pijl omhoog

Verzoening in het Jodendom tegen de achtergrond van Psalm 51


Elk jaar wordt door deputaten kerk en Israël een bezinningsdag gehouden. Dan wordt nagedacht over een bepaald thema. Dit jaar was dat het thema ‘verzoening’. De laatste jaren nodigen we daarbij telkens een joodse spreker uit. Dit jaar werd rabbijn Zvi Marx uitgenodigd. Hem werd gevraagd het thema ‘verzoening in het Jodendom’ nader uit te werken tegen de achtergrond van Psalm 51.


Ds. Kees van den Boogert doet verslag van deze lezing. In de tekst die in de kaders is weergegeven geeft hij wat noodzakelijke achtergrond­informatie.

De achtergrond van Psalm 51

Tvi Marx schets eerst de donkere achtergrond waartegen Psalm 51 is ontstaan (vs. 2). Het is de geschiedenis van David die overspel pleegt met Bathseba, de vrouw van de Hethiet Uria, die in 2 Samuël 11 wordt verteld. In het volgende hoofdstuk wordt vervolgens verteld dat de Here de profeet Nathan naar David toestuurt. Nathan ontmaskert David en beschrijft in de vorm van een gelijkenis de misdaad van David. De beschuldigende woorden waarmee Nathan David toespreekt zijn onontkoombaar: ‘U bent die man!’ (2 Sam. 12:7 HSV). David reageert op de beschuldiging met een duidelijke schuldbelijdenis: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere’ (2 Sam. 12:13). David doet daarbij geen enkele poging om zich te ver­ontschuldigen. Het is een schuld­belijdenis vanuit zijn hart. Dat is ook de reden waarom in de Bijbel David ‘een man naar Gods hart’ wordt genoemd (1 Sam. 13:14; Hand. 13:22). Hij is heel anders dan zijn voorganger Saul, die als hij gezondigd heeft zich eerst gaat verontschuldigen (vgl. 1 Sam. 15).

De schuldbelijdenis van David

Hoewel in 2 Samuël 12 de schuldbelijdenis van David al wordt vermeld, voegt Psalm 51 daaraan nog een uitbreiding toe. David gebruikt in vers 4 en 5 een reeks van woorden voor zonde die in ernst toenemen:

  • Chata : geeft een misser aan, een fout, een onbewuste zonde. Bijvoorbeeld: men doet iets op sabbat wat verboden is, terwijl men niet weet dat het sabbat is.
  • Pèsja : dit is een bewuste overtreding. Men weet dat het fout is, maar men doet het toch. Bijvoorbeeld: het eten van varkensvlees als Jood.
  • Awoon : Een zonde met een rebels karakter tegenover God. Men komt dan bewust in opstand tegen Hem.

De laatste is de ergste vorm van zonde.


David belijdt dat hij gezondigd heeft tegen God Zelf (vs. 6), tegen de Mitswot, de geboden, van God. Zvi Marx maakt duidelijk dat men binnen het Jodendom uitgaat van 613 mitswot, 365 verboden en 248 geboden. Deze kunnen zowel actief, dus als handeling, als passief, als nalatigheid, overtreden worden. Het aantal en de ver­deling van de mitswot is heel bewust gekozen. Het getal 365 is een tijdsaanduiding, het geeft de dagen van het jaar aan. Het getal 248 slaat op het, naar men toen meende, aantal beentjes dat het menselijk lichaam telt. De mens moet dus al zijn levensdagen met alles wat in hem is God dienen. Hij kan echter ook geheel aan het kwaad vervallen.

Verzoening

Zvi Marx neemt ons na zijn uiteenzetting van het begrip zonde mee naar Leviticus 16:30. Hem was gevraagd Psalm 51 te bespreken tegen de achtergrond van de verzoening. Leviticus 16 beschrijft het ritueel van Jom Kippoer, Grote Verzoendag. In vers 30 worden voor dit ritueel twee woorden gebruikt, ‘verzoenen’ en ‘reinigen’:

  • Kappara : Verzoenen, bedekken.
    De hogepriester gaat met een schaal gevuld met offerbloed het Heilige der heiligen binnen. Daar staat de ark van het verbond. Het bloed wordt op het verzoendeksel gesprenkeld. Als God ons verzoent, worden onze zonden ‘bedekt’, zoals het verzoen­deksel de inhoud van de ark bedekt. Bedekken betekent dat de zonden er nog wel zijn, maar omdat ze bedekt of ingekapseld zijn kunnen ze geen schade meer aan­richten. Ze worden buiten werking gesteld.
  • Tahara : reinigen, zuiveren.
    Dit gaat een stap verder. De zonden worden weggenomen, beter nog getrans­for­meerd of omgevormd naar goede daden. Dus de energie die eerst werd aangewend om kwaad te doen, wordt nu gebruikt om naar Gods wil te leven. Er vindt levens­vernieuwing plaats.


Verzoening vindt plaats in de weg van tesjoeva: berouw en omkeer. Hoe ernstiger de zonde is die begaan werd, des te intenser zal ook de boete en omkeer zijn.


Onder het betoog van Zwi Marx gingen mijn gedachten als vanzelf naar de eerste brief van Johannes. Daar gebruikt de apostel in relatie tot Jezus dezelfde woorden. Reinigen: ‘... en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde’ (1 Joh. 1:7). Verzoenen: ‘... en Hij (Jezus) is een verzoening (bedekking) voor onze zonden’ (1 Joh. 2:2). Duidelijk wordt daar hoe zeer we als christenen geworteld zijn in Israël. Tegelijk viel me nog iets op. Zvi Marx sprak bij het begrip ‘reinigen’ niet alleen over ‘wegnemen’, maar hij gebruikte ook het woord ‘transformeren’ of ‘omvormen’. In de weg van omkeer vindt levens­vernieuwing plaats, waardoor de zonden tot verdiensten gerekend worden. Deze opvatting is zich gaan ontwikkelen iets voor en in de tijd van Jezus en Paulus en is vervolgens in de Talmoed (de joodse monde­linge overlevering) nader uitgewerkt. Binnen het Jodendom ging men zich toen vooral bezighouden met de vraag naar: de oorsprong van het kwaad in de mens, en de macht van de zonde in de mens.

Het zijn thema’s die gelijktijdig bij de volgelingen van Jezus doordacht en nader uitgewerkt werden. Het gaat over de yetser hara = kwade drift en de yetser tov = goede drift in de mens. In Romeinen 5 tot 8 schenkt de apostel Paulus daaraan grote aandacht.

De erfzonde of oorsprongszonde

We keren terug naar Psalm 51. De woorden van David in vers 7: ‘Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’, vragen de aandacht.

Gaat het hier om wat in de kerk genoemd wordt ‘de erfzonde’? Is deze tekst misschien het oudtestamentische bewijs hiervoor? We vragen het aan onze gastspreker. Hij wijst dit af. Binnen het Jodendom kent men de leer van de erfzonde niet. De mens wordt, zo benadrukt hij, in onschuld geboren en persoonlijk aangesproken op ‘de zonde als daad’. Dit laatste wordt heel krachtig verwoord in Ezechiël 18. Daar lezen we in vers 20: ‘De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerech­tigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen.’ Zvi Marx is van mening dat in Psalm 51 sprake is van een sterk emotionele uitspraak van David. Daarin benadrukt David de ernst van zijn zonde door uit te spreken dat hij vanaf het begin van zijn leven al zondig is. Hier laat David zien: hoe groter de zonde des te dieper het berouw en de bekering.


Zvi Marx heeft stellig gelijk als hij zegt dat David niet bedoeld heeft dat hij zijn zondige aard van zijn moeder overgeërfd heeft. De erfzondeleer, zoals die in de kerk van het Westen is ontstaan (en nooit door de kerk van het Oosten is overgenomen) komt weg bij Augustinus (354-430). De kerkvader ging daarbij niet uit van Psalm 51, maar van wat Paulus zegt in Romeinen 5:12. De apostel verwijst daar naar ‘Adam ... in welken allen gezondigd hebben’ (SV). Augustinus benadrukte aanvankelijk dat de mens een vrije wil heeft. Echter op grond van pastorale ervaringen en in aansluiting bij Paulus kwam hij tot de overtuiging dat de zonde een diepere dimensie heeft dan enkel zijn verkeerde daden uit vrije keuze. Er is in en buiten de mens ook een macht werkzaam, een neiging tot het kwade. En die neiging is zo sterk dat geen mens erin slaagt om zonder de hulp van God er niet aan toe te geven. Voor deze ‘zonde als toestand’ of ‘zonde als macht’ gebuikte Augustinus de term ‘erfzonde’. Als ik het goed zie wilde Augustinus twee belangrijke Bijbelse noties over zonde duidelijk maken:

  1. Ieder mens is schuldig op grond van zijn eigen verkeerde daden. Dus zonde is echt schuld en niet noodlot.
  2. Er bestaat daarnaast gemeenschappelijkheid en samenhang in de zonde.

Dit laatste noemt Augustinus ‘erzonde’. Omdat ‘erf’ in het begrip ‘erfzonde’ ons op een verkeerd gedachtenspoor dreigt te zetten, is het misschien beter om met dr. J. Hoek te spreken van ‘oorsprongs­zonde’.


De apostel Paulus, op wie Augustinus zich beroept, spreekt als hij de gemeen­schap­pelijkheid en de samenhang in de zonde aan de orde stelt m.i. vanuit zijn joodse achtergrond over ‘zonde als macht’ (zie Rom. 5-8, vooral hoofdstuk 7). We zijn dan terug bij het joodse woord yetser = drift of neiging. De rabbijnen gingen in de eerste eeuw steeds meer spreken over de yetser als de wilsfunctie van het hart. De yetser van het hart geeft dus de intentie van het hart aan. Deze drift is door God aan de mens geschonken. Hij is onmisbaar, maar kan zowel aangewend worden ten goede als ten kwade. De drift is dus de levenskracht waardoor de mens zijn leven tot ontplooiing kan brengen. Nu blijkt dat de drift sterk geneigd is voor het kwade te kiezen (vgl. Gen. 6:5 ‘overlegging (= yetser) van het hart’ NBG; ‘gedichtsel (= yetser) der gedachten zijns harten’ SV). In dat geval spreekt men over de yetser hara, de boze drift of de ‘zonde als macht’. Die drift moet beteugeld worden door de Thora. Beter nog, hij moet omgebogen worden tot een positieve levensontplooiing, een leven naar Gods wil. De mens heeft tesjoeva = bekering nodig. Dan wordt de yetser tov, de goede drift, de levensvernieuwing, zichtbaar. In de strijd tegen de boze drift moet de mens kracht ontvangen van God. Zo kan hij het ‘kwade overwinnen door het goede’ (Rom. 12:21). In het joodse morgengebed wordt daarom God gevraagd: ‘...buig mijn drift om U te dienen.’ De apostel Paulus werkt deze gedacht heel radicaal uit als hij wijst op de levenwekkende kracht van Gods Geest (Zie o.a. Rom. 8:4).

Gebedswoorden op Grote Verzoendag

Zvi Marx maakt duidelijk dat vers 13 op Grote Verzoendag wordt uitgesproken vóór de belijdenis van de zonde: ‘verwerp mij niet van uw aangezicht.’ David en de gemeente bidden dan om genade, dat de scheiding vanwege de zonde niet blijvend zal zijn. Dat zou gebeuren als God Zelf zich van hem zou afkeren, vandaar de bede: ‘neem u Heilige Geest niet van mij.’

Marx benadrukt dat het gebed, het naderen tot God, alleen is toegestaan in de weg van verootmoediging. Voor elk dagelijks gebed en zelfs zevenmaal op Grote Verzoendag vraagt men: ‘Here, open mijn lippen, opdat mijn mond uw lof verkon­dige’ (vs. 17). Als klein mensje de grote God aanspreken is niet vanzelfsprekend. God Zelf moet ons die toestemming verlenen.

Zo krijgt de verzoening met God gestalte na verootmoediging, belijdenis van zonden, gebed en het brengen van offers.

De offers

Op Grote Verzoendag worden dieroffers gebracht. Maar vraagt God die wel van zijn volk? Spreken vers 18: ‘Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers’ en 21 ‘Dan zult Gij behagen hebben in offers naar de eis...’ elkaar niet tegen, zo vragen we aan onze inleider. Hij antwoordt dat de teksten elkaar niet tegenspreken. Het gaat erom dat de dieroffers gebracht worden met een gebroken hart (vs. 19). De profeten wijzen de dieroffers niet af. Ze bestrijden de verkeerde intentie bij het brengen ervan. Vers 19 laat wel zien dat God de offers niet nodig heeft.

Zvi Marx wijst erop dat men binnen de rabbijnse traditie van mening is dat de tabernakel met alles erop en eraan pas door God wordt gepresenteerd ná de zonde met het gouden kalf. Daarvóór was er een rechtstreekse toegang tot God. Door deze zonde wordt het anders. Israël mag dan niet zomaar meer tot Hem naderen.


Op Grote Verzoendag werden naar het voorschrift van Leviticus 16 altijd bloedige offers gebracht. Dit veranderde in het jaar 70. Toen werd Jeruzalem door de Romeinen verwoest. Ook de Tempel werd met de grond gelijkgemaakt. Na het verdwijnen van de Tempel is de offercultus beëindigd. De vraag kwam op hoe nu, zonder het brengen van dieroffers, verzoening kon plaatsvinden. De Rabbijnen hebben toen besloten dat drie dingen de offers konden vervangen:

  1. De studie van de Thora
  2. Het gebed
  3. Daden van barmhartigheid

Waar baseerde men dat op? Daarover wordt een echt Joods verhaal verteld van vlak na de verwoesting van de Tempel uit de mond van Rabban Jochanan ben Zakkai, de stichter van het rabbijnse Jodendom. Verteld wordt dat hij met een leerling, Jehosjoea ben Chananja, het volgende gesprek voerde:

‘Wee ons’, riep Jehosjoa ben Chananja, ‘dat deze plaats, waar de zonden van Israël verzoend worden, verwoest is.’ Rabban Jochanan ben Zakkai antwoordde: ‘Mijn zoon, wees niet bedroefd, want wij hebben een vorm van verzoening die even effectief is. En wat is deze? Ze bestaat uit daden van barmhartigheid, zoals geschreven staat (in Hosea 6:6): ‘Want in liefde heb Ik behagen, en niet in slachtoffers, in kennis van God en niet in brandoffers.’ (Zie ook 1Samuël 15:22. Jezus haalt dezelfde woorden aan in Mattheüs 9:13 en 12:7)

De viering van Grote Verzoendag vindt nu plaats in de synagoge. Als een volk van priesters wordt door velen witte kleding gedragen (wit als teken van reinheid), naar analogie van de hogepriester in Leviticus 16. De gehele synagoge is op die dag in het wit gehuld.

Geen verzoening zonder bekering

Zvi Marx benadrukt dat tesjoeva = bekering het kernconcept van het Jodendom is. Een mens moet leren verantwoordelijkheid te nemen en krijgt van God steeds de kans om verkeerde dingen te herstellen. De eerste oefening daarvoor is het sabbats­gebod en de gave van het manna (Exodus 16). De sabbat wil mensen leren dat zij waarde hebben voor God: we zijn Zijn schepsel, een heiig wezen. De eerste wet die God gaf, was een spijswet (Gen. 2:16-17). God wil ons erdoor leren dat we onze grenzen moeten weten. Welnu, op Grote Verzoendag en de tijd daarvóór neemt tesjoeva een centrale plaats in. Dat ontlokte ons de vraag: waarom is er een speciale dag voor verzoening nodig (Jom Kippoer) en een lange tijd die daarop voorbereidt?

Volgens Zvi Marx breng je alleen zó, door het te plaatsen in een liturgisch kader in relatie tot de Najaarsfeesten, het thema van de tesjoeva heel dicht bij het bewustzijn van de mensen.


De tijd van inkeer en bezinning begint al tien dagen voor Grote Verzoendag op Rosj haSjana, het Joodse Nieuwjaar. Op die dag wordt op de sjofar geblazen. Men weet zich geplaatst voor God, ‘de strikt rechtvaardige Rechter die oordeelt’. De sjofar roept op tot zelfonderzoek. In de dagen op weg naar Grote Verzoendag wordt volgens de joodse traditie het lot van ieder mens persoonlijk bepaald.

Voor God liggen drie boeken open. Een ervan is het ‘boek des levens’ (vgl. ook Openbaring 20:21). Men wenst daarin ingeschreven te worden.

Veel aandacht wordt in deze dagen besteed aan het komen tot verzoening met de naaste (vgl. Matth. 5:23-26). Op Grote Verzoendag weet men zich dan geplaatst voor God, ‘de barmhartige Vader die vergeving schenkt’. Hij schenkt slechts vergeving in de weg van tesjoeva. Men vindt de ‘bekering’ zelfs zo belangrijk, dat men de bezinningsperiode verlengd heeft. In de maand eloel, die aan het Joodse Nieuwjaar voorafgaat, wordt daarom reeds op elke sabbat in de synagoge op de sjofar geblazen.


Een laatste vraag die ons bezighield was: Is verzoening een individuele zaak of heeft het ook betrekking op de gemeenschap? Zvi Marx benadrukt dat verzoening zowel een persoonlijke zaak is als een zaak van de gemeenschap. Hij wijst op de Tien Geboden. Die worden aan ieder persoonlijk voorgehouden, maar als ze door het volk geaccepteerd worden dan speekt men in het meervoud: ‘Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen’ (Ex. 24:7). We zijn altijd op een bepaalde manier verantwoordelijk voor elkaar. Ter illustratie wijst hij op de geschiedenis van Achan na de inname van Jericho (Jozua 7).

Als op Grote Verzoendag de zonden beleden worden, spreekt men ook nu nog steeds de woorden: ‘wij hebben gezondigd...’

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 57 nr. 2 (apr. 2013)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel