omhoog

Israëls lijden en Israëls Bevrijder


Psalm 129 is een van de liederen Hammaäloth. Het woord Hammaäloth is in het Oude Testament een theologisch begrip. Op alle plaatsen bedoelt dit begrip de terugkeer uit de ballingschap naar Sion. De bundel Hammaäloth (Ps. 120-134) bezingt vanuit verschillende invalshoeken de terugkeer van Israël tot Sion. Deze bundel geeft verschillende aanzetten tot de verwachting dat God Zijn volk in de toekomst terugbrengt naar het beloofde land.


Psalm 129 gaat in op de oorzaak van het lijden van het Joodse volk de eeuwen door. In deze psalm bidt Israël (vgl. Ps. 124). Opvallend in deze psalm is het ontbreken van een aanspraak. Israël verhaalt haar geschiedenis, bidt indirect tot God en belijdt Gods oordeel over de goddelozen. Maar het volk spreekt God niet rechtstreeks aan. De psalm bestaat uit twee delen.

Vers 1-4: geploegd

De eerste verzen vatten Israëls geschiedenis van ontstellend veel leed kern­achtig samen (1-2).

Het woord ‘dikwijls’ heeft in deze context twee betekenissen. Het woord betekent allereerst langdurig, daarnaast zwaar. Het leed dat Israël is aangedaan, is van alle tijden en onvergelijkbaar zwaar. Vanaf de geboorte van het volk in Egypte (vgl. Jer. 2,2 en 3,35; Ez. 23,3 en Hos. 2,14 en 11,1) tot op de dag van vandaag wordt Israël gehaat. Het ontbreken van concrete namen tekent de aard van deze onverdraagzaamheid. In de loop van de geschiedenis is het volk door wie ook maar gehaat, verjaagd, geplunderd, verkracht en vermoord. Altijd en van alle kanten is het Joodse volk door vijanden verdrukt (vgl. Ps. 120,6 en Ps. 123,4).

Deze verdrukking wordt vergeleken met een ploeg die een rug opgereten heeft (3; vgl. Jes. 1,5-6). De combinatie van deze drie beelden (ploeg, rug en openrijten) typeert het zware (‘ploeg’) en langdurige (‘zij hebben hun voren lang getogen’) lijden dat Israël collectief alsook individueel (‘mijn rug’) van alle kanten (‘ploegers’) ondervonden heeft. Het beeld van een ploeg refereert aan een wrede praktijk in de wereld van het Oude Nabije Oosten om slaven in plaats van runderen in de brandende zon de ploeg over de akkers te laten trekken. Dit slopende slavenwerk was vooral bedoeld om krijgsgevangenen langzaam te vermoorden, veel minder om de akkers te bewerken.


Het is alsof de geschiedenis zich tot in de moderne tijd toe herhaalt! Zo is Israël meer dan eens in de geschiedenis geknecht, vernederd, uitgebuit en vermoord. Het beeld van een ploeg verwijst ook naar de verwoesting van Jeruzalem (vgl. Jer. 26,18 en Micha 3,12). Toch hebben al deze martelingen, moordpartijen, pogroms, razzia’s, executies, concentratiekampen en gaskamers Israël niet verdelgd (‘zij hebben niet overmocht’), omdat de rechtvaardige God ingreep (4).

Hij heeft ‘de touwen van de goddelozen afgehouwen’. Met een slag doorkliefde Hij het touw waarmee Israël de ploeg van verdrukking, leed en onheil trok (4b). Daarmee verdelgde Hij de ploegers en bevrijdde Hij Israël uit de slavernij (vgl. Ex. 20,1; Jes. 40,2 en 48,20). God handhaafde Zijn recht, Hij is rechtvaardig (4a). Alleen omwille van Gods verkiezing blijft Israël bestaan. Alleen deze verkiezing roept deze zinloze razernij tegen Gods volk op. Men haat Israël om zijn God.

Vers 5-8: beschaamd gemaakt

Israëls onderdrukkers haten Sion. Hun haat is niet uitsluitend etnisch bepaald, maar vooral religieus. Vanwege hun haat van Sion en de God van Sion haten deze onderdrukkers de kinderen van Sion. Zij haten Sion en Israël om Zijn God (vgl. Ps. 2). Deze haat is geen verleden tijd, maar hoogst actueel! Om die reden klinkt ook vandaag het gebed om Gods ingrijpen (5-6). Dit gebed wordt niet alleen gebeden door Israël, maar ook door christenen van niet-Joodse komaf die door God in Israël zijn ingelijfd. Met het Joodse volk bidden zij om de ondergang van deze vijanden, die door hun verbondenheid met Israël ook hun vijanden geworden zijn.

Men bidt of ‘God hen beschaamd wil maken en achterwaarts drijven.’ Deze twee oudtestamentische uitdrukkingen bedoelen een totale afgang en nederlaag van een leger (vgl. 2 Kon. 19,26 en Jes. 37,27). Deze smadelijke aftocht is te vergelijken met gras op de daken dat door de schroeiende zon is verdord (6-7). Niemand weet wie het eens daar gezaaid heeft, niemand heeft er baat bij (vgl. Ps. 1,4). Het groeit om te verdorren en beslaat dus nutteloos de aarde (vgl. o.a. Ps. 103,15 en Jes. 37,27 en 40,6-8).

Zelfvernietiging — zegen

Het ploegen van Israël door zijn vijanden (3) leidt niet tot de oogst (ondergang van het volk), maar tot zelfvernietiging van hen die Sion haten (5-7). In hun ondergang voltrekt Israëls God Zijn vloek over hen die Sion haten. Wanneer Hij deze ‘oogst’ binnenhaalt, klinkt niet de vreugdegroet van de maaiers over de akkers wanneer hun meester op bezoek komt (8; vgl. Ruth 2,4, maar blijft het beangstigend doodstil. Tegenover dit godsoordeel staat Gods zegen voor Zijn volk. Deze tegenstelling tussen vloek en zegen wordt extra onderstreept met het herhalen van nagenoeg dezelfde woorden (‘wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN’). Maar nu worden deze woorden in de tempel op Sion door de priesters uitgesproken over (Num. 6,24-28) of Israël toegezongen (Ps. 118,26b).



Gespreksvragen:

  1. Ps. 129 is een psalm die ‘gelaagd’ gelezen wil worden.
    1. Allereerst is dit een psalm van Israël in de oudtestamentische periode. Wat verwoordt het joodse volk uit deze tijd in dit gebed? Hoe verhoudt dit gebed zich tot de oorspronkelijke betekenis van het opschrift (‘terugkeer’)?
    2. Wat is de betekenis van deze psalm binnen de bundel Hammaäloth?
    3. Hoe wil deze psalm gelezen worden tegen de achtergrond van het Nieuwe Testament?
    4. Hoe mag ik vandaag deze psalm lezen?
  2. Waarom haten de volkeren Israël vanwege Gods verkiezing van dit volk (vgl. Deut. 32,8-10)?
  3. Hoe komt het dat het antisemitisme (‘jodenhaat’) juist zo sterk in het zgn. christelijke Europa tot op de dag van vandaag leeft en dit verschrikkelijke gedachtegoed via dit werelddeel naar de Verenigde Staten en de Arabische volkeren is geïmporteerd?
  4. In de uitleg staat de zin: ‘Met het joodse volk bidden zij om de ondergang van deze vijanden, die door hun verbondenheid met Israël ook hun vijanden geworden zijn.’ Mag je wel bidden om Gods wraak? God is toch een God van liefde?
  5. Is Ps. 129 niet gedateerd? Behoort deze psalm niet tot de oudtestamentische periode? Wanneer deze psalm voor vandaag een boodschap heeft, hoe luidt deze boodschap dan?


Ds. C.P. de Boer is chr. geref. predikant in Sliedrecht en deputaat Kerk en Israël.

dr. Pieter de Boer
Verbonden jrg. 65 nr. 1 (jan 2021)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden