pijl omhoog

Israël in de verkondiging van de kerk

Het probleem

Omstreeks het jaar 135 concludeert een zekere Marcion dat het Oude Testament achterhaald is door de komst van Christus. Hij stelt: Het Oude Testament gaat over de oordelende, oorlogszuchtige Schepper-God, terwijl het Nieuwe Testament over een andere, vredelievender God gaat. Als Christus in zijn liefde en goedheid ons de Vader laat zien, dan moet die Vader een ander zijn dan de God van Israël. Hij schrapt dan ook het Oude Testament en in het Nieuwe Testament schrapt hij alles wat teveel aan de oudtestamentische Schepper-God doet denken.

Het antwoord van de kerk is duidelijk. Marcion wordt in het jaar 144 in Rome uit de gemeente gezet. Maar daarmee is het probleem nog niet opgelost, ook al heeft de kerk het Oude Testament in de Heilige Schrift bewaard.


De vraag is: hoe functioneert dat eerste testament in de verkondiging van de kerk? De God die in het Oude Testament aan het woord is, spreekt tot Israël. Als er dan in de kerk gepreekt wordt vanuit het Oude Testament, speelt Israël zelf dan in de verkondiging ook een rol? En zo ja, wat is dan de plek die Israël ontvangt? Is het feit dat ‘het heil uit de Joden’ is alleen maar van historisch belang, of heeft dat ook actuele betekenis? En zo ja, komt dat in de verkondiging ook aan de orde? In hoeverre blijft het besef levend, of moet het levend blijven, dat God zich in de eerste plaats tot Israël gericht heeft en nog richt? Wordt in de praktijk van de verkondiging de oudtestamentische tekst niet te snel in verband gebracht met Jezus, met voorbijgaan van Israël uit verleden en heden?

Actueel

De actualiteit van deze problemen moge blijken uit o.a. een tweetal geschriften. Het eerste is uit 2001 van de Pauselijke Bijbelcommissie, getiteld: Het joodse volk en zijn heilige geschriften in de christelijke bijbel. De huidige Paus Benedictus XVI, toen nog kardinaal Ratzinger, heeft er een grote hand in gehad.

Deze studie zet uiteen waarom het Nieuwe Testament niet begrepen kan worden zonder het Oude Testament en neemt uitdrukkelijk afstand van de opvatting, dat het Oude Verbond van God met het Joodse volk afgedaan zou hebben en vervangen zou zijn door het Nieuwe Verbond met de christenen.


Het tweede is uit 2004, een boek van dr. Rein Bos, getiteld: Wij hebben gehoord dat God met u is, met als ondertitel: Preken vanuit het Oude Testament. In deze publicatie wordt expliciet ingegaan op de oude vraag die in de christelijke kerk telkens weer tot leven komt: ‘wat heeft het Oude Testament ons, christenen, te zeggen?’


Ook in de ontmoeting en het gesprek met Joden wordt het probleem soms concreet voelbaar. Van joodse zijde wordt ons, christenen, soms het verwijt gemaakt dat we ‘hun’ Schriften annexeren. De profetische heilsbeloften aan Israël worden dan onmiddellijk toegepast op de Christus of op de kerk. Israël zelf speelt in dat geheel geen enkele rol meer. Dat betekent dus in de praktijk, dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen, terwijl we nu juist zeggen dat dit niet het geval is. Blijkt dat laatste dan ook uit de wijze waarop er uit het Oude Testament gepreekt wordt?

Kanttekeningen bij een preek

Om het probleem wat scherper te tekenen, wil ik het voorgaande illustreren aan de hand van enkele kanttekeningen bij een preek die ik in 1999 heb gehouden over Jesaja 42:1-4, een gedeelte uit de eerste profetie aangaande de knecht van de HERE.


Jesaja 40 en volgende hoofdstukken vertellen van aanstaande verlossing en bevrijding voor een volk dat in ballingschap zucht. Maar het kost heel wat moeite om de mensen zover te krijgen, dat ze het ook geloven en ervan opleven. Jesaja 42 is ook weer zo’n passage die een nieuwe geest wil brengen in het bestaan van Israël.


Nu hebben wij, christenen, de neiging om van deze tekst onmiddellijk de overstap naar het Nieuwe Testament te maken. De knecht, die door God verkoren is en in wie Hij een welbehagen heeft, is dan Jezus. Die gedachte wordt nog eens luid en duidelijk bevestigd door Mattheüs 3:13-17 waarin een stem uit de hemel Hem aanwijst als ‘mijn Zoon, de geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb’. De Geest Gods daalde op Hem neer. Hoezeer dit gedeelte ook uit te leggen is en uitgelegd wordt vanuit de situatie van Israël in ballingschap - uiteindelijk gaat Jesaja 42 dan toch over Jezus.

De vraag is nu, of we de oudtestamentische tekst hiermee recht doen. Niet dat deze tekst niets met Jezus te maken zou hebben. Maar moet de verbinding wel zo direct gelegd worden en zitten er ook niet andere lagen in verborgen? Moeten we de tekst niet rustig laten uitspreken zonder hem direct te laten zeggen wat we al vermoedden?


De vraag die telkens weer gesteld wordt, is: wie is die knecht? Die vraag is terecht, maar tegelijk ook een valkuil. Want door te zoeken naar een antwoord op die vraag, bestaat het gevaar dat je bepaalde aspecten die ook in de tekst verborgen zitten, laat liggen.

In de preek uit 1999 heb ik uit de vele antwoorden die de commentaren geven, er één gekozen. Ik ben ervan uitgegaan dat er iemand is geweest die aan de mensen in Babel is voorgesteld als een knecht van de HERE, zoals een nieuw kabinet door een kabinetsformateur wordt voorgesteld of een naaste medewerker die door de directeur wordt geïntroduceerd.

Ik plaats daar nu een kanttekening bij. In Jesaja 41:8-10 vind je allerlei bewoordingen die ook doen denken aan Jesaja 42:1-4, of omgekeerd. Alleen is daar duidelijk dat met de knecht het volk Israël bedoeld is, dat met de oude aartsvadernaam Jacob wordt aangeduid en met nakroost van aartsvader Abraham. Waarom zou in Jesaja 42 iemand anders bedoeld zijn? Ik laat de vraag open, maar ik vind wel dat hij gesteld moet worden om de tekst de kans te geven voor zichzelf te spreken.

De werking van de tekst

Is er wat van deze hoopvolle profetie terechtgekomen? Zeker, wel wat. In een nieuwe exodus trok Israël uit Babel. Alles werd anders. Maar of nu echt alles anders is geworden...?


Het is net alsof de woorden van de profetie nog ergens op wachten. En dan horen we het evangelie van Jezus. De woorden van de profetie worden in Hem toch levend? Gods Knecht, die de nacht openbreekt voor het licht; die het recht brengt op aarde.


Maar is de tekst hiermee uitgesproken? Wat was de taak van de knecht? Israël weer tot Israël maken; aan Israël laten zien dat God het volk niet afgeschreven heeft; dat het er mag zijn en dat de Here het wil gebruiken. Het volk Israël heeft een taak in de wereld. Om als volk ook knecht van de HERE te zijn en voor het forum van de volken te laten zien wie de HERE is. Datzelfde kan gezegd worden van Jezus.


En dat hoort de nieuwtestamentische gemeente. Betekent geloven nu ook niet, dat de gemeente in het dienen van de knecht betrokken wordt? Het onderwijs van de knecht mag door de dienst van de gemeente handen en voeten krijgen in de wereld. Dan is de gemeente zelf knecht van de HERE geworden die aan anderen mag laten blijken wie de HERE is. Dan wordt Jesaja 42 zomaar weer opnieuw levend. Met andere woorden: deze tekst is niet slechts voor één uitleg vatbaar. Er bevinden zich meerdere lagen in de tekst die in de verkondiging een plaats kunnen krijgen.

Geen plaats ontzegd

Wanneer de kerk de verkondiging laat klinken vanuit een tekst uit het Oude Testament, dan zal ze zich ervan bewust moeten zijn dat Israël de eerst geadresseerde was. Het wordt nog spannender, als ook ‘het huidige Israël’ in al zijn verscheidenheid die plaats niet wordt ontzegd en dus ook tot de eerst geadresseerde wordt gerekend. Daardoor wordt de kerk ervoor bewaard om het Oude Testament te annexeren en aan Israël te ontvreemden. Dit kan tot verrassende inzichten leiden, waardoor ook voor de gemeente het Oude Testament meer zeggingskracht krijgt.


Er kan naar aanleiding van Mozes en de profeten van Christus worden getuigd. Maar daarmee hoeft het Oude Testament niet op te gaan in Christus. Het wordt om zo te zeggen geen achterhaald station. Het Israëlitische, joodse karakter van een tekst met alle concreet aardse aspecten van dien hoeft niet te verdampen om plaats te maken voor een diepere, christelijke vulling. Het gaat in de verkondiging om God, die we telkens weer met twee woorden zullen moeten aanduiden: de God van Israël, de Vader van onze Here Jezus Christus. Doen we dat niet, dan krijgt in de verkondiging Marcion onbedoeld toch gelijk en wordt Israël en het Oude Testament de plaats die hun toekomt, ontzegd.


Dit artikel is niet bedoeld als een laatste woord in deze kwestie. Het is wel een pleidooi om in de (voorbereiding op de) verkondiging ernst te maken met de vraag wat het betekent dat de kerk niet in de plaats van Israël is gekomen.

ds. Jan Groenleer
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 1 (jan. 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel