pijl omhoog

Laat zich ’t orgel overal...


In orthodoxe synagogen treffen we, voor het gebruik in de erediensten, geen muziekinstrumenten aan. Dat betekent dat ook orgels ontbreken. Het instrument dat tot op heden in kerken niet weg te denken is, al verliest het pijporgel ook daar momenteel steeds meer terrein, zoekt men in een synagoge doorgaans tevergeefs. In de protestantse traditie werd het orgel tot voor kort gezien als het meest geschikte instrument om de gemeentezang te ondersteunen. Andere instrumenten werden, of worden nog steeds, als te werelds gezien. Toch is dat ook in de kerkelijke traditie wel eens anders geweest.

Het orgel in de tijd van de Reformatie1

In de tweede strofe van Psalm 150 uit de berijming van 1773 wordt het orgel als volgt als een echt kerkelijk instrument getypeerd:

Laat zich ’t orgel overal
bij het juichend vreugdgeschal
tot des Heren glorie paren.

In de 16e eeuw, dus in het begin van de Reformatie, dacht men daar wel anders over. Op de Dordtse Synode van 1574 werd het orgelspel zelfs verboden. Het zou op grond van 1 Korinthe 14 : 19: ‘maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen, dan duizend woorden in een tong’, in strijd zijn met de Schrift. Derhalve werd vier jaar later besloten:

‘dat de orghelen, ghelijck ze voor ene tijd geduldet waren, alsoo met den eersten ende op ’t aldervoeglijckste moesten weggenomen worden.’

Men betitelde het orgel als ‘een inventie van de vorst der duisternis’, met ‘verleidende sireenen stemmen’ en ‘gelijk met beeldendienst en afgoderijen.’ Het orgel werd in de ogen van de kerk van de Reformatie, zeker in calvinistische kringen, nog teveel gezien als een erfstuk van de Rooms-Katholieke kerk. Zeker, het orgel stond wel in de kathedralen, maar de orgels waren eigendom van de burgerlijke overheid en de bespelers ervan waren stadsorganisten. Ze mochten aanvankelijk de gemeentezang niet ondersteunen. Die taak kwam toe aan de voorzanger die tegelijk als voorlezer de Schriftlezingen verzorgde.

Op het Convent van Wezel werden in 1568 richtlijnen gegeven hoe men de gemeente kon leren zingen. Schoolmeesters kregen de opdracht de kinderen in het zingen te onderwijzen, zodat de gemeente in de erediensten met de kinderen kon meezingen. Waar scholen ontbraken schreef het Convent voor:

‘Bij gebreke van dien sal ’t dienstig sijn tenminste een voorzanger aan te stellen, om ’t volk in het singen voor te gaan, ende dan allermeest, als de Predikant in Musycke geheel onervaren is.’

Op den duur echter, zo rond 1640, kregen de stadsorganisten steeds vaker de opdracht de gemeente bij het zingen te begeleiden. Wel bleef men zich daar lange tijd fel tegen verzetten, ondersteund door een toonaangevende theoloog als Gisbertus Voetius (1589-1676). In Amsterdam werd het pas in 1680 toegestaan. Het in dienst nemen van organisten kwam de gemeentezang echter niet altijd ten goede, want zij beheersten niet als vanzelfsprekend de goede begeleidings­techniek. In de kerken ging het orgel een centrale plaats innemen als begeleidings­instrument, in de synagoge heeft het echter nooit een toonaangevende plaats gekregen.

Instrumenten in tempel en synagoge

Er is sprake van een grote tegenstelling in het gebruik van muziekinstrumenten tussen tempel en synagoge. In de tempel speelden ze een grote rol, in de (orthodoxe) synagoge ontbreken ze. In een instructief artikel in De Wekker (123e jaargang, nr. 13) heeft dr. M.C. Mulder ze naar hun karakter en functie beschreven. De hoofdfunctie was het begeleiden van de zangers, de taak die nu het orgel in de protestantse erediensten vervult. Elk instrument had bij de begeleiding een eigen accent:

  • De cimbaal, een slaginstrument, gaf het ritme van de zang aan.
  • Met de harp, luit, citer of lier, snaar- of tokkelinstrumenten, werd de toon aangegeven.
  • Ook de kinnoor, harp of citer, een tiensnarig instrument dat door de meeste spelers gebruikt werd, vervulde die functie.

Deze instrumenten werden door de levieten bespeeld.


De instrumenten, die qua karakter nog het dichts bij het orgel kwamen, waren de twee zilveren trompetten. Dat waren blaasinstrumenten, dus instrumenten die evenals de pijpen van een orgel met lucht aangeblazen werden. Misschien hebben deze trompetten de dichter van psalm 150 uit de bundel van 1773 geïnspireerd om het orgel al in de tempel een rol toe te kennen.

De trompetten werden door de priesters aangeblazen. Het trompetsignaal gaf aan dat God Zelf naar zijn volk omzag, tijdens de eredienst bij Israël aanwezig was (Num. 10:9,10). De aandacht die God aan zijn volk gaf, werd ook benadrukt door de rinkelende belletjes aan het overkleed van de hogepriesters.


Terwijl in de tempel tijdens de dagelijkse erediensten rijkelijk gebruik gemaakt werd van muziekinstrumenten, ontbreken ze tot op de dag van vandaag in orthodoxe synagogen. Dat heeft zijn reden. In het jaar 70 werd de tempel verwoest. Vanaf dat moment werden de erediensten in de synagoge gehouden. De zich weer oprichtende joodse godsdienstige gemeenschap besloot toen als teken van rouw tijdens de erediensten niet meer op instrumenten te spelen. Daarnaast werd het bespelen van een instrument in de zich ontwikkelende joodse traditie als werken gezien, hetgeen op sabbat verboden is. Daarom worden ook nu nog in orthodoxe gemeenten geen instrumenten gebruikt, behalve het meest oorspronkelijke, de menselijke stem. Er wordt gezongen onder leiding van een voorzanger, de chazan. Daarnaast wordt regelmatig gebruik gemaakt van een koor.


Pas in de 19de eeuw komt daar verandering in. Dan zijn er naast orthodoxe- ook liberale gemeenten ontstaan. Het liberale jodendom probeerde het jodendom dichter bij de moderne levensomstandigheden te brengen. Het probeerde te voorkomen dat Joden, die zich van de orthodoxe gemeenten hadden losgemaakt, geheel zouden assimileren en zo hun joodse identiteit zouden verliezen.

De Britse Rabbijn dr. Jonathan Romain verwoordt in zijn boek ‘Gewoon Joods’ (2005) dit proces als volgt: ‘Het liberale jodendom zet het beleid voort om traditie en moderniteit met elkaar te verbinden, daar waar men geconfronteerd wordt met nieuwe omstandigheden. Het liberale jodendom is zich ten volle bewust van het probleem om Gods wil vandaag de dag te verstaan, maar ziet de intentie daartoe als een heilige opdracht die naar beste vermogen vervuld moet worden.’

Een van de maatregelen die het liberale jodendom nam was het aanbrengen van grote veranderingen in de vormgeving van de erediensten in de synagoge. Daartoe behoorde ook dat men het gebruik van instrumenten ging toestaan. In de liberale gemeente die ik zelf in Jeruzalem regelmatig bezocht, maakte men gebruik van een piano en een viool. Maar de uitstekend zingende chazan behield de leiding.

Het is grappig om te zien dat er een parallel lopende ontwikkeling is in het gebruik gaan maken van instrumenten in de synagoge en de protestantse kerken. Tegelijk is er ook een onderscheid. Orthodox joodse gemeenten onthielden zich van instrumenten uit overwegingen van rouw na de verwoesting van de tempel. Instrumenten werden niet gezien als duivelse uitvindingen. Bij de protestanten werden ze als ‘niet koosjer’ ter zijde geschoven.


Nu gebruikt men in liberale gemeenten dus wel muziekinstrumenten in de eredienst, maar behoort het orgel daar ook toe?

Het orgel in de synagoge2

Vorig jaar, tijdens een week vakantie in de Tsjechische hoofdstad Praag, bracht ik ook een bezoek aan de Joodse wijk. Bij het betreden van de Spaanse synagoge aldaar werd mijn blik gelijk gevangen door het orgel dat op de galerij was geplaatst. Er zijn dus ook synagogen met een pijporgel, zo ontdekte ik.


Vooral in Duitsland heeft van 1810 tot 1938 een bloeiende joods liberale orgelcultuur bestaan. Een cultuur die na de Kristallnacht op brute wijze werd beëindigd en na 1945 o.a. in de Verenigde Staten werd voortgezet. Liberale Joden wensten, nadat ze gelijke burgerrechten hadden ontvangen in het land waarin ze woonden, uit de beslotenheid van hun eigen gemeenschap te treden. Ze gingen assimileren, steeds meer lijken op de niet-joodse burgers van dat land. En levend in een christelijke cultuur namen ze ook christelijke gebruiken over. Tot het culturele erfgoed van zo’n land behoorde het kerkorgel. Tegelijkertijd ontwaakte, tegen de achtergrond van opkomende secularisatie en antisemitisme, het verlangen de eigen joodse identiteit vast te houden.

Tegen die achtergrond ontstond in Duitsland in de eerste helft van de 19e eeuw een echte orgelstrijd te vergelijken met die binnen het protestantisme. Voorstanders stelden: orgelbegeleiding

  • kan het zangniveau van de gemeente en de chasan verbeteren;
  • is noodzakelijk om de samenzang ordelijk te laten verlopen.

Tegenstanders wezen op:

  • de rouw om het verlies van de tempel;
  • de christelijke, dus niet-joodse achtergrond van het orgel.

Het laatste argument komt overeen met dat in protestantse kring, waar men het orgel aanvankelijk Rooms vond.

Als in 1845 een conferentie van Rabbijnen invoering van het orgel toelaat, neemt het gebruik ervan sterk toe. Vanaf dat moment werden er tot 1938 ongeveer 200 orgels nieuw gebouwd in Duitse synagogen.

Het werd evenals in de kerken in de eerste plaats een begeleidingsinstrument voor gemeente, chazan en koor. Daarnaast verwierf het ook z’n plaats als solo-instrument.

In Nederland, waar het liberale jodendom zich pas vanaf 1930 heeft ontwikkeld, heeft de orgelcultuur nooit een hoge vlucht genomen, al worden er in liberale synagogen wel instrumenten gebruikt.


‘Laat zich ’t orgel overal...’, als fervent orgelliefhebber juich ik het toe zowel in kerk als synagoge. En toch, tegen een goed geschoolde chazan kan voor de begeleiding van de gemeentezang geen orgel op, om het eens ‘orthodox’ te stellen.




1 Gegevens ontleend aan ‘Uit Sions zalen’ van Evert Westra, Baarn 1966.
2 Gegevens o.a. ontleend aan de inspirerende masterscriptie ‘Orgel in de Diaspora’ van Matthias Havinga, Conservatorium van Amsterdam, februari 2008.

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 58 nr. 5 (dec. 2014)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel