pijl omhoog

De doop als vervulling van de besnijdenis

Enkele overwegingen bij de relatie van besnijdenis en doop


In het oude doopsformulier is sprake van de doop die gekomen is in de plaats van de besnijdenis, het oude verbondsteken. Dit sluit aan op de wijze waarop de belijdenis hierover spreekt. In één van de nieuwere formulieren wordt gesproken over het feit dat de besnijdenis haar vervulling heeft ontvangen in de christelijke doop. Hoewel de tweede formulering anders klinkt dan de eerste, kan van beide worden gezegd dat ze er op duiden dat er op de weg van de besnijdenis naar de christelijke doop sprake is van een voortschrijdend proces in het heilsplan van God. Daarom wil ik enkele aspecten hiervan bekijken en tegelijk aandacht geven aan de betekenis van de formulering ervan. Dat gebeurt vooral naar aanleiding van de enige tekst in de bijbel, die dit voortschrijdend proces letterlijk noemt: Kolossenzen 2:11-12

Twee misverstanden

Allereerst moeten we het misverstand onder ogen zien, als zou de typering van ‘de doop in plaats van de besnijdenis’ een algehele uitsluiting en zelfs een verplichte afschaffing van de besnijdenis voor de Joden inhouden. Paulus heeft zijn leerling Timoteüs besneden laten worden. Ook al zal een missionair motief hierbij een rol hebben gespeeld, dan nog blijft er in deze besnijdenis sprake van het legitiem gebruik maken van datgene wat als kenmerkend voor het jodendom wordt gezien.

De nadruk van de belijdenis op de doop in plaats van de besnijdenis moet worden verklaard in het kader van de weerlegging van de doperse bezwaren tegen de kinderdoop. Hiertegenover stelden de reformatoren met nadruk dat de doop voor ons een vergelijkbare waarde als verbondsteken heeft als de besnijdenis had in het oude testament.1 In dit verband is het terecht om met belijdenis en doopformulier te zeggen dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen.

De vraag hoe we het moeten beoordelen dat in Jezus gelovende Joden (vroeger of tegenwoordig) toch hun kinderen besnijden, lag en ligt daarbij buiten het gezichts­veld.

Tegelijk moet anderzijds duidelijk zijn dat dit oude verbondsteken nooit en te nimmer als heilsnoodzakelijk mag worden verkondigd en al evenmin als een exclu­sief kenteken van hen die bij Gods volk behoren mag worden vereist. Wie dat toch doet werkt mee aan een ander, ernstig misverstand. Zò mag de besnijdenis niet meer worden gebruikt. Om dat laatste gaat het Paulus in de brief aan de Kolossenzen.

Een ‘nieuwe besnijdenis’

Wij kunnen aannemen dat in de gemeente van Kolosse een stroming bestond die onder meer werd gekenmerkt door het feit dat men joodse elementen zoals de besnijdenis als een onmisbaar onderdeel van het christen-zijn propageerde. In dat verband moet Paulus erop wijzen dat dit na Christus’ komst niet meer kan en mag. Alles waar de besnijdenis naar wees, is immers in Christus tot vervulling gekomen. Er is in Christus sprake van een volheid van alles wat God ons biedt (vers 10).

Er is daarom voor hen die in Christus geloven sprake van een andere besnij­denis, die niet met mensenhanden is verricht, zoals de oude besnijdenis. Uit het geheel van dit gedeelte kunnen we opmaken dat de apostel bij deze nieuwe ‘besnijdenis’ allereerst denkt aan de relatie van de gelovigen met de Here Jezus Christus en Zijn heilswerk. Deze relatie is voor hen als een besnijdenis. Maar nu één die ons met de volheid van Gods heil in contact brengt. En in Paulus’ woorden horen we, als hij spreekt over een tegenstelling tot de besnijdenis door mensenhanden, ook een herinnering aan het feit dat in het Oude Testament soms gesproken wordt over de besnijdenis van het hart, waar de uiterlijke besnijdenis ten diepste al op doelde.

Duidelijk is dat Paulus met het spreken over deze nieuwe besnijdenis ook een zinspeling geeft op de christelijke doop, zoals het vervolg laat zien. Maar het is zo dat de apostel op een heel speciale manier de doop als nieuwe besnijdenis duidt. Het zwaartepunt in zijn betoog ligt daarbij bij Christus, in wie al het heil dat Israël beloofd was tot vervulling kwam. De relatie tot Hem is nu in feite de invulling van wat de besnijdenis ten diepste bedoelde. In het verlengde van dit deelhebben aan Christus is de doop, als teken hiervan, een vervulling van de besnijdenis te noemen. In die zin loopt er een lijn van besnijdenis naar doop.

Het verbond

Het mag belangrijk worden genoemd dat de relatie met Christus door Paulus hier getekend wordt met het beeld van het oude verbondsteken van Israël. Dit bevestigt in feite dat onze relatie tot de Here Jezus Christus het karkater heeft van deelhebben aan het verbond, dat Hij zelf reeds Mijn verbond heeft genoemd. (Matth. 26:28). Zo ligt hier wel een duidelijke aanwijzing dat de doop (teken van de ver­bondenheid met Christus) alles met het verbond van God heeft te maken en dat de doop dus terecht is gezien in één lijn met de besnijdenis.

Wat hierbij als voortschrijding mag worden gezien is het wegdoen van ‘het lichaam van het vlees’. Dit wegdoen van het lichaam van het vlees is niet wat mensen zelf doen, maar wat in Christus met hen gedaan wordt in diens overwinning op het oude bestaan, dat door zonde en boze machten wordt beheerst. God begon hiermee reeds in het oude verbond met Israël, toen Hij zich over dit volk ontfermde. De machten van de duisternis werden terzijde gesteld. En dit verbond komt nu tot zijn vervulling, voor Israël, maar ook voor andere volken dankzij de volkomen overwinning over zonde en dood door Jezus Christus.

Dat er hier geen sprake is van een automatisme dat vanzelf werkt, is duidelijk. In het O.T. wordt er al op gewezen dat de besnijdenis altijd een appèl betekende voor Israël. Paulus noemt in het vervolg van de tekst ook uitdrukkelijk het geloof als beslissend element waardoor men deel heeft aan wat God zelf werkt. Noch de besnij­denis, noch de doop, geeft als rite op zichzelf deel aan hetgeen God aanbiedt. Het is veeleer een toegang tot een weg die in geloof gegaan moet worden. Hierin zijn besnijdenis en doop gelijk. De voortschrijding ligt wel daarin dat dit verbond thans tot volle ontplooiing is gekomen door de volkomen overwinning die Christus heeft behaald.

Verband met Pasen

Een verband tussen doop en besnijdenis ligt er tegelijk ook nog op een andere manier. De besnijdenis in Israël had niet alleen te maken met het verbond, maar betekende bij de Joden ook een verwijzing naar het paasfeest.2 In de besnijdenis krijgt de Israëliet, van jongs af aan, deel aan de uittocht uit Egypte en de grote verlossing die God voor zijn volk heeft bereid. Denk hierbij ook aan Jozua 5 waar sprake is van een herstel van de besnijdenis op het moment dat het paasfeest zal worden gevierd. Alleen een besneden volk kan Pascha vieren en delen in de vreugde van Gods verlossing.

In Kolossenzen 2 blijkt deze verwijzing naar het paasfeest ook uitdrukkelijk aanwezig te zijn in het vervolg. Waar de besnijdenis deel gaf aan het oud­testamen­tische Pascha, daar geeft de gelovige relatie met Christus (de nieuwe besnijdenis) deel aan het grote Pasen van Jezus Christus, namelijk aan Zijn sterven en op­standing. Dit wordt omschreven als: mee begraven worden en mee opstaan met Hem.

Hierbij noemt de apostel tevens de doop, terwijl hij het geheel typeert als de besnijdenis van Christus. Ook door de gedachte aan vervulling van het paasfeest is de doop dus verbonden met het oudtestamentisch teken van de besnijdenis.

In de oude kerk was de doop om verschillende redenen vaak direct verbonden aan de paasnacht. Daar zal ook een aansluiting op het joodse denken bij kunnen meespelen. Zoals de oude besnijdenis toegang gaf tot de vreugde van het joodse Pascha, zo geeft de nieuwe besnijdenis op en veel diepere wijze aan de gelovigen dat ze deelhebben aan de weg die Christus voor ons ging in Zijn grote paasnacht.

Vervulling

Het bovenstaande samenvattend is te zeggen dat er drie aspecten oplichten van de doop als vervulling van de besnijdenis.

  • In de eerste plaats is de doop het teken dat niet meer vooruit wijst naar wat komt, maar op Christus, die gekomen is met de volheid van het heil.
  • In de tweede plaats is de doop een teken dat spreekt van het verbond dat nu tot volle ontplooiing is gekomen door het heilswerk van Christus.
  • In de derde plaats is de doop een teken dat wijst naar het paasfeest dat in Christus’ paasnacht Zijn diepste dimensie heeft ontvangen. En in het kader van deze vervulling is er dan uiteraard geen enkele ruimte meer om de oude besnijdenis nog als heilsnoodzakelijk te propageren.

Lettend op deze aspecten van vervulling in de christelijke doop is er veel voor te zeggen om met het nieuwere formulier te spreken over de doop als vervulling van de besnijdenis. In navolging van onze belijdenis kunnen we uiteraard ook blijven spreken over de doop ‘in plaats van de besnijdenis’. Dan moet echter wel worden bedacht in welk kader dit staat (zie hierboven) en dat dit geen afschaffing van de besnijdenis onder alle omstandigheden hoeft te betekenen.

Contextualisering

Een algehele afschaffing van de besnijdenis bij de Joden is niet te lezen in wat Paulus schrijft. Terecht is er m.i. op gewezen dat de waarde van allerlei gebruiken in de gemeenten van Messiasbelijdende Joden gelegen is in het feit dat hier een bijzondere vorm van contextualisatie (het doordringen in een bepaalde cultuur) wordt nagestreefd.3 In dit kader (en ook uitsluitend in dit kader!) kan de besnijdenis bij de Messias­belijdende Joden zeker een plaats blijven houden. Het hoort nu eenmaal bij Israël als volk en is een blijvende herinnering dat God met dit volk eens een bijzondere relatie is aangegaan. Het zegt dat God zowel de God van Israël is, als de Vader van onze Here Jezus Christus.

Bij dit volk heeft de besnijdenis (in schrille tegenstelling tot besnijdenissen bij veel heidenen) een vorm gekregen waarmee God iets wilde zeggen. Dat was een boodschap voor Israël. En na de vervulling die het allemaal kreeg in Christus is het nu een boodschap voor Israël en de gehele wereld geworden.




Noten
1 Vgl. bijv. W. van ’t Spijker, Doop in plaats van de besnijdenis, p. 40-44.
2 Vgl. R. Boon, De joodse wortels van de eredienst, p. 181-185
3 Zie E.W.van de Poll, Messiaanse liturgie en feestdagen: herstel van de joodse wortels van de kerk? in Soteria, 26e jaargang nr. 1, vooral p.19vv.

drs. Wim de Groot
Vrede over Israël jrg. 53 nr. 4 (sep. 2009)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi53-4a.php

vrede-over-israel/voi53-4a.php