pijl omhoog

Israël in de visie van de Nadere Reformatie


Binnen de stroming van de Nadere Reformatie was er niet één visie op Israël. Als het gaat om Israël binnen deze belangrijke en boeiende stroming in de kerkgeschiedenis, moeten we eerder denken aan de rok van Jozef, die gevarieerd en veelkleurig was.


De opvattingen over het Joodse volk waren onder de ‘oude schrijvers’, van Willem Teellinck (1579-1629) tot Theodorus van de Groe (1705-1784), niet allemaal koekoek één zang. In de loop der tijd kwam ik erachter dat er tenminste vier categorieën te onderscheiden zijn. Ik zet dit viertal in deze bijdrage op een rij en zal bij iedere categorie één of meer namen noemen en enkele opmerkingen toevoegen. Het spreekt voor zich dat van volledigheid geen sprake kan zijn.

1. Vergeestelijking en vervanging

Hoewel onder de oudvaders een brede belangstelling aanwezig was voor de toekomst van Israël, leefde toch niet iedere representant van de Nadere Reformatie met verwachting voor het oude bondsvolk.

Te denken valt aan de Rotterdamse predikant Franciscus Ridderus (1620-1683). Meer dan een kwart eeuw lang is hij als voorganger verbonden geweest aan de gemeente van onze grootste havenstad. Hij werd er gewaardeerd om zijn prediking en pastoraat. Liefde voor het Joodse volk – Gods oogappel – heeft hij hen niet bij­gebracht. Hij sloot een toe­komstige bekering van Joden niet uit maar minimaliseerde deze – vanwege de uitverkiezing – wel in sterke mate.

Van een terugkeer van Joden naar het beloofde land wilde hij niet weten en hij ontpopte zich als een geharnast bestrijder van chiliastische verwachtingen betref­fende het Joodse volk in een duizendjarig vrederijk. Concrete beloften en profetieën werden door hem bij voorkeur vergeestelijkt of betrokken op het verleden.

Een tweede oudvader die tot deze eerste categorie gerekend kan worden is Jacobus Fruytier (1659-1731), die eveneens geruime tijd de gemeente van Rotterdam diende. Bij hem is sprake van een loepzuiver vervangingsdenken: de kerk is in de plaats van Israël gekomen en heeft alle rechten en voorrechten van het Joodse volk overgenomen.

2. Massale bekering

Onder de oude schrijvers die wel rekenden met een heilvolle verwachting voor Israël, moet als eerste Gisbertus Voetius worden genoemd. Deze erudiete hoogleraar in Utrecht rekende stellig met een toekomstige bekering van het Joodse volk. De uitleg van Romeinen 11:25-27 speelde daarbij een doorslaggevende rol. Hij distantieerde zich nadrukkelijk van Johannes Calvijn, die meende dat de aanstaande bekering van ‘gans Israël’ niet slaat op het concrete Joodse volk, maar op de totaliteit van de uitverkorenen uit Joden en heidenen samen.

Voetius rekende op basis van de woorden van Paulus met een massale bekering van Joden, wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Zijn verwachting beperkte zich wel tot het twee-stammenrijk, aangezien de tien stammen sinds de Assyrische wegvoering waren opgegaan in de volkerenwereld.

Voetius combineerde zijn hoop voor het Joodse volk met een sterk missionaire attitude ten aanzien van de Joden in zijn dagen. De bekering van Israël zal ten diepste een werk van God Zelf zijn, maar de christelijke gemeente dient zich daarbij wel te laten inschakelen. Voetius is wars van chiliastische speculaties en heeft zijn afwijzing daarvan niet onder stoelen of banken geschoven.

Soortgelijke geluiden vernemen wij bij Voetius’ collega en geestverwant Johannes Hoornbeeck. Deze geleerde oudvader onderscheidt zich bovendien door zijn fenomenale kennis van het Jodendom en Joodse traditiewerken zoals de Talmoed en de Targoem.

3. Terugkeer naar het beloofde land

Een stap verder in hun verwachting gingen de oude schrijvers die behalve met een toe­komstige bekering van Israël ook rekenden met een massale terugkeer naar Eretz Jisraeel. Een overtuigd voorstander van deze opvatting was Andreas Essenius (1618-1677). Deze begaafde voetiaan was jarenlang werkzaam in de Domstad, eerst als predikant en later tevens als hoogleraar. Hij was actief betrokken bij een ‘project tot bekering van de Joden’, dat geboren werd in de Utrechtse kerkenraad maar later ook op de agenda’s van classis en provinciale synode terechtkwam.

Essenius was een vurig voorstander van missionaire activiteiten onder de Joden. Naast de hoop op de aanstaande toebrenging van de Joden tot Christus rekende hij ook stellig met hun terugkeer naar het land van hun vaderen en met de renovatie van Jeruzalem. Opvallend is dat Essenius ervan uitging dat ook de Tien Stammen tot de teruggekeerden zullen behoren.

4. Bloeitijd vóór de wederkomst

Een belangrijke stem in de bezinning rond Israël in de tijd van de Nadere Reformatie is die van Wilhelmus à Brakel (1635-1711). Ook hij diende de gemeente van Rotterdam als predikant. Een centrale rol in zijn Israëlverwachting speelde de notie van het verbond. Hij was er diep van overtuigd dat God Zijn verbond met Israël, ondanks Israëls ontrouw, niet heeft opgezegd.

Dit uitgangspunt vormde de basis voor Brakels hoop op de toekomstige bekering van Israël, die hij omschreef als een nationale bekering. Hij rekende niet slechts met de toe­brenging van een aantal individuele Joden, maar met een collectieve bekering. Heel de Joodse natie zal Jezus straks erkennen als de ware en enige Messias die aan Israël beloofd is. In het verlengde van deze verwachting – die deze voetiaan baseerde op de voorzegging in Romeinen 11 – ging hij er ook stellig vanuit dat de Joden zullen terugkeren naar hun thuis­land. Jeruzalem zal herbouwd worden. Bovendien zal er dan een heerlijke bloeitijd aan­breken, waarin de bewoners van Kanaän buitengewoon godzalig zullen leven. Zij zullen deel uitmaken van de heerlijke ‘staet der Kerke van de duysent jaren welke Openbaring XX voorseght is’. Zelfs de schepping zal opademen tijdens deze periode van geestelijke groei en bloei. Brakel verwees voor deze post-chiliastische verwachting naar het profetische Woord: Jes. 61:1-9; Deut. 30:1-6; Amos 9:14-15; Ezech. 37:21-25; Jes. 62:1-4; Zach. 2:4; Zach. 12:6.8 en Zach 14:10-11.

Geen prechiliasme

De vraag of er onder de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie sprake is van chili­asme, de opvatting dat er een duizendjarig vrederijk komt, hetzij vóór (pre), hetzij na (post) Christus’ terugkeer, heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. Sommigen beweren bij hoog en bij laag dat geen van de representanten aanhanger was van dit escha­tologische concept. Ik ben het daar niet mee eens. Naar mijn vaste overtuiging kunnen oudvaders als Essenius, à Brakel, Koelman en Van der Groe gerekend worden tot de post­chiliasten. Aanhangers van het prechiliasme zal men in deze stroming met een lantaarntje moeten zoeken en dan vermoedelijk niet vinden. De gedachte aan herstel van de tempel, hervatting van de oudtestamentische offercultus en een lichamelijke regering van Christus in het vrederijk werd door de voetianen doorgaans mordicus afgewezen als ‘judaïserende’ dwaling.

Onder de aanhangers van Johannes Coccejus, die merendeels niet tot de Nadere Reformatie worden gerekend, kwamen deze denkbeelden wel voor. Zo moet de befaamde hoogleraar Jacobus Alting uit Groningen ooit gezegd hebben, dat hij wel een leviet wenste te wezen in het herbouwde heiligdom in Jeruzalem. Ds. Joachim Mobachius (1699-1790) uit ’s Hertogenbosch ging er ook vanuit dat de offerdienst in de nieuwe tempel hervat zou worden. Het zouden alleen geen zoenoffers meer zijn, maar dankoffers. Zoals de offers in het Oude Testament vooruitzagen naar het grote offer van de beloofde Messias, zo zal straks de offerdienst terugzien op het volbrachte werk van Christus aan het kruis.

Stof tot nadenken

Al met al geeft de variëteit aan Israëlvisies onder de Nadere Reformatoren stof tot nadenken. Het zou waardevol zijn als in dit jaar, waarin we het zeventigjarig bestaan van de staat Israël gedenken ook hun inbreng wordt meegewogen.

dr. Theo van Campen
Verbonden jrg. 62 nr. 2 (mei 2018)
www.kerkenisrael.nl/verbonden

verbonden