pijl omhoog

Jeruzalem door middeleeuwse ogen

Verlangen naar iets tastbaars

Zolang er christenen zijn, heeft de stad Jeruzalem op hen aantrekkingskracht uitgeoefend. In feite een vreemde aantrekkingskracht, want door Christus’ werk was de genade van God niet meer tijd- en plaatsgebonden, maar overal en voor iedere oprechte gelovige toegankelijk. Maar het zit nu eenmaal in de mens te zoeken naar iets wat tastbaar is.


In de middeleeuwen was die drang naar tastbaarheid heel groot. Dat uitte zich in kerken vol beelden, relieken, schilderijen, enzovoort. Ook ‘de gewone man’ droeg allerlei attributen met zich mee die op de een of andere manier een verbinding vormden tussen de gelovige en God. Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn er heel veel van die attributen teruggevonden (met dank aan de metaaldetector). Het gaat bij de teruggevonden attributen vaak om insignes, kleine loden, tinnen of koperen speldjes waarop een heilige stond afgebeeld. Deze afbeelding speldde de middeleeuwer op zijn kleding. Zo’n insigne was te verkrijgen bij een bedevaartplaats waar de afgebeelde heilige werd aanbeden.

Erg moeilijk was het niet om zo’n bedevaartplaats te vinden, want vrijwel elke kerk had een eigen heilige, en de afbeeldingen op de insignes laten dus allerlei verschillende heiligen zien. Maar ook andere afbeeldingen komen veel terug: de Jakobsschelp, sleutels en de palmtak. De Jakobsschelp kon een middeleeuwer verkrijgen door op bedevaart te gaan naar Santiago de Compostela. De sleutels stonden symbool voor een pelgrimage naar Rome, de plaats van de paus, die het ‘sleutelbeheer’ van Petrus had overgenomen. En de palmtak stond symbool voor een voltooide pelgrimage naar Jeruzalem.

Jeruzalem, een geliefd pelgrimsoord

Dat middeleeuwers de lange tocht naar Rome of Santiago de Compostela ondernamen, daar is nog iets bij voor te stellen. Het is ver, een zware tocht, maar het is te overzien en de reis is volledig over land. Maar dat individuele middeleeuwers de tocht naar Jeruzalem ondernamen, ligt minder voor de hand. Hoe konden zij een boot bekostigen? Hoe konden zij er zeker van zijn dat zij door de kapitein niet afgezet werden? Hoe voorkwamen de pelgrims dat ze in het Heilige Land bestolen werden door de bevolking? In welke taal spraken zij met de bevolking? Hoe wisten zij in het Heilige Land eigenlijk de weg? Allerlei vragen die de moderne mens doen denken dat de reis naar Jeruzalem voor een middeleeuwer vrijwel ondoenlijk geweest moet zijn.


Toch is dat een voorstelling die ver van de waarheid afligt. De reizen naar Jeruzalem waren in de late middeleeuwen zeer strak geregeld. Wilde iemand naar Jeruzalem, dan kon hij of zij naar Venetië gaan en daar een standaardreis ‘boeken’. Hij was dan verzekerd van een plek aan boord van een schip dat was gecontroleerd door Venetiaanse opzieners. Deze opzieners hielden in de gaten dat de prijs niet te hoog was, dat er voldoende eten aan boord was, dat de pelgrim een goede slaapplek kreeg aangewezen op het schip, enzovoort. Voldeed een schipper niet aan de eisen, dan werd hij op de vingers getikt of uitgesloten van deelname aan pelgrimsvervoer. Ook inbegrepen bij de reis was het vervoer in het Heilige Land zelf (ezels!), het onderdak en de rondleiding in Jeruzalem en omstreken. In Venetië zelf waren gespecialiseerde winkeltjes waar alle benodigdheden voor een pelgrimage te koop waren, of zelfs te huur. De matras bijvoorbeeld kon na terugkomst uit het Heilige Land weer ingeleverd worden in de winkel. Al bleven er natuurlijk onvoorziene uitgaven en al waren (flinke) fooien soms nodig, over het algemeen werd de pelgrim goed beschermd door regelgeving en kon zich volledig richten op het geestelijke doel van de reis: dichter bij God komen én aflaten verdienen.

Bloeiperiode

Middeleeuwers maakten van deze mogelijkheid gebruik: de late middeleeuwen zijn een bloeiperiode van de pelgrimage naar het Heilige Land. Tussen 1300 en 1599 nam het aantal pelgrims steeds toe. Vooral in de tweede helft van de vijftiende eeuw trokken veel pelgrims naar Jeruzalem.

Tijdens of na de reis stelden zij hun reisavonturen op schrift (of lieten dat doen), waardoor wij nu weten hoe zo’n pelgrimage in z’n werk ging en welk plekken in het Heilige Land zoal bezocht werden. Het zijn zeg maar de reisdagboeken van vroeger die nu de wereld van de middeleeuwse Jeruzalemganger doen herleven.

Het bijzondere aan een willekeurig pelgrimsverslag uit de middeleeuwen is de ontdekking dat er eigenlijk in al die eeuwen niet zoveel veranderd is. Een moderne christelijke bezoeker van Jeruzalem zal in grote lijnen dezelfde plaatsen bezoeken die ook toen al bezocht werden: de Tempelberg, de Olijfberg, de Heilige Grafkerk, de stadspoorten en ga zo maar verder. Wat de middeleeuwse verslagen vooral interessant maakt, is wat er verschilt ten opzichte van vandaag.


Hieronder volgt dus geen uitgebreid verslag van wat een pelgrim zoal deed, maar een verslag in grote lijnen, met aandacht voor opvallende details.

Op weg naar het Heilige Land

Het begint al met de reis: uiteraard wordt steeds weer verteld over de verlangens die er zijn naar het Heilige Land. Steeds weer komt terug dat er gezongen wordt op de schepen, de bekende pelgrimspsalmen (121, 125). Maar ook buikklachten worden gemeld, of onderlinge irritaties. Zo is er een verslag waarin wordt verteld over een kwebbelzieke vrouw, die ‘per ongeluk’ werd vergeten bij een tussenstop. Ze kon erachteraan varen en weer opstappen...


Waren de pelgrims na weken varen eindelijk aangekomen bij het Heilige Land, in Jaffa, dan werden ze daar niet bepaald vriendelijk ontvangen. In het Heilige Land hadden moslims het heft in handen en pelgrims werden eigenlijk slechts om hun geld getolereerd. Na aankomst werden de pelgrims na betaling toegelaten in een soort grotten (gemaakt van oude verdedigingswerken van de kruisvaarders). ’s Nachts werden zij daar bewaakt en zij mochten er ’s ochtends pas na betaling weer uit. In de grotten was het bepaald geen pretje: het waren vochtige en tochtige holen, die met opzet door de inwoners bevuild waren, enerzijds uit haat tegenover de christenen, anderzijds uit economisch oogpunt, want hierdoor waren de pelgrims meer geneigd hun koopwaar van vers water en parfums te kopen. In dit onderkomen wachtten de pelgrims de komst van de franciscanen van het klooster uit Jeruzalem af. Deze franciscanen hadden van de moslims toestemming om in het Heilige Land te verblijven en om pelgrims rond te leiden.


De komst van de franciscanen was de pelgrims dus zeer welkom. De franciscanen regelden het toegangsgeld met de moslims en zorgden voor ezels. Na een hobbelige tocht kwamen de pelgrims eerst aan in Rama, waar de eerste mis werd opgedragen.

In die mis moest vaak een eerste obstakel weg worden genomen. Om naar Jeruzalem te mogen reizen had een pelgrim namelijk toestemming nodig van de paus, maar slechts weinig pelgrims namen de moeite eerst naar Rome te reizen om toestemming te verkrijgen: met al de aflaten die in het Heilige Land te verdienen waren, was de zonde van het toestemmingloos reizen zo verholpen. De ontvangende franciscaan in het Heilige Land ging er eigenlijk al vanuit dat hij voor deze zonde absolutie moest verlenen.

Na deze mis konden de pelgrims rusten voor de vervolgreis per ezel naar Jeruzalem.

In Jeruzalem

In Jeruzalem aangekomen verblijven de pelgrims óf in het Sionsklooster bij de franciscanen, óf in het Johannieterhospitaal, dat op het hoogtepunt plaats kon bieden aan zo’n 9000 pelgrims. Naast dit verblijf brengen de pelgrims ook drie nachten door in de Heilige Grafkerk, de kerk die zowel de begraafplaats als kruisigingsplaats van Jezus Christus omvat. Om die kerk in te kunnen, moest de pelgrim - uiteraard - weer betalen. Moslims bezaten (en bezitten nog steeds) de sleutels van de Heilige Grafkerk en zij vroegen een entreeprijs.

Overigens stonden deze moslims alleen in de zomerperiode voor de deur met sleutels. In de winter, buiten het ‘toeristenseizoen’ bracht het werk te weinig geld op en bleef de deur van de Grafkerk dus gesloten. Een onverteerbare situatie voor de franciscanen die het hele jaar door missen wilden opdragen in de kerk. Gelukkig was er een oplossing: één van de pelgrimsverslagen maakt melding van gaten in de deur, groot genoeg om eten door aan te geven. In de winter lieten twee franciscanen zich dus insluiten in de kerk. Eten werd elke dag gebracht door de broeders uit het franciscaner klooster op de Sionsberg.


Ook op andere manieren ondervonden de christenen in Jeruzalem en het hele Heilige Land hinder van de moslims. Christenen en Joden werden gedoogd, maar mochten op geen enkele manier aanstoot geven aan de moslims. Joden mochten niet op de sjofar blazen en christenen mochten geen processies lopen of klokken luiden. Er hingen dus geen klokken in de klokkentoren van de Heilige Grafkerk. In 1926 werden naast de Geboortekerk in Betlehem dertien klokken uit de veertiende eeuw opgegraven, een stoffelijk bewijs van de toenmalige moslimregels.


In de zomer kon het ’s nachts behoorlijk druk zijn in de Heilige Grafkerk met alle pelgrims die daar samengekomen waren. Zij kwamen daar om te bidden en de heilige plekken in de immense kerk te bezoeken.

Overdag verlieten de pelgrims de kerk om door de franciscanen in rap tempo langs alle heilige plaatsen van Jeruzalem te worden gevoerd. Er werd dan voornamelijk de omgekeerde kruisroute gelopen: vanaf Golgota (in de Heilige Grafkerk) terug naar de plek van het Laatste Avondmaal. Bij elke bezienswaardigheid werd kort aangeduid wat daar te zien was, aangevuld met verwijzingen naar de bijbel, waarbij de Joden vaak een negatievere rol werd toegedicht dan zij daadwerkelijk hadden gespeeld. ’s Nachts gingen zij dan weer de kerk in om daar opnieuw te bidden en dat herhaalde zich nogmaals. Vervolgens werd in enkele dagen de ruime omgeving van Jeruzalem aangedaan, waarna de pelgrims terugkeerden naar de schepen in Jaffa.


Al met al verbleven ze ongeveer veertien dagen in het Heilige Land - en dat na een reis van zes tot dertien weken! Met al dat gereis en de slapeloze nachten in de Grafkerk moet zo’n pelgrimage een uitputtingsslag geweest zijn.

Het nut van de reisverslagen

Heel wat energie en geld armer, maar een berg aflaten rijker, kwamen de pelgrims terug in hun eigen land. Daar genoten zij de rest van hun leven een zeker aanzien: zij waren in Jeruzalem geweest! Rijkere Jeruzalemgangers lieten ter ere van hun reis soms een kapelletje bouwen, of een replica van het Heilige Graf. En zij stelden, zoals gezegd, hun avonturen op schrift.

Niet alleen voor henzelf. Veel religieuze vrouwen, die van hun kloosterorde niet mochten reizen, konden via zo’n pelgrimsverslag tóch op pelgrimage naar Jeruzalem. In plaats van hun klooster te verlaten, namen zij een pelgrimsverslag op schoot en probeerden zich voor te stellen hoe Jeruzalem eruit zag. Stond er in het verslag dat er een trap van 46 treden afgedaald moest worden? Dan liep de zuster ook 46 treden op een trap in het klooster. Stond er in het verslag dat er een nacht gewaakt werd in de Heilige Grafkerk? Dan waakte de zuster ook een nacht. Zo konden de zusters een ‘pelgrimage' maken naar het Heilige Land die net zoveel tijd in beslag nam als een reële tocht. En die ook net zoveel aflaten opleverde!


Op deze manier worden de pelgrimsverslagen vandaag de dag niet meer gelezen. Wel kunnen de pelgrimsverslagen op een andere manier nog een appèl doen op het geloof. Misschien zijn we het niet eens met de manier waarop de Joden in de verslagen worden geportretteerd. Misschien roept de nadruk op de te winnen aflaten een zekere afkeuring op. Maar uit al die verslagen spreekt een diep geloof, een hevige emotie bij bepaalde plaatsen zoals Golgota en een enorme inzet van tijd, energie en geld van de pelgrims.

drs. Nelske Timmermans-den Hertog
Vrede over Israël jrg. 50 nr. 1 (jan. 2006)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi50-1c.php

vrede-over-israel/voi50-1c.php