pijl omhoog

Een aparte zegen voor Israël?


‘Laat er vrede en barmhartigheid zijn voor allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God’ (Galaten 6:16).


Wat bedoelt Paulus met dit eigenhandig geschreven slotwoord? Bidt hij hier om een speciale zegen voor zijn eigen volksgenoten? Dat kan vreemd overkomen, omdat hij in de brief scherp is uitgevallen tegen Joden en Joodse gebruiken. Zou hij nu opeens zo positief gezind zijn ten opzichte van Israël? Of wordt met ‘het Israël van God’ de gemeente van Christus bedoeld? Maar waarom gebruikt hij daarvoor dan die naam Israël?


In zijn brief aan de Galaten heeft Paulus een scherp debat gevoerd met mensen die probeerden gelovigen uit de heidenen Joodse wetten op te leggen. De redenering van deze groep was, dat de nieuwe gemeente alleen echt met God verbonden kan zijn, als men zich houdt aan al de voorschriften, die God gaf om zijn volk Israël af te zonderen van alle andere volken.

Paulus ziet hierin het gevaar om een menselijke voorwaarde op te leggen voor het verkrijgen van het echte leven met God. Gelovigen uit de heidenen krijgen die band met God juist alleen door het geloof, stelt hij. Daarin is er dus geen verschil meer tussen Joden en Grieken (Gal. 3:28). Wie door het geloof verbonden is met Jezus Christus, krijgt precies dezelfde erfenis die vroeger alleen voor Israël bestemd was (Gal. 3:29). Om die reden kan Paulus heidenen zelfs ‘nakomelingen’ van Abraham noemen, omdat zij op dezelfde manier als Abraham met God verbonden worden, door hun geloof in Jezus Christus (Gal 3: 15,29).

Daarom mag van heidenen niet geëist worden, dat zij zich laten besnijden, alsof zij eerst Joods zouden moeten worden om echt bij de God van Israël te horen. Als dat als een voorwaarde aan hen opgelegd wordt, heeft men niets van het evangelie van Christus begrepen (Gal. 5:2).

In het slot van de brief, dat Paulus bij wijze van uitzondering zelf opschrijft, klinkt de gloed van het voorgaande betoog nog door: ‘Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is’ (Gal. 6:15). Zoveel is duidelijk: het onderscheid tussen Israël en de volken kan niet meer beslissend zijn voor het behoren bij die nieuwe schepping. Daarvoor is het geloof in Jezus beslissend, en dan vooral: in wat hij gedaan heeft aan het kruis (Gal. 6:14).


Zoals ook in zijn andere brieven sluit Paulus vervolgens zijn brief aan de Galaten af met een gebed om Gods zegen. ‘Vrede’ is de volkomen heelheid, met God en met elkaar. ‘Barmhartigheid’ is de eenzijdige goedheid en trouw van God, op wie je aankunt omdat hij altijd doet wat hij zegt. Die zegen wenst de apostel voor allen die blijven bij ‘de maatstaf’ of regel die hij noemde: het geloof in Jezus Christus, die voor ons gekruisigd is (vgl. vers 14). Daardoor is men een nieuwe schepping (vers 15).

Tot zover is het handgeschreven slot in al zijn onderdelen verbonden met het geheel van de brief. Nu volgt nog een onverwachte toevoeging: ‘en voor het Israël van God’. Deze uitdrukking is in het Nieuwe Testament alleen hier te vinden. Over ‘Israël’ had Paulus nog niet gesproken in zijn brief aan de Galaten, wel over ‘Joden’ en ‘besnedenen’, waar hij uiteraard hetzelfde mee kan bedoelen. Maar over deze groep was hij niet zo positief. Integendeel, impliciet ging zijn hele brief in tegen deze Joodse onrustzaaiers.


Wat bedoelt Paulus nu, als hij toch het Israël van God apart noemt om hen een zegen toe te wensen? Het zou in lijn met de gehele brief zijn, als hij met dit Israël niet slechts het Joodse volk, maar de gehele nieuwe gemeente van Christus bedoelt. Daarin is de afkomst immers niet meer doorslaggevend. Paulus drukt hiermee dan uit, dat de trouw die God vroeger aan Israël had betoond, nu op een nieuw soort Israël overgaat. Deze nieuwe gemeenschap is dan het echte Israël van God.


Toch blijft het een vreemde wending. Het Grieks legt namelijk veel nadruk op deze toevoeging. Met klem staat het Griekse woord voor ‘en’ voorop, alsof er iets heel nieuws volgt, in de trant van: ‘en ook’ of ‘zelfs’. Bovendien is de toepassing van de naam Israël op de christelijke kerk vreemd, omdat Paulus deze naam steeds ge­bruikt in een context waarin hij juist wel de specifieke nadruk legt op het Joodse volk. Vaak brengt hij de naam Israël in verband met de specifieke beloften die God voor dit volk heeft gegeven (b.v. in Rom. 9-11, 1 Kor. 10:18, 2 Kor. 3:7, Ef. 2:12 en Fil. 3:5; zie: 5. ‘De kerk in plaats van Israël?).

Het is dan ook zeer goed denkbaar, dat Paulus hier wel specifiek op het Joodse volk doelt. Na alles wat hij in negatieve zin over zijn volk moest schrijven, met pijn in zijn hart, blijft hij herinneren aan het erbarmen van God. Hij bidt dat God de belofte waarmaakt, die hij in de eerste plaats aan Israël gaf. In deze zegenwens vraagt hij dan om vrede voor zijn volksgenoten; zodat Gods barmhartigheid niet alleen in de nieuwe gemeente zichtbaar wordt, maar ook onder het volk Israël.

Wat betekent Gods trouw immers, als die niet meer geldt voor degenen voor wie zijn beloften allereerst bedoeld waren?




* Dit artikel is een hoofdstuk uit het boek: Ongemakkelijke teksten van Paulus, onder redactie van Rob van Houwelingen en Reinier Sonneveld, Amsterdam 2012, ISBN 978-90-5881-674-0.

dr. Michael Mulder
Vrede over Israël jrg. 56 nr. 5 (nov. 2012)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel