pijl omhoog

Wonen of op weg gaan?

Een weg zoeken in vertalingen en berijmingen

Geliefde Psalmen

De Generale Synode van 2004 van onze kerken heeft uitgesproken dat de Psalmen en berijmde Schriftgedeelten prioriteit dienen te hebben in de eredienst. In de praktijk zal dat op veel plaatsen eerder zijn: alleen de Psalmen. Want die zijn al eeuwenlang geliefd. Maar daardoor zijn ze ook een eigen leven gaan leiden. Dat zal vooral in de hand gewerkt zijn door de praktijk slechts enkele coupletten van een Psalm te zingen.


Hierdoor alleen al beleven we de Psalmen op een heel andere manier dan Gods volk ten tijde van het Oude Testament. Vooral ouderen kennen hun geliefde verzen uit de Psalmen, verzen die iets gedaan hebben op belangrijke momenten in hun leven.

Vervreemding

Maar veel jongeren zullen de Psalmen anders beleven. Een catechisant vroeg er eens naar. Zondag had de gemeente Psalm 122 gezongen: ‘Jeruzalem, dat ik bemin...’ Wat betekent dat? Wat moet je daarmee? Is dat hetzelfde als... (om iets te noemen) ‘Doetinchem, dat ik bemin’? Of zing je misschien over de plaats waar God zijn volk nu ontmoet? ‘Gemeente, die ik bemin’? Wat doet zo’n Psalm?


Hoe dichtbij bepaalde gedeelten van de Psalmen ook kunnen komen, je kunt bij het lezen van de hele Psalm ook een gevoel van vervreemding krijgen.

Komen voor God

In het novembernummer van Vrede over Israël (jg. 54, nr. 5) schreef drs. Florimco van der Rhee iets over de Israëlreis van vorig jaar én ook over deze Psalm. Ik wil met u een moment stilstaan bij Psalm 84.


Psalm 84 is een van de bijbelgedeelten die we bij ons bezoek aan het Schechter­instituut vorig jaar hebben gelezen. We hebben hem ook gezongen, in de versie van Psalmen voor Nu.


Het gaat in Psalm 84 over het komen voor God in zijn tempel. Andere Psalmen die daarover gaan, zijn Psalm 15, 24, 27, 42, 43, 63, 87 en 122. De Psalm spreekt over het verlangen naar de voorhoven van de Here, Gods altaren, zijn huis.

Wonen?

Hoe moet je de vertaalslag maken? Jeruzalem is de plaats van de tempel. Maar de tempel is er niet meer. Toch gaat het daar in de Psalm uit­drukkelijk wel om. Uit de Psalm spreekt het verlangen om te komen in de tempel. Het Gere­formeerd Kerkboek heeft ‘wonen’. Maar dat zal niet de bedoeling zijn. Er zijn er wel die wonen in de tempel: degenen die behoren tot het tempelpersoneel. Zij worden gelukkig geprezen omdat ze voortdurend zo dicht bij het huis van de Here mogen zijn. Maar de dichter hoort niet bij degenen die in de tempel wonen. Hij verlangt naar de tempel.


Wat is dat verlangen? De dichter heeft heimwee, zo staat het in de berijming van het Gerefor­meerd Kerkboek, de Psalmen voor Nu en de Proeve van 1941. Zal het dat zijn? Je bent één keer in de tempel geweest en je bent ver­kocht... Is het dan misschien een Psalm die op de terugweg of thuis gezongen werd?


Waarom deze berijmingen op een rij gezet? Ze doen wat. Ze worden gezongen. De gemeente van het NT neemt ze in de mond, rechtstreeks. Er wordt niet over gepreekt, er volgt geen uitleg. Berijmingen kunnen op die manier een eigen leven gaan leiden. Dat eigen leven heeft wellicht hier en daar een kleine correctie nodig.


Ik doe een poging.

Gereformeerd Kerkboek
Hoe lieflijk is uw huis, o HEER!
O God, U weet hoe ik begeer
bij U te wonen in uw hoven.
U weet hoe heimwee mij bevangt,
omdat geheel mijn hart verlangt
U in uw heiligdom te loven.
‘k Ga jubelend God tegemoet,
die leeft en mij ook leven doet.

Psalmen voor nu
Wat hou ik van uw huis,
HEER van de hemelse legers.
Ik kan zo sterk verlangen naar
de binnenpleinen van de HEER.
Diep in mijn lijf is zo’n heimwee,
zo’n blijvende schreeuw
naar de levende God.

Proeve 1941
Hoe lief’lijk is uw woning, God!
Hoe zalig is het stil genot,
het toeven in uw heil’ge hoven!
Hoe heeft mijn ziel naar U begeerd!
Zij werd van heimwee haast verteerd,
als zij verlangde U daar te loven.
‘k Ga jubelend God tegemoet,
die leeft en mij ook leven doet.

Berijming 1773
Welzalig hij, die bij U woont,
gestaag U prijst en eerbied toont.

Berijming 1968
Heil hen die toeven aan uw hof
en steeds zich wijden aan uw lof.

Gehuld in glans en glorie (2000)
Gelukkig wie u wilt bewaren,
wie mogen wonen in uw huis,
gedurig klinkt hun lofgejuich.

We komen het woord ‘wonen’ vaak tegen in de berijmingen van Psalm 84. Ik heb ze onder­streept. De Proeve 1941 heeft ‘toeven’. Dat is nog geen wonen. In de berijming van 1968 staat ook ‘wonen’, maar dan wordt het gezegd van God (!). De pelgrim verlangt ernaar te komen in het heiligdom. Wat betekent dan: ‘welzalig wie daar wonen mag’ (GK), als eerder al gezegd is: ‘U weet hoe ik begeer bij U te wonen in uw hoven’. ‘Wonen’ in vers 1 en 2 wordt dan het­zelfde. Maar is dat de bedoeling van de Psalm? Hetzelfde kan (denk ik) gezegd worden van de berijmingen van 1773 en 1968. Bij ‘hij die bij U woont’ zal de gemeente geneigd zijn te denken aan de gelovige. In de berijming van ‘Gehuld in glans en glorie’ van 2000 wordt nog nadrukke­lijker in deze richting gedacht. Maar dan hebben we het dus over onszelf, de gelovige die mag wonen bij de Here. De vraag is wat de gemeente zich daarbij voorstelt. Gaat dat over het komen in de kerk, nu al leven met de Here, gaat het over de hemel, de nieuwe aarde? Niet de tempel, in elk geval. Want die is er niet meer.


Over dat probleem ging het van de zomer in Israël ook. Hoe gaat het Jodendom daarmee om: God dienen zonder tempel? Er zijn Joden die dat geen probleem vinden. Een tempel hebben we niet meer nodig. Het gebed is in de plaats gekomen van de offerdienst. Is dat hetzelfde als wat Jezus in Joh. 4 tegen de Samaritaanse vrouw zegt? ‘De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aan­bidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders.’ Een isgelijkteken zetten is te makkelijk. We bidden immers tot de Vader in Jezus’ naam.


Terug naar Psalm 84. De dichter prijst degenen die in de tempel mogen wonen gelukkig. Dat is nog eens wat. Zelfs de mussen en de zwaluwen zijn beter af. Maar dan vers 6. Weer dat woord ‘gelukkig’, ‘welzalig’. ‘Welzalig de mensen wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn.’ Wendt de dichter nu zijn ogen af van de tempel? Bij de NBG en de (H)SV krijg je de indruk dat de dichter denkt: wonen in de tempel kan ik niet, maar God gaat met mij mee. Ik heb niet langer hinder van jaloersheid op een zwaluw...

Op weg gaan

De Grootnieuwsbijbel heeft: ‘Gelukkig zij die hun kracht vinden bij u, vol verlangen gaan zij naar u op weg.’ Dat heeft Psalmen voor Nu ook: ‘Gelukkig die naar u vol van verlangen op weg zijn.’ Waarheen dan? De Willibrordvertaling zegt: ‘Hij droomt van opgaan naar U.’ Naar de tempel dus.


Gaat het dan toch over opgaan naar de tempel? Dat zal het wel zijn. Want dat was voor Israël van levensbelang. Daar hing het leven van de gelovige wel van af. In Exodus 23:14 is voorgeschreven: ‘Driemaal in het jaar zult gij Mij een feest houden.’ Daar werd het leven van de gelovige a.h.w. aan opgetild, aan die drie punten per jaar. Net zoals je een kleed aan een paar punten optilt. Daarmee komt het hele kleed mee. Zo belangrijk was dat dus. Zo belangrijk was het gaan naar de tempel.


Gebaande wegen zijn wegen naar de tempel, naar God. En zo wordt heel het leven opgaan. Vers 13: ‘Welzalig de mens die op U vertrouwt.’ Ook op de terugweg. Ook thuis. Ook als er geen tempel meer is.


Een vraag aan onszelf: hebben de kerkelijke feesten die de gemeente van Christus viert ook zo’n functie? We gedenken Gods daden in Christus. Wordt heel ons leven daardoor ook opgetild naar de Here en krijgt het daardoor richting, ook naar de naaste?

drs. Kees de Jong
Vrede over Israël jrg. 55 nr. 3 (jun. 2011)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel