pijl omhoog

Het Israël van God

Schrifstudie n.a.v. Galaten 6:15-16


Het was één van de vragen bij de Nationale Bijbelquiz, die in oktober werd uit­gezonden door de EO en de NCRV. Op welke manier je kunt merken dat in zijn brieven niet een secretaris maar Paulus zelf de schrijfstift heeft opgepakt. Het antwoord moest zijn: hij schreef met kapitale letters.

Het slot van de Galatenbrief is zo’n eigenhandig geschreven onderschrift. Zeg maar de handtekening onder de brief. Daarmee zijn het Bijbelverzen van belang. Niet alleen wordt op deze wijze het auteurschap van Paulus onderstreept. Ook krijgen we een inkijkje in wat hij ziet als de kern van de brief.

Besnijdenis

Het woord ‘besnijdenis’ speelt daarin een cruciale rol. De jonggelovige christenen in de landstreek Galatia hebben te maken gekregen met predikers, die zich aandienen als voortbouwend op het zendingswerk van Paulus. Daarmee ontvangen ze meteen een welwillend oor. Zij verdraaien echter de boodschap van het evangelie. Zo dragen ze de christenen op zich te laten besnijden (vgl. Gal. 5:2ev). Het brengt Paulus tot de boze schreeuw: ‘o dwaze Galaten, wie heeft u betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen, u voor wie Jezus Christus eerder voor ogen is geschilderd alsof Hij onder u gekruisigd was?’ (Gal. 3:1).

Problematisch

Waarom tilt hij er zo zwaar aan? Allereerst ontdekt Paulus bij deze dwaalleraars dat ze uit zijn op eigen roem. Ze willen zich mooi voor doen en de christenen inpalmen, opdat ze ermee kunnen geuren: de Galaten geloven op de wijze die wij voorstaan. Wij hebben hen heel wat bijgebracht!

Maar wat nog dieper gaat: Paulus ziet dat de kern van het evangelie in het geding is. De besnijdenis wordt van beslissend belang geacht of ook de heidenchristenen in Galatia zullen behoren bij het volk van God, dat deelt in het heil. Daarmee ziet Paulus de Galaten terugvallen in hun oude levenswijze. Uiterlijk zijn er weliswaar grote verschillen: de joodse levenswijze die hen nu wordt opgedragen of hun oude heidense leven waarin de afgodendienst de boventoon voert. De structuur is echter hetzelfde. Het gaat om presteren. Het gaat erom te doen. Langs die weg moet het geluk / het heil je toevallen.

Daarmee wordt echter het genadekarakter van het evangelie verspeeld en heeft Christus geen nut meer (5:2). Je bent dan van Christus losgeraakt (5:4). Deze vorm van zelfrechtvaardiging is een groot gevaar. Het is als een zuurdesem dat het hele deeg doorzuurt (5:9). Geloof is dan niet langer een ontvangen wat Christus heeft verworven. Terwijl slechts dat de enige basis kan zijn.

‘In Christus Jezus heeft niet het besneden zijn enige kracht,
en ook niet het onbesneden zijn,
maar wel dat we een nieuwe schepping zijn.’

Nieuwe schepping

Tegen deze achtergrond schrijft Paulus in Gal. 6:16 over het Israël van God. Daartoe behoor je niet krachtens het wel of niet besneden zijn. Het gaat erom een nieuwe schepping te zijn (v.15). Niet eerder gebruikte Paulus deze terminologie in de Galatenbrief. We komen hem wel tegen in 2 Kor. 5:17, een gedeelte dat gaat over de verzoening door het offer van Christus. Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping.

Wie overeenkomstig die regel wandelt, mag zegen verwachten (v.16). Regel (kanon) heeft daarbij de lading van uitgangspunt of ook speelveld. Het geeft de kaders aan waarbinnen je wandelt in geloof.

Het ‘nieuwe’ van de nieuwe schepping is dan ook samen te vatten in de naam Christus: de Messias, die stierf aan het kruis. In niets anders dan in de kruisdood van Christus wil Paulus roemen (v.14). Daarmee komt de basis van zijn geloof buiten zichzelf te liggen. Voor zowel Jood als heiden is dat een volkomen nieuwe manier van leven. Het is leven vanuit de Geest van Christus.

Het Israël van God

Binnen de kaders van deze nieuwe schepping mogen zowel Jood als heiden zegen verwachten. Vers 16 is een zegenspreuk. Wie in Christus is en uit Christus leeft geldt een geweldige belofte.

‘Vrede en barmhartigheid over hen
en over het Israël van God.’

Wat bedoelt Paulus met die laatste woorden? Er dienen zich een aantal mogelijkheden aan.

  1. Paulus spreekt hier over Israël als een nieuwe schepping. Daarmee zou de kerk de plaats innemen van de oude schepping, nl. het oude volk van God. Tegen deze opvatting pleit echter dat Paulus het hier heeft over ‘hen en het Israël Gods’. Het apart noemen van ‘hen’ (d.i. degenen die in deze regel wandelen) is bij deze opvatting niet goed meer te verklaren.
  2. Een andere opvatting is dat het hier zou gaan om Israël als het Joodse volk. Het gaat er dan om dat Paulus tot nog toe in zijn brief vooral geschreven heeft voor heidenchristenen. Aan het einde noemt hij dan plotseling Israël en raakt daarmee even een totaal ander onderwerp aan. Dit om de heidenchristenen in Galatia te laten weten dat ook het Joodse volk zegen mag verwachten.
    Deze opvatting komt mij wat gekunsteld over. Paulus is immers uitgebreid in discussie gegaan met de judaïserende dwaalleraars. Daarbij gaat het om meer dan alleen dat zij van de heidenchristenen zouden verlangen dat ze zich laten besnijden. In hoofdstuk 4 heeft hij twee verbonden tegenover elkaar gesteld: dat van Hagar en dat van Sara. Waarbij hij in vers 26 (schrijvend aan christenen uit de heidenen!) heeft gezegd: ‘Jeruzalem is de moeder van ons allen’! Het huidige ‘Jeruzalem’ hoort echter bij het verbond van Hagar. Dat is een manier van verbonden zijn aan God, waarbij het gaat om de slavernij van de werken.
  3. Het is vooral de toevoeging ‘van God’ die vragen oproept. Waarom staat er niet ‘gewoon’ Israël? Kennelijk wil Paulus benadrukken dat Israël van God is. Er blijft verbinding met Jeruzalem. Maar dan wel het Jeruzalem, waarin het niet gaat om prestatie (Hagar), maar om het leven vanuit de toezegging in Christus (Sara). Maar de kring wordt wijder: ook de heidenen mogen gaan delen in het heil van Israëls God.
    Het is dan ook aan te nemen dat Paulus met vers 16 bedoelt, dat vrede en barmhartig­heid zij over het gelovige deel van de heidenen die samen de gelovige Joden bij Israël mogen gaan horen. Er is dan sprake van uitbreiding en inperking. De uitbreiding is die naar de heidenen toe. Daarbij is de besnijdenis niet noodzakelijk. De besnijdenis heeft immers geen eigen kracht. De inperking is gelegen in het zijn van een nieuwe schepping in Christus. Dit moet individueel worden opgevat, zoals ook de besnijdenis aan de persoon zelf wordt verricht. Wie een nieuwe schepping in Christus is, mag het heil verwachten.

Conclusie: tussen vervanging en gescheidenheid

Galaten 6:16 leert ons daarmee zorgvuldig spreken over Israël en de volkeren. Paulus blijft het onderscheid tussen Jood en heiden handhaven! Er is geen sprake van een vervanging van het Joodse volk, dat de naam Israël draagt. Er staat immers niet dat de zegen voor het (nieuwe) Israël van God is. Het is voor hen en voor het Israël van God.


Wel blijkt dat niet alles wat uit Israël is voortgekomen ook Israël is (vgl. Rom. 9:6). Zowel Jood als heiden kan slechts delen in het heil via Christus en Zijn Geest. Het is op dit enige fundament dat het geloof tot rust komt en verandert van heilig moeten in heilig ont-moeten en ontvangen.

drs. Florimco van der Rhee
Verbonden jrg. 60 nr. 3 (aug. 2016)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden