pijl omhoog

Volharden in het gebed


Aan het gebed wordt binnen de joodse traditie grote waarde toegekend. Deze gebedstraditie is al ontstaan in de tempelperiode. In het Nieuwe Testament wordt dat bevestigd. De joodse volgelingen van Jezus Messias in Jeruzalem, zo vertelt Lukas, ‘waren voortdurend elke dag eendrachtig in de tempel’ (Hand. 2:46). Dat betekent dat ze ‘de rite van het gebed trouw in acht namen’. De eerste gelovigen, die een gemeente gevormd hadden, verloochenden hun joodse afkomst niet, want ze ‘bleven volharden bij...de gebeden’ (Hand. 2:42). Ze sloten zich daarin aan bij Jezus, die ‘volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge ging’ (Luk. 4:16)en die zich stellig de ‘gewoonte’ om driemaal per dag te bidden, op de tijden dat in de tempel de offers gebracht werden, eigen zal hebben gemaakt. Paulus, een leerling van de joodse geleerde Gamaliël, plantte deze joodse gebedstraditie over in de gemeenten die een gemengde joods/niet-joodse samenstelling hadden.

Zo houdt Paulus de gelovigen voor ‘telkens’, ‘zonder ophouden’, ‘te allen tijde’ en ‘dag en nacht’ te bidden (Fil. 1:4, 1 Thess. 3:10; 5:17; 2 Thess. 1:11; 1 Tim. 5:5).

De gebedstraditie uit de tempel werd overgenomen door de synagoge en daar, na de verwoesting van de tempel in het jaar 70, voortgezet.

De synagoge als plaats van gebed

De plaatselijke synagogen bestonden al in de tijd dat de tempel in Jeruzalem nog volop functioneerde. De tempel was, naar het voorschrift in Deuteronomium 12 de ene plaats van eredienst. Daar alleen mochten de offers gebracht worden. Het gemeenschappelijk en persoonlijk gebed mocht overal plaatsvinden. Zo bad Daniël, als balling ver verwijderd van zijn thuisland, op de offertijden met zijn gezicht gericht naar Jeruzalem. In Israël zelf werd het gemeenschappelijk gebed op dezelfde wijze en tijden in de plaatselijke synagogen verricht.

Een van de namen voor de synagoge is daarom: Bet HaTefilla, huis van gebed. Het gebed komt echter niet in de eerste plaats uit de behoefte van de mens voort, maar uit het verlangen van God: ‘Hij wil gebeden zijn’ (Gezang 427 LBK). Het gebed is een Mitzwa, een gebod van God aan zijn volk: ‘Maar gij zult de HERE, uw God , dienen’ (Ex. 23:25; Deut. 11: 13). “De wijzen zeiden: wat is dienen met het hart? Dat is het gebed” (Maimonides, Hilchot Tefila 1,1). Het gebed wordt ‘geleerd’ uit Gods Woord in de synagoge. Een tweede naam voor een synagoge is dan ook: Bet HaMidrasj, leerhuis. Dat ‘leren’ en ‘bidden’ doet men als volk van God, dus gezamenlijk. Daaraan ontleent de synagoge zijn derde naam: Bet HaKnesset, huis van samenkomst. Zie de samenhang: samen hoort men naar Gods Woord en antwoordt daarop met gebed.

Deze drie functies had de synagoge al voor de tijd van Jezus. In het Nieuwe Testament wordt de synagoge ongeveer zeventig keer genoemd. Jezus trad bijvoorbeeld ‘als leraar op in hun synagogen’ (Matth. 12:35), ‘Hij ging naar hun synagoge’ (Matth. 12:9) en ‘Hij onderwees hen in hun synagoge’ (Marc. 1:12). De oudste bron die we hebben voor de functie van de synagoge is Lukas 4:15-22. Uit dit Bijbelgedeelte blijkt dat de huidige invulling van synagogediensten toen reeds plaats vond. Men kwam op bepaalde dagen, hier wordt de sabbat genoemd, samen. Men kon tijdens de dienst opgeroepen worden om het Tora-gedeelte te lezen dat voor die sabbat aan de beurt was. Ook voor de Haftara, een tweede lezing uit de Profeten, werd al plaats ingeruimd. In Lukas 4 was dat Jesaja 61:1 en 2. Dat gedeelte wordt tijdens deze samenkomst door Jezus uitgelegd. Samenvattend kan gezegd worden dat de synagoge een plaats van samenkomst, van onderwijs en van gebed was en nog steeds is. In dit artikel leggen we de nadruk op het gebed.

De Beracha

De beracha (zegenspreuk) is, zo zagen we in het artikel van Rien Vrijhof in Jaargang 57, nr. 1, het gebed bij uitstek in het joodse leven. Het vormt het uitgangspunt van elk gebed en geeft de zin ervan aan. Het is een uiting van bewondering, lof, dank en erkenning aan God. De genadevolle en zegenende toewending van God naar zijn volk wordt er in uitgedrukt. De huidige formule laat dit prachtig zien: ‘Gezegend zijt Gij, Eeuwige, Koning van de wereld,... De formule werd pas in de derde eeuw van onze jaartelling vastgesteld, maar heeft zijn oorsprong in de Bijbel, in Psalm 119:12 en 1 Kronieken 29:10. Ook het leven van Jezus was gevuld met berachot (meervoud van beracha). Een van de meest treffende zegenspreuken van Jezus lezen we in Mattheus 11:25-27: ‘Ik dank U, Vader, Here van de hemel en van de aarde, ...’ Daarnaast spreekt Jezus o.a. zegenspreuken uit bij de wonderbare spijziging (Marc. 6:41), als de moeders hun kinderen bij Hem brengen (Marc. 10:16), als Lazarus wordt opgewekt (Joh. 11:41) en bij de instelling van het Avondmaal (Marc. 14:22-24). Bij ‘alles’ worden zowel door Joden als door gelovigen in Jezus uit de volken zegenspreuken gezegd. In Kolossenzen 3:17 spoort Paulus daartoe aan: ‘En alles (pan) wat u doet met woorden en met daden, doe dat alles (panta) in de naam van de Here Jezus, terwijl u God en de Vader dankt door Hem.’

Het Sjema Jisraël

Naast de talrijke berachot die dagelijks door vrome Joden worden uitgesproken, volgens de rabbijnse overlevering wel meer dan 100, kent het joodse volk ook een aantal gebeden met een vaste structuur. De eerste is het Sjema Jisraël dat uit drie Bijbelteksten en enkele zegenspreuken aan het begin en het einde bestaat.

Het eerste Bijbelgedeelte, Deut. 6:4-9, wordt door Jezus uitgesproken op de vraag van een Schriftgeleerde: ‘Welk gebod is het eerste van alle?’ Jezus antwoordt dan: ‘Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.’

In de Misjna, de joodse mondelinge overlevering ongeveer uit de tijd van Jezus, wordt de structuur van het Sjema als volgt beschreven: ‘De aangestelde zei tot hen: ‘spreek een zegen uit’, en zij zegenden lazen de tien woorden, het sjema (Deut. 6:4-9), ‘wanneer je luistert’ (Deut. 11:13-21) en ‘Hij zei’ (Numeri 15:37-41). En ze spraken drie zegenspreuken over het volk: ‘waar en zeker’, ‘avoda’ en de birkat kohanim. Op de sjabbat voegden zij een zegen toe voor de priesterafdeling die zijn dienst beëindigde.’

Uit de discussies uit de twee scholen van de joodse geleerden Sjammai en Hillel, die leefden in de tijd van Herodes de Grote, 37-4 v. Chr., kunnen we opmaken dat het gebed ’s morgens en ’s avonds werd uitgesproken. Dit omdat gezegd is ‘wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat’ (Deut. 6:7).


In dit gebed, dat tegelijk een belijdenis is, klopt het hart van het Jodendom. Het ‘hoor Israël’ beschrijft de relatie van de HERE tot zijn volk: De HERE spreekt en Israël antwoordt! Bidden is dus: gehoorzaam antwoord geven op het Woord. Het is de ’weg gaan die de HERE wijst’. Het meest sprekende voorbeeld daarvan wordt gegeven door Abram in Genesis 12:1: ‘De HERE nu zeide tot Abram: Ga...’ gevolgd door: ‘Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had’ (vs. 4).

Daarnaast geeft ook de roepingsgeschiedenis van Samuël deze relatie kern­achtig weer: ‘De Here zeide: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort’ (1 Sam. 3:10). In dezelfde traditie staande zegt Jezus later: ‘Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet...’ (Matth. 7:24). Horen en doen, navolgen, daar komt het op aan.

De Here is de ziel van het leven, Hij is de enige weg die we moeten bewandelen. Dat komt ook uit in wat Israël moet horen: De Here is één (echad)! Hij wordt beleden als de ‘Enige’, zowel voor Israël als voor de volken. Hij is de enige die zin geeft aan ons bestaan (vgl. ook 1 Koningen 18: ‘De HERE, die is God’).

Wie het sjema uitspreekt vertrouwt zijn leven toe aan de Here. Hij erkent het Koningschap van de Here of, zoals dat in de joodse traditie heet: ‘hij neemt het juk van Gods rijk op zich’ (kabbalat malkoet ol sjammaim).

Het juk van Gods rijk op je nemen

Als we de eerste tekst van het sjema bekijken (Deut. 6:4-9) wordt gelijk duidelijk wat het betekent om het juk van Gods rijk op je te nemen. De tekst luidt:

4 Hoor, Israël, de HERE is onze God; de HERE is éen!
5 Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.
6 Wat Ik u heden gebied, zal in uw hart zijn,
7 gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.
8 Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn,
9 en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.


De tekst draagt ons op:

  • Te horen dat de HERE de Enige is (vs. 4) De erkenning van Gods Koningschap, zoals geschreven is: ‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’ (Ex. 20:3).
  • De HERE lief te hebben boven alles en met alles wat in ons is (vs. 5).
  • De geboden in je ‘hart’ een plaats te geven. Psalm 119 zegt dit prachtig: ‘Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag’ (vs. 6).
  • De geboden onophoudelijk over te dragen aan het volgende geslacht (vs. 7). Immers, ‘de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen denken om die te doen’ (Ps. 103:17,18).
  • Om uiterlijke tekenen, op de hand, het voorhoofd en de deurposten, te maken die ons aan de geboden herinneren (vs. 8-9). Zo zijn de tefillin, de gebedsriemen, ontstaan die op de arm en op het voorhoofd geboden worden. Daarnaast brengt men op deurposten een mezoeza aan, een kokertje met Torateksten.


Zo wordt in het Jodendom benadrukt dat gebed en gebod een eenheid vormen. Het gebod dat ons onze vrijheid niet ontneemt, maar ons juist een leven in vrijheid garandeert.

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 57 nr. 4 (sep. 2013)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel