was de messiasverwachting van Israël in dat heidense gebied doorgedrongen!

Maar dàt is een contrast! In Israël afwijzing; buiten Israël erkenning, en roep om erbarmen. Geen gekissebis over rein en onrein, geen gehuichel, maar ‘Ontferm U!’


Waarom kan Jezus daarop niet ingaan? Hij zegt het Zelf: ‘Ik ben slechts gezonden is tot de verloren schapen van het huis van Israël.’ Tot de schapen, die geen Herder hebben. In Mattheüs 9,35-38 staat dat Jezus de scharen zag, en met ontferming bewogen werd, omdat ze waren als schapen, die geen herder hebben. Dáárvoor heeft zijn Vader Hem gezonden.

Jezus is gezonden tot Israël. Want God heeft Abraham uitgekozen en gezegd: ‘met jou, Abraham, zullen alle volken der aarde gezegend worden.’ Eerst de jood, en dan de Kanaäniet.

De moeite voor Jezus

Maar is deze vrouw niet een teken voor Jezus, dat Hij Israël maar moet vergeten - en zijn werkterrein verleggen? In Israël gaat het over schijnvertoningen - en hier om echte dingen...!

Toch is dat niet zijn reactie. Hij zwijgt. Maar Christus’ zwijgen is niet hetzelfde als negeren. Er staat: Hij antwoordde haar geen Woord. Wat wil dat zeggen? Nu, als Jezus, die het vleesgeworden, reddende Woord van God is, iets terugzegt op een roep om erbarmen, dan kàn dat niet afwijzend zijn.

Maar is het dan omdat deze vrouw een heidense is? Nee, want in de synagoge te Nazareth heeft Jezus Zelf gezegd: ‘Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, maar hij werd tot geen van hen gezonden, maar wel tot een weduwe in Sarepta, bij Sidon...’ Sidon, dat is waar we hier ook zijn.


Waarom antwoordt Jezus haar geen Woord? Dat kan alleen zijn, omdat de Vader Hem niet de opdracht daartoe heeft gegeven. De kern van Jezus’ weg is immers gehoorzaamheid aan de Vader. Tegen Elia heeft de HERE gezegd: ‘Maak u gereed, ga naar Sarfath, dat aan Sidon behoort, en houd daar verblijf. Zie, Ik heb een weduwe daar geboden u te verzorgen.’ (1 Koningen 17:9) Maar Jezus is niet tot deze vrouw gezonden. Daarom spreekt Hij geen Woord.

Hij kan haar niet geven wat ze vraagt, omdat de Vader Hem niet tot haar heeft gezonden. En Hij wil haar niet afwijzen. Hij die het Woord is kan geen woord spreken, dat mensen die Hem aanroepen in de nood, afwijst. ‘Wie Hem aanroept in de nood, vindt zijn gunst oneindig groot!’

Gesprek in Israël...

Er wordt hier een gesprek gevoerd in Israël. Een gesprek tussen Jezus en zijn discipelen. Een gesprek binnen de kring van hen die in het licht staan van Gods roeping en verkiezing in Abraham.

Nee, binnen die kring is het niet zó, dat het allemaal goed zit, dat je ‘er bent’. Het hele verband waarin dit gedeelte staat spreekt van de spanningen en conflicten tussen Israël en de hun door God gegeven Messias. Maar dat geding tussen de HERE en het volk van zijn verbond geeft ons niet het recht ons erin te mengen. Mee te praten, alsof we er zelf bij horen.


Heeft de vrouw gehoord, wat Jezus tot de discipelen zegt? Ik weet het niet. Maar ze is er weer, en ze roept: ‘Heer, help mij!’ En dan antwoordt Jezus, met een beeld uit het dagelijks leven: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.’

Vergeet niet: het was onvoorstelbaar arm in die streken, en de belastingen van de Romeinen mergelden de mensen uit. Je kon het je kinderen niet aandoen brood, dat voor hen bestemd was aan de honden voor te werpen.

Deze heidense vrouw heeft dit gesprek binnen Israël gehoord. En ze praat nu niet mee, alsof ze één van hen is. Ze dringt zich niet binnen in dat verbond, in die unieke en intieme relatie tussen God en zijn Israël.

Maar ze ziet een opening waar zij met haar nood terecht kan, met erkenning van het voorrecht van Israël. Ze heeft het beeld herkend en meteen begrepen wat Jezus ermee wil zeggen. En ze ziet de opening voor haarzelf. ‘Zeker, Heer, U hebt gelijk - maar ook de honden eten van de brokken, die van de tafel van hun meesters vallen.’ Bij gebrek aan zeep en water maakte men vettige handen droog en schoon met restjes brood. Die brokken eet je natuurlijk niet op - die zijn voor de honden.


Nú kan Jezus antwoorden, want deze vrouw vraagt alleen maar om de brokken, die de kinderen Israëls niet hoeven. ‘Groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst.’

Ze heeft volgehouden. Ze heeft gewacht op een woord van Jezus. En als Hij een woord geeft, dan weet ze in dat Woord haar eigen plek. Ze vraagt niet in een geest van hoogmoed en eigenwaan: ‘geef mij in plaats van Israël’. Nee, ze vraagt van de brokken die overblijven!


Heeft zij ons daarmee niet veel te zeggen? Op wie lijken we: op het Israël, dat we hier tegenkomen, dat achter de façade van een vrome buitenkant een hart heeft, dat met dat Woord helemaal niet bezig is, omdat het zich rijk waant? Dat zegt: ‘Ik dank U, HERE, dat ik niet ben zoals ...’? Dat meent toegang tot God te hebben op grond van eigen verkiezing en wetsonderhouding?

Deze vrouw staat bij die andere deur. ‘Ik weet wel, ik heb geen voorrangspositie. Ik weet: Israël is de eerste. Maar zei U niet: ‘verloren schapen’? Zoekt U niet het verlorene?’ Zij zoekt het Woord af op een opening, op houvast, op pleitgrond.


‘O vrouw, groot is uw geloof!’ Welk geloof? Wat voor geloof? Nu, niet een enorm basisvertrouwen, dat alles goed komt. Een groot geloof - dat is: het Woord beetpakken en vasthouden. En wie dat Woord beetpakt, die heeft ‘beet’, die heeft God vast. Wie op de God van dat Woord vertrouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Het evangelie van Christus’ trouw aan Israël voor ons

Christus is geheel en al Zoon van zijn Vader, gehoorzaam. Hij gaat niet eigener beweging buiten Israël. En dat is niet uit angstvalligheid. Nee, het is omdat Hij één is met de Vader in zijn trouw aan Israël. Ook als Israël Hem afwijst, en Hij moet wijken - dan is dat wijken opdat Hij voor de zonden van Israël zou sterven op Golgotha. Als op de eerste bladzijde van Mattheüs staat, dat zijn naam ‘Jezus’ betekent, dat Hij ‘zijn volk zal redden van al hun zonden’, dan is dat een citaat van Psalm 130: ‘o God, verlos Israël van al zijn ongerechtigheden!’


Dat Christus deze heidense vrouw niet antwoordt is omwille van Israël, is genade. Als Hij Israël had losgelaten, als de Vader Hem die weg had gewezen, dan zou God zijn verbond met Israël kunnen opgeven, niet meer van ontferming weten. Maar de HERE is trouw, en Hij blijft Israël zoeken, om hen te verlossen.

Van die genadige trouw moet ook deze vrouw - en wij! - het hebben. Ze vraagt dan ook om brokjes die van de tafel van Israël vallen. Brokjes van die genade, waaraan een mens zich helemaal kan overgeven, die echt voldoende is om ons tot in alle eeuwigheid te behouden.


Nog één ding. Wat hier plaatsvindt is meer dan een incident. Lees maar: in Mattheüs 14,13-21 lezen we hoe Christus de scharen voedt. Er blijft brood over, twaalf korven vol. In Christus is genoeg voor de twaalf stammen van Israël. Als Jezus uit het Syro-Fenicische land is teruggekeerd in Israël, vindt opnieuw een wonderbare spijziging plaats (Mattheüs 15,29-39). Nu blijven zeven korven over. Genoeg voor de zeventig volken der wereld.

Zó gaat Christus zijn weg naar Jeruzalem, waar Hij veel moet lijden van de zijde der oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden. Hij ontwijkt het niet. Want het is de weg, waarlangs Hij wordt waarvoor Hij gezonden is: brood der wereld.

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 47 nr. 1 (jan. 2003)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel