pijl omhoog

Israël

Wat bedoelen we als we Israël zeggen?

Kort en krachtig: Israël. Uiteraard is de achtergrond van de vraag het gegeven, dat er een veelheid van duidingen is. Toch onderstreep ik: Israël=Israël; concreet, overal en altijd. Iemand zei jaren geleden tegen me: als je consequent Israël leest waar Israël staat, en niet bijvoorbeeld de kerk of de ziel, krijg je een andere bijbel dan die van de doorsnee christelijke traditie.

Toch: wat is dan dat concrete Israël? Volk van verkiezing en verbond sinds Abram tot op de huidige dag: Israël in O.T., het Jodendom en Joodse volk door de eeuwen heen, Israël in het land en Israël in de diaspora, sinds 1948 de staat Israël, orthodox en liberaal, seculier en religieus, bekeerd en onbekeerd.

Voor mij is dan ook wezenlijk en doorslaggevend hoe Israël zichzelf ziet. ‘Klal Jisraeel’ is een belangrijk begrip: geheel Israël. Daar hoort iedereen bij. Op een prachtige manier wordt dat gezegd in de allegorie van de 4 soorten van Soekot (Loofhuttenfeest), de loelavbundel: de 4 soorten symboliseren 4 soorten mensen: de etrog die reuk en smaak heeft staat voor de Jood die Tora leert en goede daden doet, de palmtak die smaak heeft maar geen geur is de Jood die studeert maar het geleerde niet in goede daden in praktijk brengt, de mirte die wel geurt maar geen smaak heeft staat voor de Jood die goede daden doet zonder te weten waarom, omdat hij geen Tora leert, en tenslotte de wilg die smaak noch geur heeft en staat voor de Jood die niets weet en ook geen goede daden doet – maar ze zijn allemaal in één bundel opgenomen, ze horen er allemaal bij. Klal Jisraeel am echad - geheel israël is één volk. Zo zegt ook de Talmoed dat heel Israël deel heeft aan de toekomende wereld. Als ik vulling geef aan de term Israël dan is het dus in deze richting. Het volk, dat sinds Abram is uitgekozen door God en een unieke rol vervult in Gods geschiedenis tot aan de voleinding. Die unieke rol geldt niet tot op Christus of tot aan de kerk of zo. Wie zo de bijbel leest en Israël concreet invult kan niet anders dan vervangingstheologie en wat daarop lijkt ontmaskeren.

Ik geef een paar voorbeelden m.n. rond de landbelofte.

Het land wordt de aarde

De laatste tijd is de discussie weer opgelaaid rondom de geldigheid van de oudtestamentische landbelofte sinds Christus. De zgn. Palestijnse bevrijdingstheologie, zoals die vooral verwoord wordt door het in Jeruzalem gevestigde Sabeel-instituut speelt daarin een belangrijke rol.

Kort en goed gezegd komt het dan hierop neer: het Oude Testament vindt zijn volledige vervulling in Christus; er zijn geen exclusieve beloften voor Israël meer; er is dus ook geen ‘beloofd land’ meer voor Israël; de nieuwtestamenstische verbreding van de landbelofte brengt heel de aarde in het vizier als terrein van Gods heil, de landbelofte is derhalve vervuld in Christus; en de verkiezing van Israël houdt op met Christus. Het zal duidelijk zijn dat politieke aspiraties niet vreemd zijn aan deze theologie.

Het is ook duidelijk dat de aloude vervangingstheologie hier een hartig woord meespreekt. De klassieke redenering van de vervangingstheologie was: het O.T. is ‘particulier’; het N.T. is ‘universeel’; de beloften aan Israël vinden hun vervulling in Christus; de verkiezing van Israël houdt op met de afwijzing van Jezus als de Messias; de kerk is nu het nieuwe, geestelijke Israël, dat het oude vleselijke Israël vervangt; evenals alle aspecten van het verbond is ook de landbelofte vervallen en vervangen door het brede perspectief van heel de aarde en uiteindelijk het eeuwig hemels koninkrijk.

Sinds de gebeurtenissen in de vorige eeuw (Holocaust, stichting van de staat Israël) zijn er niet zoveel theologen meer die unverfrohren de vervangingstheologie propageren; men zoekt andere wegen en vooral andere aanduidingen: ‘vervullingstheologie’ of ‘verbredingstheologie’, maar afgezien van het met dankbaarheid te constateren feit dat deze nieuwe pogingen in elk geval goede hoop voor Israël open houden gaat het toch voornamelijk om nieuwe vlaggen voor heel oude ladingen.

En opvallend is, dat de meeste van deze theologen de landbelofte als vervuld en verouderd zien, behorende bij de tijdelijke beloften van het oude verbond. Dan is er dus ook geen visie voor een profetische terugkeer van een hersteld Israël naar het beloofde land. Het synodale geschrift van de toenmalige Nederlandse Hervormde kerk ‘Israël, volk, land en staat’ uit 1970 spreekt wat dat betreft volstrekt andere taal: de landbelofte is nog steeds van kracht, en er is sprake van een profetische terugkeer en herstel van Israël; 1948 wordt zelfs een teken van God genoemd.

Jezus, de Jood

Doorslaggevend is natuurlijk wat het N.T. zelf zegt. Er is vaak op gewezen, dat de landbelofte als zodanig nauwelijks in het N.T. voorkomt.


Enerzijds ligt dat voor de hand, gezien het volstrekt vanzelfsprekende van deze belofte voor Jezus en Zijn tijdgenoten: er werden geen vraagtekens geplaatst achter verkiezing, verbond en belofte, integendeel, zij maakten deel uit van Israëls geloofsovertuiging, en behoefden geen aparte behandeling.

Bovendien, als de universele verbreding van het blikveld van het N.T. naar de volkeren van de wereld een verandering in de status van de landbelofte met zich mee had gebracht, had het N.T. daar toch wel melding van gemaakt, gezien de ingrijpende betekenis van deze belofte voor Israël.


Anderzijds valt er nog wel wat meer te zeggen dan te verwijzen naar het (vermeende) zwijgen van het N.T. op dit punt. Wie bijvoorbeeld de bekende woorden van Paulus uit Romeinen 9:4 op zich laat inwerken vindt daar in elk geval een expliciete verwijzing naar de landbelofte: ‘zij zijn Israëlieten, voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften’. Paulus zegt dus, ná Pasen en Pinksteren, dat alle voorrechten van Gods verbond nog altijd geldig zijn voor Israël, en als hij spreekt over de ‘verbonden’ en de ‘beloften’ dan zou het volkomen in strijd zijn met het bijbels spraakgebruik de landbelofte daarvan uit te zonderen . Als we alleen dit woord van Paulus hadden zou dat al genoeg moeten zijn om ervan overtuigd te worden, dat de landbelofte ook ná Christus valide is.

Maar er is meer. De laatste decennia is de overtuiging gegroeid, dat het onmogelijk is Jezus en de apostelen los te maken van hun context in de gemeenschap van het toenmalige Israël. Jezus was een Jood; Paulus was een Jood – en zij hebben zichzelf nimmer buiten hun Joodse context geplaatst. We moeten het Nieuwe of Tweede Testament opnieuw leren lezen, en nu tegen de achtergrond van die Joodse context. Dat betekent voor ons onderwerp, dat we ons afvragen hoe in Jezus’ dagen Messiasverwachting en landbelofte in hun onderlinge verhouding er uit zagen, daar immers de klassieke christelijke opvatting is, dat de in Christus vervulde Messias verwachting opheffing van de landbelofte impliceerde.

Verwachting van het Koninkrijk

Meer dan in het verleden is er vandaag consensus over het gegeven, dat de boodschap van Jezus eschatologisch van karakter is. Zijn prediking zet, net als die van Johannes de Doper, in met de roep tot bekering omdat het Koninkrijk van God naderbij gekomen is. En de boodschap van het Koninkrijk van God kan alleen maar verstaan worden tegen de achtergrond van de gespannen verwachtingen van Jezus’ dagen, samengevat in de term ‘Joodse apocalyptiek’.

Wie zich probeert een voorstelling te vormen van de toekomstverwachting van Tenach, met name de psalmen en de profeten, los van de directe christelijke invulling daarvan, m.a.w. wie Tenach laat spreken zonder dat spreken met christelijke theologische interpretaties al bij voorbaat in de rede te vallen, ziet het volgende beeld: In de toekomst van God, als de Messiaanse tijd aanbreekt, zal de Eeuwige Zijn verbond met Israël bevestigen door de ballingen terug te brengen in het land van de belofte; Hij zal Juda en Efraim verenigen, de 12 stammen bijeenbrengen in het land; Hij zal Jeruzalem stellen ‘tot een lof voor de ganse aarde; de stad van de grote Koning’, centrum van Gods heilshandelen, waarin de tempel zijn plaats zal hebben; Zijn tempel zal ook een huis van gebed voor alle volken zijn, en uit Jeruzalem zal de Tora uitgaan over de ganse aarde; en dat alles onder de heerschappij van de Messias-Koning uit het huis van David.

Dit – samengevat – eschatologisch herstel van Israël, door de profeten beloofd, speelt ook een grote rol in de apocriefe geschriften uit de intertestamentaire periode: land, stad Jeruzalem, tempel en Tora zijn daarin wezenlijk. Dit was het geloof van Israël. Cruciaal is natuurlijk de vraag: vult het Nieuwe Testament dat allemaal anders in, of breekt het misschien zelfs helemaal met deze verwachting? Dat is niet het geval. Jezus en de apostelen voegden zich geheel in dit verwachtings­patroon.

Jezus en de verwachting van Israël

Het begint al direct bij de aankondiging van de geboorte van Jezus door de engel Gabriël aan Maria. Wat zegt de engel? ‘Hij zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God de Here zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jacob Koning zijn’ (Lucas 1 : 32, 33). De troon van David verwijst uiteraard direct naar Jeruzalem, en het huis van Jacob zijn de twaalf stammen van Israël: in lijn dus met de boven geschetste profetische verwachting.


Typerend voor deze verwachting zijn de lofzangen van Zacharias en Maria in het Adventsevangelie (Lucas 1). De priester Zacharias spreekt een indrukwekkende profetie uit over de dingen die gaan gebeuren, en het is voor iedereen die de Bijbel ook maar een beetje kent zonder meer duidelijk, dat hij de taal van de psalmen en de profeten spreekt, de taal van Israëls verwachting. Zoals ook Maria in haar lofzang helemaal de taal van de bijbel spreekt. Zacharias ziet, dat in de dingen die in zijn dagen gebeuren het rijk van de Messias een beslissende stap naderbij komt. Zo is zijn lofzang of zijn profetie ook een kernachtige samenvatting van Joodse, bijbelse Messias verwachting. Zacharias geeft stem aan de Messias verwachting zoals die in zijn dagen sterk leefde.


Als laatste Bijbelgedeelte verwijzen we naar Handelingen 1. Jezus is met zijn discipelen op de berg van de hemelvaart, de Olijfberg. Dan heeft Hij intussen zijn weg op aarde volbracht! Hij is gekruisigd en Hij is opgestaan. En 40 dagen lang sprak Hij met Zijn discipelen over het Koninkrijk van God. Dan valt de vraag van de discipelen: ‘Here, herstelt Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël?’ Door de opstanding van Jezus is het vuur van de verwachting alleen nog maar groter en sterker geworden. Wat valt er nog meer te volbrengen, nu alles volbracht is? Nu zullen toch wel de visioenen van de profeten werkelijkheid worden. Nu zal God tenslotte toch Israël wel herstellen tot de beloofde heerlijkheid.

Op geen enkele manier berispt Jezus dan Zijn discipelen vanwege deze vrijmoedige vraag. Hij zegt ook niet, dat hun verwachting verkeerd gericht is en dat ze zich helemaal vergissen, zoals de christelijke exegese deze vraag veelszins heeft uitgelegd. De vraag naar het herstel van het rijk voor Israël is in feite de meest wezenlijke vraag die op dat moment gesteld kan worden!

Maar Jezus laat ze dan een ander en onverwacht perspectief zien over de manier waarop die hoop werkelijkheid wordt. En Hij zegt daarbij, dat de tijden en de gelegenheden alleen bij de Vader bekend zijn. Alleen de Vader weet wanneer het tijdstip gekomen is, dat het rijk volledig door zal breken.

Er zal eerst nog een tussentijd komen, die in het teken zal staan van het werk van de Heilige Geest. Het belangrijkste wat in die tussentijd zal gaan gebeuren is, dat de getuigen van Jezus zullen uitgaan tot aan de uitersten van de aarde. In het antwoord van Jezus is er geen sprake van afstel van het rijk voor Israël, alleen van uitstel. En dat uitstel heeft zijn plek in het plan van God om ook de volken in kennis te brengen van de God van Israël en van zijn Messias en van Zijn heil. Want alle mensen moeten de gelegenheid hebben om God te leren kennen en Jezus te leren kennen. God laat in Zijn liefde en genade het evangelie van de geboren Koning der Joden over heel de aarde gaan om niet alleen Israël maar ook de volken te bereiken met Zijn heil! Omwille van ons heil wordt het ongeduld van de discipelen op de Olijfberg nog niet beloond: God wil ook de gojiem erbij hebben!

Intussen blijft de belofte en blijft de profetie: God herstelt het rijk voor Israël. Maar dat blijkt dan verrassend genoeg ook heil voor de volkeren te zijn. Zo is het plan van God. Voordat Jezus zitten zal op de troon van David en Israël definitief van zijn vijanden zal verlossen zodat het God kan dienen in heiligheid en gerechtigheid worden de heidenen geroepen en genodigd tot datzelfde heil.

Conclusie

Al Gods beloften zijn ja en amen in Christus: de weg van Christus heft de beloften voor Israël niet op, maar bevestigt ze: de landbelofte, de belofte van terugkeer en herstel van Israël, de belofte van herstel van Jeruzalem (zie bv Rom. 15). In beide delen van de bijbel zijn de Messias­verwachting en het herstel van de 12 stammen in het land rondom de stad Jeruzalem met elkaar verbonden, en derhalve heeft de landbelofte op geen enkel wijze haar betekenis verloren of een betekenisverandering ondergaan met de komst van Christus. De eerste komst van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest zijn het onomkeerbare begin van de vervulling van al Gods profetische beloften, waarbij alle volkeren in het vizier komen; de volledige vervulling van Gods beloften vindt plaats in de voltooiing van het Koninkrijk van God in de wederkomst van Christus of wel de komst van de Messias, en onlosmakelijk daarmee verbonden is het eschatologisch herstel van het volk Israël in het land Israël; geen van Gods beloften is vervallen – “al wat Hij ooit beloofd heeft zal bestaan.”

In de actuele situatie betekent dat, dat Israël niet alleen een volkenrechtelijk gegarandeerd bestaan in het land heeft, maar een recht vanuit het verbond en in het kader van de (beginnende) vervulling van profetische beloften, en dat Jeruzalem – en dan gaat het met name om het meest omstreden deel, de zgn. ‘oude stad’ oftewel Sion -, de ondeelbare heilige stad van Israël is.

ds. Jaap de Vreugd
Vrede over Israël jrg. 58 nr. 3 (jun. 2014)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel