pijl omhoog

‘... om de hoop van Israël ...’

(n.a.v. Handelingen 28:20)

Paulus tussen Farizeeën en Sadduceeën

Als Paulus na enkele zendingsreizen met de opbrengst van een inzameling voor de noodlijdende gemeente van Jeruzalem daar aankomt, wordt hij in de tempel gevangen genomen en voorgeleid voor de Raad, het Sanhedrin. In Handelingen 23,1-11 beschrijft Lucas hoe het er daar aan toeging.

Opmerkelijk is, dat de apostel daar zegt: ‘Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden.’ Nu waren in het Sanhedrin niet alleen de Farizeeën vertegenwoordigd, maar ook de Sadduceeën, en tussen die beide rivaliserende bewegingen in het toenmalige jodendom bestond een scherpe tegenstelling op het punt van de toekomstverwachting. De Sadduceeën hielden zich alleen aan de eerste vijf bijbelboeken als gezaghebbend Woord van God, en stelden op grond daarvan dat er geen opstanding der doden was.

Lucas vertelt in zijn evangelie (20,27-40) hoe Sadduceeën Jezus eens hebben gepoogd klem te zetten op dit punt, door hem de vraag voor te leggen van wie de vrouw zou zijn die via het zwagerhuwelijk met zeven kort na elkaar overleden broers getrouwd was geweest. Jezus kiest daarin onomwonden de zijde van de Farizeeën, als Hij in zijn antwoord spreekt over de toekomende ‘eeuw’, die wordt bepaald door de ‘opstanding der doden’. Hij snoert de Sadduceeën de mond door uitgerekend naar het eerste bijbelboek te verwijzen, waar de HERE Zichzelf de God van Abraham, Izak en Jacob noemt. Wanneer de HERE Zichzelf zo noemt, geeft Hij daarmee te kennen dat deze drie bij Hem leven, en dat het dus met een mens bij de dood niet afgelopen is. Lucas vermeldt dat een schriftgeleerde Jezus complimenteert met dit antwoord; zonder twijfel zal deze schriftgeleerde tot de groep van de Farizeeën behoord hebben.

Als Paulus in het Sanhedrin uitroept dat hij terecht staat om de hoop en de opstanding der doden gooit hij een enorme knuppel in het hoenderhok, en Lucas tekent erbij aan dat Paulus zich daar terdege van bewust was (Handelingen 23,6). Dat roept de vraag op waarom Paulus zich op deze manier uitliet. Was dat tactiek: ‘verdeel en heers’? Was het een poging om Farizeeën en Sadduceeën tegen elkaar uit te spelen, om zo zelf de dans te ontspringen? Of meende Paulus het voluit, als hij zichzelf ‘een Farizeeër, zoon van Farizeeën’ noemt?

Als we in gedachten hebben wat Paulus in Filippenzen 3,4-8 schrijft kunnen we ons dat nauwelijks voorstellen. Hij schrijft daar dat hij datgene wat hij vroeger winst achtte - en hij noemt dan met name zijn farizeese afstamming en levenswijze -, nu om Christus’ wil schade acht. We moeten echter wel bedenken in wat voor verband Paulus erover spreekt. Hij ziet dwaalleraars aan het werk, die op besnijdenis en wetsonderhouding vertrouwen. Dat wijst hij af. Maar dat is in Handelingen ook niet aan de orde. Als je een vertrouwen op eigen in acht nemen van de wet als ‘verdienste’ tegenover God afwijst, hoeft dat niet in te houden dat je de wet - en ook de invulling die men in farizeese kring eraan gegeven had - verwerpt!

Zo alleen kunnen we begrijpen, dat voor Lucas geloof in de Here Jezus Christus en Farizeeër-zijn elkaar geenszins uitsluiten (vgl. Handelingen 15,5). Als we vervolgens Handelingen 23 onbevangen lezen kunnen we dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat Paulus meende wat hij zei. Hij wist zich één met de Farizeeën op het punt van de toekomstverwachting.

In hoeverre deelde Paulus de hoop van de Farizeeën?

Deze conclusie roept intussen wel een hele serie vragen op. Moeten we constateren dat Paulus’ toekomstverwachting en die van de Farizeeën in grote lijnen samenvielen? Zeker, het maakt een heel groot en fundamenteel verschil of je ervan uit gaat dat dood dood is (de Sadduceeën), of dat je de opstanding der doden verwacht. Toch zijn er tussen Paulus en zijn mede-Farizeeën ook in het oog lopende verschillen.

Paulus’ toekomstverwachting was geheel en al bepaald door Christus. Hij verlangt ernaar ontbonden en met Christus te zijn (Filipp. 1,23). Zijn verwachting was dus helemaal op Christus betrokken - en in dat opzicht had hij stellig niet alle Farizeeën aan zijn kant! In 1 Korinthiërs 15 laat Paulus zien dat zijn geloof in de opstanding der doden op het nauwst verbonden is met de verkondiging van de opstanding van Christus. In de gemeente van Korinthe geloofde men wel dat Christus was opgestaan, maar men verwachtte niet de jongste dag en de opstanding der doden. Dat is onmogelijk volgens Paulus: als de doden niet opstaan is ook Christus niet opgestaan (vers 16). Opmerkelijk is wel, dat Paulus in zijn redenering uitgaat van de opstanding der doden - en niet van de opstanding van Christus. Anders gezegd: hij gelooft niet pas in de opstanding der doden op de jongste dag sinds hij Christus als de Opgestane had leren kennen, maar al eerder; het hoorde bij zijn farizeese achtergrond, en hij zag geen enkele reden daarvan afstand te nemen. Integendeel - God Zelf had die verwachting gewekt in het Oude Testament!

Dat neemt niet weg dat de opstanding van Christus voor Paulus stellig de vaste grond vormde voor het geloof in de opstanding der doden. Alleen op grond van Christus’ kruis en opstanding mogen we ‘gegronde verwachting’ (H. Berkhof) koesteren. Maar nogmaals - het betekent niet, dat Paulus op dit punt alleen maar een tegenstelling ziet met het geloof van de Farizeeën. Het is belangrijk ons te realiseren dat Paulus en de Farizeeën het geloof in ‘God die de doden levend maakt en het niet-zijnde tot aanzijn roept’ (Rom. 4,17) delen.

In Handelingen 24,15 zegt Paulus met zoveel woorden tot de landvoogd Felix, dat hij ‘van God hoopt, zoals ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn’. In Handelingen 26,6 zegt Paulus dat hij voor het gerecht staat ‘om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is’, en in Handelingen 28,20 zegt hij dat hij de ketenen draagt ‘om de hoop van Israël’.

Uit die verschillende uitspraken van Paulus, zoals we die in Handelingen aantreffen, komt naar voren dat voor Paulus de hoop van Israël - of het nu Jezus als de door God gezonden Messias aanvaardt of niet - gefundeerd is in de belofte die God aan de vaderen heeft gedaan. Hoe diep en pijnlijk het conflict rond Jezus ook is, de Paulus zoals Lucas hem ons tekent snijdt de band met Israël niet door! De breuk met het Sanhedrin gaat niet van hem uit, maar van het Sanhedrin zelf. En de wijze waarop Paulus zijn verbondenheid met Israël in de hoop op Gods beloften vasthoudt is een klemmend appèl om in dit geloof elkaar te blijven zoeken en vasthouden.

Mede-erfgenamen van de belofte...

Als we de wijze waarop Paulus in de weergave van de niet-jood Lucas over de toekomstverwachting spreekt op ons in laten werken, leidt dat tot opmerkelijke conclusies.

In het bijbelboek Handelingen is er geen sprake van dat Paulus’ boodschap gaandeweg meer en meer weerklank vindt in de synagoge. Integendeel: steeds weer wijst men daar het evangelie van Jezus Christus af. Daarmee eindigt het boek Handelingen ook. Opmerkelijk is dat Paulus niet minder gaat spreken over de hoop van Israël! In Handelingen 28,20 vertelt hij aan de joden in Rome dat hij ‘om de hoop van Israël’ de ketenen draagt. Wij zouden eerder verwachten: omwille van Christus. Maar Paulus houdt het vol vast te houden aan de gedeelde hoop, ook waar de verbindingslijnen steeds afbreken.

De kerk heeft Paulus hierin niet gevolgd. Ze heeft de hoop voor zichzelf gereserveerd, en Israël een bestaan zonder uitzicht toegekend. Ze heeft vergeten, dat ze mede-erfgenaam van de belofte is, dat wil zeggen: dat we, voordat we als heidenen ‘dichtbij’ kwamen ‘door het bloed van Christus’, ‘zonder hoop en zonder God in de wereld’ (Ef. 2,12-13) waren. De beloften die de HERE aan Israël gegeven heeft zijn niet op de kerk uit de volken overgegaan, maar de kerk mag delen in de aan Israël geschonken verwachting. Van gegronde hoop kan ook in onze tijd alleen sprake zijn waar de kerk dat beseft en ter harte neemt.

dr. Gerard den Hertog
Vrede over Israël jrg. 43 nr. 4 (okt. 1999)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel