pijl omhoog

Betraand zaaien

Schriftstudie over Psalm 126


In januari 2012 trof u in ons blad een Schriftstudie aan van ds. A.J. van der Toorn over Psalm 126. Bij het overdenken van deze studie bleven er twee dingen bij mij haken. Het eerste was zijn opmerking, dat er geen concrete situatie in Psalm 126 te ontdekken valt. En wat me vooral intrigeerde, was het wenen van de zaaier. Waar­om moet hij telkens de tranen uit zijn ogen vegen, terwijl hij in zijn zaadbuidel tast en het land bezaait? Ik besloot door te studeren op Psalm 126 om te kijken of ik hier iets verder in kon komen.

Joodse opvattingen

Als je de commentaren op Psalm 126 raadpleegt, kom je heel wat opvattingen over deze Psalm tegen. In de Miqra’ot gedolot vinden we een aantal Joodse commentaren op Psalm 126.

Volgens Rasji zien de verzen 1-3 van Psalm 126 op de verlossing van Israël uit de Babylonische ballingschap. De verzen 4-6 slaan op Israëls verblijf ín de balling­schap. Toen werd er met tranen gezaaid. Wat werd er gezaaid? Tsedaka, gerechtig­heid. Toen God Zijn volk uit de ballingschap verloste, kon er gejuicht worden. Een eeuwige redding viel Gods volk ten deel.

Ook Raba vat de Psalm zo op. De Negev die de achtergrond van vers 5 vormt, staat model voor de ballingschap. Het zijn de kinderen van de ballingschap die met tranen zaaien. Tegelijk zijn zij de bewaarders en de onderhouders van de Tora.

Volgens Radak wordt vers 4 door Israël gezegd in de ballingschap. De bevrijding daaruit zal zoiets groots, overweldigends en verrassends zijn als het ontdekken van water in de Negev. De Negev staat hier voor de ballingschap en het water voor de verlossing daaruit. Zaaien in de woestijn kan alleen maar met veel tranen, omdat het erg lastig en moeilijk is. Zo is het in de ballingschap ook moeilijk om te zaaien onder Israël. Tranen zijn er vanwege de zorgen van de ballingschap en omdat men tot God roept om uitredding. Het juichend thuiskomen ziet op de terugkeer uit de ballingschap met blijdschap.

De gereformeerde traditie

Wenden we ons tot onze eigen traditie, dan komen we daar het volgende tegen.

Calvijn denkt bij vers 6 aan een arme landbouwer in tijden van hongersnood. Volgens de reformator van Genève voelt zo iemand de prikkel van de honger, maar is hij genoodzaakt zijn gewoon voedsel in te krimpen ten einde erin te kunnen voor­zien voor het volgend jaar. ‘Hoe hard en moeilijk het ook is, toch wordt hij door de hoop op de oogst opgewekt om te zaaien’.

Volgende de kanttekeningen op de Statenvertaling huilt de zaaier, omdat hij het zaad eigenlijk niet missen kan. Hij heeft maar weinig en heeft er veel voor betaald. Stel nu dat het niet opkomt en wat oplevert, dan heeft hij niets meer! Zijn hart geeft hem in dat hij niet moet gaan zaaien, maar op hoop van zegen zaait hij toch wat hij heeft. Tegelijk huilend dat het zover met hem gekomen is.

Matthew Henry, een Schriftuitlegger in de puriteinse traditie, denkt in dezelfde lijn. Ook hij denkt aan een landman die kostbaar zaad aan het zaaien is, wat hij moet onthouden aan zijn gezin. Hij huilt omdat wat hij aan zijn kinderen onthoudt, in de grond stopt, in de hoop om het terug te krijgen in veelvoud. Ook de grote Londense prediker C.H. Spurgeon huldigt deze opvatting.

De gereformeerde theoloog A. Noordtzij denkt bij vers 6 aan het boerenbedrijf in de tijd waarop de Psalm duidt. Dan zal er voor de boeren een kommervol bestaan zijn. ‘Wie zijn akker verzorgt, is er verre van zeker van, dat hij de vruchten van zijn moeilijken arbeid plukken kan. Zal geen felle droogte het koren verschroeien? Zullen geen sprinkhanen de teere spruiten opvreten? Zal geen vijand alles plattreden en rooven? Wat al vragen in het hart van de zaaier.’

De kanttekeningen bij de NBG-vertaling vatten vers 5 en 6 figuurlijk op. Volgens A.H. Edelkoort die ze verzorgde, gaat het hier om de arbeid aan een nieuwe Joodse staat en een nieuw nationaal leven. ‘Dat gebeurde met tranen, vanwege de tegen­stand van de velen, die met Gods wet niet rekenden en geen oog hadden voor de profetische idealen’.

Moderne visies

Wenden we ons tot modernere commentaren, dan komen we daarin de gedachte tegen dat het mogelijk is dat de verzen 5 en 6 van Psalm 126 herinneringen bevatten aan een ritueel wenen bij het zaaien, wat overeenkomt met een rituele vreugde bij de oogst. Volgens een andere verklaarder lijkt vers 5 een spreekwoord of een spreuk te zijn. Weer een ander vat de verzen 5 en 6 figuurlijk op. Zij geven aan dat er een tijd zal liggen tussen dit wenen en juichen en dat er tegelijk een innerlijke samen­hang is, zoals die er ook is tussen zaaien en oogsten. Weer een ander ziet vers 5 en 6 als een beeld dat ons wil oproepen tot hoop en geduld. We moeten de zorgen die we hebben geduldig dragen, net zoals een boer moet wachten op de oogst. Weer een ander ziet achter vers 5 en 6 een mythologisch gebeuren liggen van de begrafenis en de herleving van een vruchtbaarheidsgod. In Egyptische en Ugaritische teksten zouden daar voorbeelden van te vinden zijn.

Hoe moeten we Psalm 126 lezen?

Persoonlijk meen ik dat we Psalm 126 wél in de geschiedenis van Israël kunnen plaatsen. Ik denk dat de dichter van dit lied één van de mensen is geweest, die met de eerste groep ballingen uit Babel is teruggekeerd naar Palestina. In vers 1 zegt hij met zoveel woorden dat hij het mee­maakte dat de HEERE de gevangenen van Sion deed terugkeren. Hij behoorde bij de mensen die dat als een droom beleefden.

Maar dan komen de ballingen in Palestina aan en wat vinden ze daar dan? Eigenlijk één en al ellende. Jeruzalem is een puinhoop, de tempel is verwoest, de muren van de Godsstad zijn neergehaald. Inderdaad, de HEERE heeft grote dingen gedaan door hen uit de ballingschap te verlossen, maar er moeten nog veel méér grote dingen gebeuren! En daar bidt de dichter om in vers 4. Hij smeekt of de HEERE een verdere wending in het lot van Zijn volk wil geven. Het land moet nog hersteld worden, de tempel herbouwd, de eredienst weer op gang gebracht en wat niet meer. De lege wadi van Israëls volksbestaan moet weer vol komen met het water van Gods genade en hulp.

En dan schiet de dichter een beeld te binnen dat hij om zich heen heeft gezien. Nee, hij denkt niet aan eventueel bestaand (hebbend) ritueel. Hij heeft boeren op hun land bezig gezien. Ze waren aan het zaaien. Maar je moet niet vragen hoe! Ze liepen huilend te zaaien. Waarom? Omdat er zo weinig zaaigoed was. En omdat het nog maar de vraag was of het wat zou opbrengen, gezien de jarenlang onbewerkte grond. En als het dat niet deed? Dan was hij dit zaad ook kwijt. Terwijl het thuis ook goed gebruikt kon worden. Tegelijk wist de dichter dat er bij die boeren ook een diep vertrouwen was. Vertrouwen dat God een rijke oogst zal geven. Dat Hij op­nieuw overeenkomstig Zijn verbond aan Zijn volk zal denken, nu het weer terug was in het land van de vaders. Ze zaaiden huilend, maar in hun hart was er de hoop en het vertrouwen, dat ze juichend de schoven in de schuur zouden brengen.

En zó zal God het óók met ons doen, belijdt de dichter in vers 5. Hij zal een wending in ons lot brengen. Nu zaaien we nog met tranen. Er is nog veel ellende om ons heen. Maar eenmaal zullen we juichen! Wanneer? Ten diepste als God Zijn heilstijd zal laten aanbreken. Als Hij Zijn Messias zal zenden. Dan zal alles anders worden. Dan zullen we onze tranen kunnen drogen en juichen over het heil dat Hij voor ons bereidt.


In Christus is deze verwachting in vervulling gegaan. Hij is de door de Vader gezonden Messias. Hij heeft door Zijn lijden en sterven het heil voor zondaren bereid. Door Zijn Geest past Hij het toe en deelt Hij het uit, ook vandaag. Mogen wij erin delen? En zien we er naar uit voor het Joodse volk?

drs. Kees Droger
Vrede over Israël jrg. 56 nr. 5 (nov. 2012)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel