pijl omhoog

Op zoek naar de oorsprong van Israël


Het woord ‘Israël’ kan heel verschillende betekenissen hebben. Soms wordt ermee gedoeld op de Staat Israël, een andere keer op het joodse volk. Ook kan ‘Israël’ een aanduiding zijn van de strook land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan. Het begrip speelt een centrale rol in de joodse identiteit. Maar waar ligt de oorsprong?

Een oude inscriptie

Voor de oorsprong van het begrip ‘Israël' zijn er twee belangrijke bronnen. Dat is allereerst wat wel ‘epigrafie’ wordt genoemd: allerhande inscripties die soms via archeologie zijn gevonden. Daar duikt voor het eerst het woord ‘Israël’ op in een stèle, een grote herinneringssteen, in een tempel in het Egyptische Thebe. De stèle memoriseert de heldendaden van farao Merneptah - ook wel Merenptah genoemd - die van 1213 tot 1203 voor Christus regeerde. Daaronder wordt ook een campagne genoemd die de farao in Syrië-Palestina heeft uitgevoerd. In een intrigerende passage wordt verteld:

Kanaän is gevangen in rampspoed
Asjkelon is overwonnen
Gezer is geconfisqueerd
Jano’am bestaat niet meer
Israël is verwoest, zonder enig zaad


Voor het eerst duikt hier de term ‘Israël’ op. Dat gebeurt in de context van een aantal geografische aanduidingen die allemaal verbonden zijn aan de strook land tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan. Toch lijkt ‘Israël’ zelf geen geografische aanduiding te zijn: de hiërogliefen die zijn gebruikt, wijzen erop dat hierbij sprake is van een buitenlands volk. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hierbij dus ook een semi-nomadische stam die in Palestina rondzwierf. De verwoesting van Israël, ‘zonder enig zaad’, moet Egyptische grootspraak zijn geweest voor een grote overwinning op de Israëlitische stam.


Na deze eerste vermelding duurt het weer drie-en-een-halve eeuw, voordat de term ‘Israël’ opduikt in Assyrische en Aramese inscripties. Dat is een periode waarin gerefereerd wordt aan twee koninkrijken: dat van de dynastie van Omri (ook wel ‘Israël’ genoemd) en dat van ‘het huis van David’ (ook wel ‘Juda’ genoemd). Dat wijst op twee politieke staatjes die we ook kennen uit de andere belangrijke bron voor de oorsprong van de term ‘Israël’: de Bijbel.

Hebreeuwse Bijbel

In de Bijbel kent de term ‘Israël’ een duidelijke ontwikkeling. Het begint als persoonsnaam: in een tweetal bijbelgedeeltes (Genesis 32 en 35) wordt uitgelegd hoe de aartsvader Jacob een nieuwe naam krijgt: Israël, strijder van/voor/met God. Namen hebben in de Bijbel altijd een diepe betekenis. Via deze naam wordt direct een nauwe band gelegd tussen ‘Israël’ en God: die twee horen bij elkaar. Dat blijkt ook wel uit het vervolg: Israël is niet alleen van God, maar God is ook van Israël. Hij wil ‘de God van Israël’ genoemd worden.

Van een persoonsnaam wordt het de aan­duiding voor een volk: de ‘kinderen Israëls’. De naam Israël gaat over op de nazaten van Jacob. Zij vormen samen ‘Israël’ en dragen daarmee de beloften die aan die naam door God zijn verbonden. Zijn na­komelingen zijn maar geen losse individuen, met hun eigen meningen en opvattingen. Nee, zij zijn ‘een zoon/dochter van Israël’. De enkeling ontvangt zijn identiteit als deel van het geheel.

Israël is daarmee een aanduiding voor een volk, maar krijgt daarnaast ook een politieke betekenis. Na de scheuring van het davidische rijk tussen Rehabeam en Jerobeam, wordt het Noordrijk ‘Israël’ genoemd en het Zuidrijk ‘Juda’. Het ‘volk Israël’ omvat alle nazaten van Jacob (en wie daar door bekering bij ingelijfd is), terwijl de politieke entiteit ‘Israël’ alleen het noorden omvat. Tragisch loopt het af als het Noordrijk ten onder gaat en een deel van de inwoners wordt gedeporteerd. Vanaf dat moment wordt gesproken over een ‘rest van Israël’ tegenover het ‘geheel van Israël’. In profetische en apocalyptische teksten wordt een hereniging van de ‘rest’ met ‘heel Israël’ voorspeld.

‘Israël’ is, ten slotte, ook een geografische aanduiding. Wat de precieze grenzen van het ‘land Israël’ zijn is niet duidelijk, die wisselen per keer, maar het hart daarvan is wel helder. Dat is Jeruzalem, de hoofdstad, met de Tempel waar de God van Israël wordt gediend. Het is daar, zo suggereren verschillende bijbelboeken, dat alle lijnen van ‘Israël’ bijeenkomen: waar de nazaten van aartsvader Jacob in het land hun God dienen.

Nieuwe Testament

In de tijd van het Nieuwe Testament is onder het paraplu-begrip van het ‘volk Israël’ sprake van een veelkleurig en veelzijdig jodendom, echter nog altijd gegroepeerd rond de Tempel in Jeruzalem. Naast joden - in toenemende mate een benaming die inwisselbaar is voor ‘Israëlieten’ - die in het land wonen, zijn er ook grote joodse gemeenschappen daarbuiten. Ook zij blijven tot het ‘volk van God’ behoren en erkennen het gezag van Jeruzalem.

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de Tempel in 70 na Christus zorgen voor een grote crisis. Veel joodse groeperingen overleven die niet. Alleen het rabbijnse jodendom en het vroege christendom komen als ‘overlevenden’ uit de crisis naar boven. Voor hen wordt het begrip ‘Israël’ de inzet van een scherp debat met als inzet: wie is de ware voortzetting van ‘Israël’, wie draagt daarmee de beloften die ooit aan de aartsvaders zijn gegeven?


In het Nieuwe Testament worden gaandeweg de contouren van dat debat zichtbaar. Dat is in de evangeliën en de brieven van Paulus echter nog altijd een intern, binnen-joods debat. De term ‘Israël’ wordt daarbij gebruikt, maar verandert nog niet van betekenis.

De toonaangevende Duitse lutherse nieuwtestamenticus Michael Bachmann heeft de verschillende plaatsen waarin het woord ‘Israël’ in het Nieuwe Testament voor­komt, grondig bestudeerd. Zijn conclusie luidde dat ‘Israël’ altijd op het joodse volk van toepassing is en nooit wordt gebruikt als een aanduiding voor de niet-joodse christenen. Een frase als het onderscheid tussen een ‘Israël naar het vlees’ en een ‘Israël naar de geest’ verwijst bij Paulus niet naar een tegenstelling tussen het joodse volk en de kerk, maar tussen twee groepen binnen het ene joodse volk. Pas in de fase na het Nieuwe Testament, in de vroege kerk, komen dergelijke interpretaties op en gaat de kerk zich het begrip ‘Israël’ toe-eigenen. Wat Paulus wel doet, is een analogie maken tussen Israël en de kerk. De jonge kerk wordt in haar identiteit ten diepste gestempeld door de bijbelse erfenis en de weg die de God van Israël met het volk Israël gaat.

dr. Bart Wallet
Verbonden jrg. 60 nr. 4 (nov. 2016)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden