pijl omhoog

Augustinus en de Joden


Augustinus wordt ons in de geschiedenis van de kerk altijd getekend als een universeel geleerde, die de eeuwen door grote invloed heeft gehad. Vooral de kerk en de cultuur van het westen zijn diepgaand door hem beïnvloed. Augustinus is de enige kerkvader die tot op de dag van vandaag ‘een geestelijke macht’ gebleven is, noteert de kerkhistoricus Von Campenhausen. Een andere theoloog noteert met het oog op het werk van Augustinus: ‘het is als een zee, met stroom en onderstroom: van de zee zal men nooit kunnen zeggen, dat ze hetzelfde blijft; ze is oneindig genuanceerd. Zo is ook de geest van Augustinus een zeer veelzijdige geest, vol nuances. Zijn gedachten laten zich bijna nooit vatten in absolute uitspraken, altijd opnieuw moet men schakeringen aanbrengen.’ Hoewel we meer dan vijftien eeuwen verder zijn, blijkt Augustinus niet te kunnen worden vergeten. Hij werd tijdgenoot van vrijwel elke generatie. Het maakt nieuwsgierig bij de vraag, hoe Augustinus tegen de Joden van zijn tijd aankijkt en welke plaats zij in zijn theologie innemen.

Joodse invloeden in Africa

Wie de geschiedenis van zijn tijd bestudeert, ontdekt dat het Augustinus niet aan mogelijkheden heeft ontbroken om kontakten met Joden te leggen. In Noord-Afrika waar Augustinus het grootste deel van zijn leven verbleef, woonden heel veel Joden. Juster noemt heel veel plaatsen waar Joden hebben gewoond, o.a. Carthago en Hippo Regius. In Carthago was de grootste joodse gemeenschap van Noord-Afrika. Ook Hippo Regius heeft een Joodse gemeenschap gekend. De joodse aanwezigheid is door tal van onderzoeken bevestigd. Men kan zelfs zeggen, dat het Afrikaanse christendom er sterk door beïnvloed is.

Dat Augustinus over Joden en hun opvattingen schrijft, heeft ongetwijfeld te maken met hun invloed. Maar Augustinus waardeert die invloed niet positief. Hij schroomt niet om de heidenen voor hen te waarschuwen. En niet alleen de heidenen: ook de christelijke gemeente wordt gewaarschuwd, in het bijzonder degenen die van plan zijn tot de gemeente toe te treden, de catechumenen. Het valt niet te ontkennen, dat ook Augustinus in zijn geschriften eraan meegewerkt heeft om de afstand tot de Joden in stand te houden of zelfs te vergroten. Overigens moeten we daarbij bedenken dat de meeste geschriften van zijn hand voor intern gebruik bedoeld zijn. Hoop dat Joden via zijn boeken en preken tot bekering zouden komen is er nauwelijks. Het gaat hem er vooral om de gemeente te onderwijzen en de leden van de gemeente argumenten te verschaffen in gesprekken met Joden. Al lukt het dan niet hen te bekeren, dan kan op deze wijze toch hun invloed worden beperkt en waar mogelijk worden bestreden. De vijfde eeuw is zeker nog niet de tijd waarin op basis van oprechte verdraagzaamheid of respect met elkaar kan worden gesproken.

Voor Augustinus is het Jodendom in theologisch opzicht achterhaald: het is door God verworpen en de kerk is ervoor in de plaats gekomen. Maar opmerkelijk: als ketters en heidenen het Joodse volk aanvallen, neemt Augustinus het ervoor op. Als zij worden aangevallen, wordt immers ook de kerk aangevallen.

De kerk in plaats van het Joodse volk

Dat heeft alles te maken met Augustinus’ visie op de kerk. Veel van zijn argumenten vinden we terug in zijn ‘Traktaat tegen de Joden’. Het gaat hier om een preek die hij waarschijnlijk tegen het eind van zijn leven gehouden heeft. Volgens Augustinus heeft de apostel Paulus zijn volksgenoten telkens weer opgeroepen om ‘te komen en Christus vast te houden’. Ze hadden dat allang moeten doen, maar ook nu nog mogen ze komen. Want zolang men niet gestorven is, is er een tijd om zich te bekeren. Er zijn er wel die komen, maar het zijn er zeer weinigen. Men wil zich niet door de aangeboden hulp laten genezen. Ja, zo betoogt, Augustinus, ze verachten het Evangelie en de apostel. Op andere plaatsen verwoordt hij hun tegenstand nog scherper: ze haten ook nu nog Christus en de kerk en ze haten en vervolgen ook de christenen. Christenen zijn in hun ogen dom, lomp, zonder hart en zonder verstand. Het hoeft niet te verwonderen dat deze uitingen weinig bereidheid opleveren om werkelijk met elkaar in gesprek te gaan.

Waarom acht Augustinus nu, dat de kerk in de plaats van het Joodse volk gekomen is? Die verwisseling van plaats heeft diepe wortels en gaat al terug op de oorsprong van de kerk. Augustinus beroept zich daarvoor op de geschiedenis van het volk Israël en de aartsvaders: zij vormen voor de wilde olijftakken van de kerk uit de heidenen de wortel. Dat is meteen zijn antwoord op het verwijt dat de christelijke kerk geen verleden kent. Augustinus maakt onderscheid tussen het volk Israël en het volk van de Joden. De eersten worden verdedigd, de laatsten bestreden. Het bestaan van de kerk begint bij het volk Israël. Dat heeft de oudste papieren, zoals blijkt uit hun verering van de ene God en het gebruik van de Hebreeuwse taal, die ooit eigen was aan het hele menselijke geslacht. Het kost Augustinus dan ook geen moeite om te spreken over ‘onze’ stamvaders, ‘onze’ Mozes, ‘onze’ David: zij allen zijn leden van de kerk, hoewel ze vóór Christus leefden, want ze geloofden aan het lijden en de opstanding van Christus.

Het Oude Testament

Augustinus onderstreept deze gedachten met een beroep op de Schriften, waarbij kritische uitspraken van de profeten nog steeds op de Joden van toepassing worden geacht, maar heilsbeloften op de christelijke kerk worden betrokken. Augustinus is van mening, dat alle profetie uit het Oude Testament vooral betrekking heeft op Christus en de kerk. Daarom zullen de Joden de Schriften onderzoeken om Christus te ontdekken, die eeuwig leven heeft beloofd. Het bezwaar dat het Oude Testament op de Joden van toepassing is, pareert Augustinus met de uitspraak dat het Oude Testament voorloper is van het Nieuwe Testament en dat het Oude Testament geheimenis is en het Nieuwe Testament onthulling. Christenen geloven beide testamenten, omdat ze aan het Evangelie geloven dat Mozes van Christus geschreven heeft. Er is geen tegenstelling tussen het Oude en het Nieuwe Testament, alleen overeenstemming. Vooral in de polemiek met ketters en heidenen komt dit naar voren. Ten opzichte van de Joden neigt Augustinus er juist toe om de beide testamenten te onderscheiden. In beide is genade en waarheid te vinden, maar de genade waarvan de eniggeboren Zoon vervuld is is groter.

Maar hoe kunnen christenen zich nu beroepen op het Oude Testament, als ze de wet niet houden? Het antwoord van Augustinus is: voor christenen gelden niet meer de besnijdenis, offers, spijswetten, sabbat, nieuwe maan en feestdagen. Dat alles is een schaduw van het toekomstige en dat hoeven christenen niet meer te volgen, tenzij in de vorm van de allegorie. Voor de Apologeten gold al dat Gods beloften niet op één volk betrekking hadden, maar op alle volkeren. God heeft de hele aarde geroepen. De wet en het woord van de Heer die vanuit Jeruzalem uitgaan, komen tot alle volkeren. Maar omdat de Joden niet gehoord hebben, is de wijngaard aan hen onttrokken en aan de christenen uit de heidenen toevertrouwd. De christenen hebben dan ook meer recht op de titel ‘het ware Israël’ en ‘het zaad van Abraham’, dan het Joodse volk.

Diaspora

Er blijken voor Augustinus heel wat struikelblokken op de weg te liggen in het contact tussen joden en christenen. Dat merken we ook in zijn opvatting van de diaspora. Was dat een straf? Bijna alle kerkvaders tot aan Augustinus beschouwen de diaspora als een straf voor de kruisiging van Jezus. Een straf die ook geprofeteerd is. Ook de Joden zelf hebben de verwoesting van Jeruzalem en hun diaspora als oordeel ervaren. Daarom wilden ze Christus doden om hun land niet te verliezen en daarom verloren ze hun land, omdat ze Christus doodden. Augustinus gaat zelfs nog verder: voor hem is het hele Joodse volk van Gods genade beroofd en vervloekt, net als Kaïn.

Maar de diaspora is niet alleen straf. Augustinus voert ook een nieuw motief in: de diaspora moet dienen om het christendom uit te breiden. De Joden zijn over de hele wereld verstrooid om overal getuige te zijn. Het bestaan van het Joodse volk garandeert de waarheid van het Oude Testament. De Schriften die zij kennen garanderen dat de christenen de boeken van het Oude Testament die ze met het oog op Christus en de kerk lezen niet vervalst of verzonnen hebben. Om dit getuigenis in stand te houden hoeven de Joden hun religie, hun zeden en gebruiken niet af te leggen. Ze moeten als Joden verder leven. De Joden moeten helpen heidenen, schismatici en ketters te bekeren en met het oog daarop de boeken aanreiken. Mocht hij elders Joden als tegenstanders van de kerk bestempelen, hier zijn de Joden in zekere zin tot dienaren van Christus geworden. De moeilijkheid bleef wel, dat deze redenering alleen voor het Oude Testament opging en niet ook voor het Nieuwe Testament.

Toekomst

Het troost Augustinus dat aan het eind der tijden de Joden de laatste tijd voor het gericht het geloof in de ware, dat is onze Christus, zullen aannemen. Toch is hij niet van mening dat dit zal gebeuren in een speciale periode van 1000 jaar. Van die gedachte heeft hij steeds meer afstand genomen. Voor hem is het geloof in een 1000-jarig rijk waarin Christus regeert op aarde een dwaling die door vleselijke verlangens is ingegeven. De periode van 1000 jaar is al begonnen met Christus’ eerste komst.

Of het Joodse volk werkelijk Christus zal aannemen, daar is Augustinus onzeker over. Daarom kijkt hij niet alleen naar de toekomst, maar ook naar het verleden. In de eerste gemeente kwamen talloze Joden tot geloof. De Here riep niet alleen apostelen, maar ook veel volk. De eersten die zich dan ook lieten dopen zijn het goede voorbeeld. Duizenden braken toen met hebzuchtigheid en legden hun bezit aan de voeten der apostelen. Kortom: de situatie van de kerk na Pinksteren blijft voor Augustinus het lichtende voorbeeld.

Conclusie

Augustinus heeft wel kontakten gehad met Joden. Hij is ook door gedachten uit joodse en joods-christelijke kring beïnvloed. Maar tegelijkertijd heeft hij in zijn werken weinig mogelijkheid gezien om bruggen te slaan. Hij blijft staan in de traditie van hen, die zich negatief over de Joden uitlaten en daarmee heeft hij ongewild een legitimatie verschaft aan hen die in de Middeleeuwen tot vervolging van het Joodse volk overgingen. In zijn toekomstvisie is voor het Joodse volk geen aparte plaats, tenzij in het ware Israël, waarin christenen en joden samen kerk zijn.

drs. Rob Soeters
Vrede over Israël jrg. 43 nr. 4 (okt. 1999)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel