pijl omhoog

De Christelijke Gereformeerde Kerken in de relatie Kerk-Israël


Beginnend te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria is de kerk van Jezus Christus haar weg tot ‘het uiterste der aarde’ gegaan in een niet te ontkennen relatie met Israël.

De eeuwen door is echter geprobeerd deze relatie wél te ontkennen en aan te vechten, vaak tegelijk met het bestaan, althans het bestaans­recht van het joodse volk zelf.

En als de relatie niet werd geloochend of genegeerd, dan werd die relatie meestal uitsluitend erkend vóór de kerk ‘op weg’ ging, maar wat de eigen situatie betreft, beperkt tot de instelling dat Israël in die relatie alleen fungeerde als object van kerkelijke bearbeiding op één lijn met ‘mohammedanen en heidenen’.

Dat voor joods besef déze relatie-inzet een geestelijke ‘Endlösung’ betekende (en betekent), minstens zo gevreesd en gehaat als de lijfelijke, drong doorgaans nauwelijks door, zelfs niet tot hen die met grote liefde zich gaven voor Israël en het werk onder Israël.

De Chr. Geref. Kerken vormen hierop geen uitzondering!

Israël en de afgescheiden kerken

Het heeft een veertig jaar geduurd voor de kerken die uit de Afscheiding van 1834 zijn voortgekomen, oog kregen voor Israël.

Natuurlijk wil dat niet zeggen dat Israël nooit ter sprake is gekomen in die veertig jaar.

Aan de opleiding tot predikant te Dwingelo enz. is een zekere Abraham Ephraim Rozenzweig verbonden geweest, een bekeerde jood, die tussen 1840 en 1850 een grillige baan door de kerken ging en onder meer ‘zendeling onder Israël’ werd genoemd.1

Dat Israël niet geheel uit het oog werd verloren blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat de provinciale vergadering van Leerdam op 26 en 27 april 1843 sprak over het aanstellen van ‘een Zendeling ... werkzaam tot bekeering der Joden’.2

Zo zullen er wel meer voorbeelden te vinden zijn, waaruit blijkt dat de Afgescheiden kerken niet alleen weet hadden van het Israël dat men in de Bijbel tegenkwam, maar ook van het ‘oude bondsvolk’ dat nog onder het Nederlandse volk woonde en zijn aan de vaderen getrouwe weg ging. Maar van dat weten dringt die eerste veertig jaar niets door tot het geheel der kerken in generale synode bijeen!


Eerst de generale synode van 1875 krijgt te overwegen ‘of het niet wenschelijk is de Zending onder Israël te behartigen’.3

Deze zaak wordt in het kader van de ‘Binnenlandsche Zending’ aan de orde gesteld, in het kader dus van wat wij nu ‘evangelisatie’ noemen. Of het destijds ook zo gevoeld werd, is de vraag, maar op zichzelf is deze plaatsing veelzeggend. Immers evangelisatie richt zich op hen die ‘van het Evangelie vervreemd zijn’ volgens de omschrijving die onze Kerkerde in art. 21 geeft. De synodale Handelingen maken er geen melding van, maar ‘ergens’ moet er toch enig besef zijn geweest: ze horen er ook bij! Of zou het alleen maar een kwestie zijn van geografie: tegenover het ‘buitenland’ (waar de ‘buitenlandse zending’ werkt) staat nu eenmaal het ‘binnenland’ (maar in wezen maakt het geen verschil: ze blijven met ‘mohammedanen en heidenen’ op één hoop geveegd!)? Of de synode hierover gediscussieerd heeft, vermelden de Handelingen niet.

Wel is er ‘eenige discussie’ geweest ‘over de bezwaren en geestelijke voordeelen, aan de Zending onder Israël verbonden, bovenal over onze verplichting en roeping jegens Gods oude volk’. Hoe deze discussie ook geweest moge zijn, de tekst van de Handelingen laat vermoeden dat men Israël niet als ‘relatie-vreemd’ aanmerkte. Het gebruik van de naam ‘Israël’ in plaats van ‘joden’ kan ook in deze richting wijzen.

In elk geval benoemt de synode een commissie die ‘vooralsnog’ een zeer beperkte taak krijgt ‘daar zij allereerst zal moeten afwachten of die zaak genoeg­zamen bijval en geldelijke onder­steuning vindt, en dan zal moeten omzien naar de beste middelen om tot het doel te komen, Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’. Tot leden van de commissie worden benoemd de predikanten E. Kropveld, H. Beuker en D.K. Wielenga. Wat er plaatselijk ook moge zijn gedaan, kerk­verbandelijk begint nu het Israël-werk van de Afgescheiden kerken!


Opmerkelijk is dat de Handelingen de naam van ds. Eliëzer Kropveld - die géén lid van de synode was - voorop zetten. Dat zal niet uit reverentie voor een niet-synodelid zijn gedaan. Bewust of onbewust zal hier een rol hebben gespeeld dat ds. Kropveld van joodse afkomst was en dus ‘van huis uit’ de aangewezen figuur geacht kon worden voor dit op te zetten kerkewerk. Als secretaris-penningmeester van het nieuwe deputaat­schap is een belangrijk aandeel in de ‘zeer beperkte’ taak - die de synode overigens niet omschreef - blijkens de Handelingen van de volgende synoden wel voor zijn rekening gekomen. Meer dan dertig jaar heeft hij de rapportering aan de elkaar opvolgende eerst Chr. Geref. later Geref. synoden behartigd, althans de rapporten ondertekend.

Ds. Kropveld, de eerste Israël-secretaris

Eliëzer Kropveld werd op 8 juni 1840 te Coevorden geboren uit joodse ouders. Hij werd goed orthodox opgevoed, maar blijkbaar niet zó streng dat christelijke lectuur voor hem ontoegankelijk werd dan wel zonder meer door hem gemeden werd. Geschriften van Brakel, Smytegeld en Hellenbroek - in die tijd goed bekende lectuur - kreeg hij bij buren in handen. Ook het Nieuwe Testament. De nieuw­testamentische figuren bleven hem dus niet onbekend. Het was voor hem ‘aantrekkelijke’ lectuur waarvan hij uit ‘nieuws­gierig­heid’ kennis nam.

Mede door allerlei persoonlijke contacten met christenen werd hij tenslotte ‘aan de voeten van zijn Messias’ gebracht - om met de woorden van de synodale Acta te spreken (wat zó van niemand onder de ‘heidenen’, de gojiem is te zeggen!).

Op 7 maart 1862 deed hij belijdenis in de kerk van Schoonebeek, waar hij 12 maart 1862 werd gedoopt.

Werkzaam in de kleine handel groeide bij hem de begeerte zelf het Evangelie te verkondigen. In 1864 werd de weg naar de Theol. School te Kampen geopend waar hij, de ‘eersteling uit Israël’4 tot predikant werd opgeleid.

In het ambt bevestigd in 1870 diende hij achtereen­volgens de kerken van Veldhausen, Koudum, Minnertsga, Alblasserdam, Driesum, Waddinxveen en Rijswijk. In 1908 ontving hij emeritaat.

Op 3 aug. 1920 mocht hij met Abraham, Izak, Jacob en al de profeten gaan aanzitten in het Koninkrijk Gods.5

Het Israël-werk van de kerken vóór 1892 is niet los te denken van deze bezielde en toegewijde prediker. In het kader van dat werk gaf hij een biografisch geschrift uit: ‘Uit duisternis tot licht’, dat niet alleen diende om de gemeente tot het werk op te wekken, maar ook om onder de joden te worden verspreid. Er zijn meer geschriften door dr. Kropveld gepubliceerd. Vermoedelijk zijn er naamloos ook vele traktaatjes van zijn hand verschenen zoals van een bestuurslid (jarenlang) van het ‘Tractaat­genootschap Filippus’ te verwachten is.

Aan de hand van de door hem naar alle waarschijnlijkheid geconcipieerde en in elk geval onder­tekende rapporten aan de generale synode willen we proberen ons een idee te vormen omtrent de relatie kerk-Israël zoals deze naar de kant van de kerk op de breedste vergadering van de kerken werd beleefd.

Israël ter synode

Wie de rapporten leest van ds. Kropveld en de zijnen - de soms driemaal herhaalde dank van de synode wijst er wel op dat deze de stuwende kracht achter het commissie­werk was6 - zal zich goed moeten realiseren dat de visie op Israël, op de verhouding tussen kerk en Israël, op ‘verplichting en roeping’ van de kerk ten aanzien van Israël op zulk een wijze onder woorden wordt gebracht dat zij volop kinderen van hun eigen tijd blijken te zijn.

Wij die de ervaringen van ónze eeuw hebben moeten verwerken (Hitler / staat Israël) mogen hen die een eeuw geleden met Israël bezig waren, niet verwijten dat zij dat niet konden verdisconteren in hun verwoording van de Israël-visie. Het heeft ons moeite genoeg gekost om met die ervaringen verder te komen... en het kost nog alle moeite! Wanneer gesproken wordt over het ‘verblinde Israël’, over ‘Israëls hard­nekkigheid’, over de ‘voort­durende blindheid en verre­gaande verharding mijner broederen naar den vleesche’ (aldus ds. Kropveld zelf), dan doet dat ons anders ‘hartzeer’ dan onze voorgangers, honderd jaar geleden.

Wat de collega van ds. Kropveld, het commissie­lid ds. H. Beuker schreef over de ‘Joden­kwestie’ in het blad ‘De Vrije Kerk’7 illustreert dat nog beter. Dat ds. Kropveld en de zijnen echter de kerk bepaalden bij Israël, vast­hielden aan de belofte voor Israël en niet maar wat bezig waren met een paar Israël-vrienden (terwijl toch zij niet ontbraken die ‘geene sympathie hebben voor eene afzonderlijke Zending onder Israël’,8 zegt méér, zo niet alles. Het zou van geestelijke bekrompen­heid getuigen om goedkoop en banaal op het werk van die generatie af te geven omdat zij het inzicht en de visie die wij beweren te hebben, miste. Zonder hen waren wij nergens!


Kropveld en de zijnen - maar hij wel voorop - hebben getast naar de ‘beste middelen om tot het doel te komen’ zoals men dat toen formuleerde: ‘Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’. Naar de kant van de kerken zocht men ‘genoegzamen bijval en geldelijke ondersteuning’ door voorlichting via bidstonden enz. Kropvelds eigen gemeente, Koudum, kwam ‘gedurig samen om van Israëls God Israëls heil af te smeeken’.

Dankbaarheid spreekt uit het eerste rapport van de Israël-commissie aan de generale synode van 18779. Wat de ‘geldelijke onder­steuning’ betrof, spreekt het rapport over: ‘boven verwachting gezegend, doordien uit schier alle hoeken van ons vaderland, en zelfs uit Duitschland en Amerika de giften ons toevloeiden’. En in het tweede rapport aan de synode van 1879 vermeldt de commissie zelfs: we ontvingen veel meer dan we nodig hadden.10 Blijkbaar verraste dit resultaat de commissie min of meer, want op de vraag ‘Van waar al dit geld in zoo korte tijd?’ antwoordt zij: ‘van broeders en zusters, wier toegenegen­heid des harten is voor Israël; van gemeenten, die door den kerkeraad aangemoedigd, in liefde aan het nog verblinde Israël dachten, en niet het minst van onze jongelings-, jongelieden-, vrouwen-, jongedochters- en zang-vereenigingen, die als om strijd zich hebben beijverd den arbeid onder Israël te schragen.’


Naar de kant van Israël lag het wel iets moeilijker. Wie ‘kerk’ zegt, over ‘kerkewerk’ spreekt, kan niet doen alsof er geen Evangelie bestaat. Dienst van, aan, in de kerk heeft altijd met dat Evangelie, met de ‘verkondiging’ - hoe dan ook - van dat Evangelie te maken. Wanneer de kerk de ‘ander’ benadert, dan gaat dat nooit buiten dé boodschap om, tenzij men de kerk verlaagt tot een - in wezen overtollig - clubje religieus-humanistisch georiënteerde gelijkgezinden.

Tastend hebben Kropveld en de zijnen gepoogd Israël te benaderen. Het uitgeven van een ‘traktaat’, oordeelden zij, ‘zou niet ondoelmatig zijn’ - aldus het reeds genoemde rapport aan de synode van 1877.

Bij honderdtallen zijn traktaten verzonden om ‘door middel van onze gemeenten en vereenigingen met milde hand onder Israël te verspreiden’. In hoeverre het ‘verblinde’ Israël bereid en in staat zal zijn deze traktaatjes te lezen, is een vraag die niet direct gesteld wordt.

In elk geval - dit middel ‘om tot het doel te komen’ lijkt kennelijk niet het enige dat de commissie voor ogen staat. Het komt de commissie ter synode (1877) ‘wenschelijk voor, dat niet dadelijk, maar in ’t vervolg een zendeling-leeraar benoemd worde, die in ons vaderland, bepaald onder Israël werkzaam is, terwijl zij inmiddels met het verspreiden van tractaatjes kan voortgaan’.11 Deze wens vindt weerklank bij de synode.

Sommigen willen meteen al een ‘zendeling-leeraar’ benoemen; anderen willen dat niet ‘op deze Synode’ doen. Over de vraag ‘of dit nu of later geschieden zal’, staken de stemmen en dus: ‘het punt wordt aangehouden tot de volgende Synode’.

De synode van 1879 krijgt deze zaak derhalve op haar tafel.

Uitvoerig wordt gedelibereerd over de vraag of een ‘zendeling-leraar’ dan wel een ‘Colporteur-bezoeker’ benoemd moet worden. De voorstanders van het laatste idee betogen dat de arbeid onder Israël ‘beproefd’ dient te worden met ‘huis­bezoek en Colportage en niet door prediking, waartoe de Joden moeilijk te vergaderen zijn en waarvoor geen afzonderlijke Joden-prediker doelmatig kan geacht worden’. Weer staken de stemmen ‘zoodat de benoeming moet worden aangehouden’ nl. van een zendeling-leraar.

Door het accent te leggen op ‘proeve’ gelukt het ‘aan de Commissie voor de Zending onder Israël het recht en het mandaat te verleenen om, wanneer zij een geschikt persoon kan vinden, een Colporteur-bezoeker aan te stellen’.12


Aan de synode van 1882 kan gerapporteerd worden dat de commissie in 1880 uit een viertal gegadigden de heer P. Koster te Middelburg koos tot ‘Colporteur-Bezoekbroeder’, die ‘niet van bekwaamheid ontbloot was, om op doelmatige wijze onder de kinderen Jakobs werkzaam te wezen’.13

En het resultaat? Reeds de synode van 1882 is kritisch en twijfelend: ‘Welke vrucht draagt Kosters arbeid in Amsterdam?’ - een in dit verband zo vaak herhaalde vraag! De commissie antwoordt: ‘Hoewel er veel door hem gearbeid is, kan er op vrucht van dadelijke bekeering nog niet gewezen worden’.14 ‘Maar, merkt zij min of meer ter troosting op ‘dat het ook uiterst moeielijk is, om met de Joden in aanraking te komen, en dat ook de vrucht van anderer arbeid op dit gebied nog uiterst schaarsch is’. Toch meent zij ‘dat wij nochtans met het oog op Rom. 11, met dezen arbeid moeten voortgaan’. Dat laatste is voor de synode klaarblijkelijk nog een vraag, maar ‘eindelijk’ verenigt zij zich met het gegeven advies wel ‘op den ingeslagen weg’ voort te gaan.


Zo werkt de commissie met br. Koster voort en houdt met een beroep op Ps. 105:5 (ber.) goede moed ten overstaan van de synode van 1885 ‘ook al is nog niet één bekeerling als vrucht van onzen arbeid aan te wijzen’.15

Wel zijn er teleurstellingen. Met naam en toenaam wordt één geval breedvoerig in de rapporten vermeld. Zelfs het tijdschrift ‘De Vrije Kerk’ wijdt er enkele artikelen aan.16

Teleurstellend is ook dat de ‘Commissie allengs tot de overtuiging’ kwam ‘dat de arbeid onder en voor Israël meerdere eischen stelt dan waaraan onze Colporteur-Bezoekbroeder kon beantwoorden’.17 Hij wordt ontslagen; ‘welk ontslag door ZEd. met de meeste bescheiden­heid werd geaccepteerd’.18

De commissie erkent dat ‘er wel van belangstelling bij sommige Israëlieten kan gesproken worden, maar niet van toebrenging tot Christus’.19


De synode van 1888 is nogal kritisch: wat er gedaan werd ging tot nu toe te veel buiten de joden om! Is er een andere methode mogelijk? De commissie stelt de ‘stugheid en ongenaakbaarheid der Joden’ aansprakelijk. Ds. Kropveld voelde de kritiek blijkbaar reeds aankomen toen hij het rapport aan de synode van 1888 besloot met de woorden: ‘En nademaal de Heere der Gemeente niet heeft gezegd: ’Gaat heen en bekeert de menschen’, maar wel gezegd, dat wij hun de blijde boodschap des heils zullen brengen, behoeven wij op de vrucht geenszins te zien, hoe begeerig dezelve ook is.’

Wie de laatste rapporten vóór 1892 leest, kan zich moeilijk onttrekken aan de indruk dat de onzekerheid, de verlegen­heid toeneemt. Er is nog enthousiasme, maar het lijkt erop dat de weerstanden sterker worden.

De synode van 1891 oordeelt ‘dat de Commissie voor de Zending onder Israël vooralsnog niet tot de benoeming van een Zendeling-leeraar moet overgaan, maar op dezelfde wijze voort arbeiden’.20 Maar juist ten aanzien van de ‘wijze’ van arbeiden blijken er vragen te zijn, zodat in de praktijk alleen de traktaatverspreiding wordt voortgezet. De commissie heeft nog wel idealen, maar de synode ziet het kennelijk niet (meer?) zitten. Zo nadert ‘1892’!

‘1892’ en Israël

Bij de onderhandelingen met de Dolerende kerken over de vereniging van de Afgescheiden en Dolerende kerken speelt het Israël-werk in geen enkel opzicht mee.

De synodale Handelingen van 1892 maken melding van een zeer opmerkelijk feit.21 De Ned. Geref. Kerken hebben ‘tot nu toe geen Zending onder Israël’. Integendeel: ‘uit geschriften van sommige leden dier Kerken’ is gebleken ‘dat velen hunner geene sympathie hebben voor eene afzonderlijke Zending onder Israël’. Daarom stelt de commissie voor ‘dat de kas voor de Zending onder Israël wel eigendom worde van de vereenigde Kerken, doch dat de gelden nimmer aan hunne oorspronkelijke bestemming onttrokken mogen worden’.

Wel wil de commissie ‘aan het gewaardeerd oordeel der vereenigde Kerken’ de vraag onderwerpen ‘of de Commissie gecontinueerd, en zo ja, - of zij dan ook aangevuld zal worden?’ Wat er met de kas moet gebeuren als de ‘vereenigde Kerken’ tot een ‘neen’ zouden besluiten, staat er niet bij in de Handelingen! Een van de pre-adviserende leden weet de commissie evenwel gerust te stellen: de tegenwoordige bestemming blijft behouden, wat bij de behandeling van de ‘Bepalingen’ nog eens nadrukkelijk wordt onderstreept.22 Zo wordt na 1892 het Israël-werk in de verenigde kerken voortgezet met dien verstande dat de ‘commissie’ nu ‘deputaten’ heet en dat de naam ‘Israël’ verdwijnt en vervangen wordt door ‘de Joden’.23


De vraag waarom vele Dolerenden ‘geene sympathie’ hebben voor een ‘afzonderlijke Zending onder Israël’ (in de verenigde kerken blijft het Israël-werk de eerste jaren een typische A-aangelegenheid), kan in het kader van dit artikel blijven rusten.

Enkele jaren geleden is in ons blad betoogd dat de dogmatische opvattingen die in de Dolerende kring overheersend waren (waartegen de bezwaarden van 1892 protest aantekenden toen de Chr. Geref. synode de waarheids­vraag in dezen stelsel­matig omzeilde), op dit punt niet te negeren zijn.24


Wat het Israël-werk van de Chr. Geref. Kerk betreft, betekende de vereniging van 1892 een scherpe cesuur, ook al drong de betekenis ervan destijds nauwelijks door, zelfs niet tot de ‘bezwaarden’ die het bestaan van de Chr. Geref. Kerk prolongeerden. Wie mocht denken dat het verzet tegen de ‘Kuyperiaanse’ verbonds­beschouwing een vruchtbare bodem betekende voor vernieuwd Israël-werk, komt teleur­gesteld uit.

Die teleur­stelling wordt in zekere mate getemperd, wanneer men bedenkt dat er intern enorm veel te doen was om de herleefde kerk gestalte te geven, het kerkelijke leven weer op te bouwen. In zo’n situatie is het begrijpelijk dat het moeite kost om wat ‘buiten de kerk’ ligt, in het vizier te krijgen. Dat gold de ‘buiten­landse zending’; dat gold ook Israël.

Duurde het ruim veertig jaar voor de vroegere Chr. Geref Kerk met de ‘Zending onder Israël’ begon, voor de huidige Chr. Geref. Kerk kostte het bijna veertig jaar voordat deze Israël kerkelijk in het vizier kreeg nl. tot 1931 toen het deputaatschap voor de ‘Zending onder de Joden’ werd ingesteld.


Dat er in die veertig jaar wel aan Israël is gedacht blijkt bij­voorbeeld uit een ingezonden stuk in ‘De Wekker’ van 31 maart 1911: ‘... nu arbeiden wij mee aan de helft van dat gebouw (bedoeld is: door middel van de buitenlandse zending - MD). Een architect heeft in zijn bestek het gehele gebouw opgenomen. (...) daarin is opgenomen Jood en Heiden’. In een naschrift vertelt de Wekker-redactie dan dat de classis Utrecht deze zaak besproken heeft met de uitslag ‘ze zeer aan te bevelen in de voorbede der gemeente’.

Een ander voorbeeld is: de classis Amsterdam van 8 april 1919 diende een instructie bij de part. synode in om een commissie te benoemen voor ‘Zendings­arbeid onder Israël’. De part. synode besloot toen aan de generale synode voor te stellen ‘de inwendige Zending ter hand nemen, en wel a. onder de Joden; b. onder allen in Nederland, die buiten het Evangelie leven’.

De generale synode van 1919 aanvaardde het voorstel en stelde een deputaat­schap in: met mandaat tot de part. synoden van 1920 worden tot deputaat benoemd ds. L.H. van der Meiden, ds. A.M. Berkhoff en ds. A.H. Hilbers.25 Of deze deputaten - hun aantal werd in 1923 uitgebreid tot negen - veel activiteiten hebben ontwikkeld met betrekking tot hun eerste opdracht om de ‘inwendige zending’ ter hand te nemen ‘onder de Joden’? Uit de rapporten aan de generale synoden blijkt in elk geval niet dat hun primaire aandacht op deze opdracht was gericht. De synodale Handelingen zwijgen over elke activiteit tot die van 1928, wanneer voor het eerst een rapport van dit deputaatschap ter synode dient via een van de particuliere synoden.26 Maar over de ‘inwendige zending onder de Joden’ geen woord!


En dan opeens is er op de synode van 1931 een instructie van de part. synode van het Zuiden die de er de aandacht op vestigt ‘dat de Kerk ook eene roeping heeft, om te arbeiden onder de Joden’.27

Waar deze instructie vandaan komt, is uit het verslag van de vergadering van deze part. synode in ‘De Wekker’ van 19 juni 1931 niet op te maken, omdat dat verslag er geen melding van maakt. Ook de classes die aan deze part. synode voorafgingen, reppen met geen woord over deze zaak in de respectievelijke Wekker-verslagen.

Maar de generale synode van Rotterdam besluit op woensdag 22 juli 1931 ‘voorloopig Deputaten voor de Zending onder de Joden te benoemen, totdat de Part. Synodes vergaderen. Benoemd worden Ds. W. Kremer, Ds. N. Brandsma en Ds. J. Reesink.’

Opmerkelijk is weer dat de bewuste instructie behandeld wordt in het kader van de ‘inwendige zending’: ‘In de besprekingen over den arbeid der Inw. Zending wordt gewezen op de roeping der Kerk, om ook Israël, het oude Volk Gods, de stem van het Evangelie te doen hooren.’

Uit de stukken blijkt nergens dat men zich serieus heeft afgevraagd waarom men eerst het Israël-werk bij de evangelisatie wilde inlijven en later toch afzonderlijk opzette. Ook al zat ‘inwendig’ veelszins synoniem gebruikt zijn voor ‘binnen­lands’ in tegenstelling tot ‘buiten­landse’ zending, er klinkt toch iets in door van een relatie die anders is dan die met ‘mohammedanen en heidenen’ - reeds werd hierop in overeenkomstige situatie gewezen (1875!). En in elk geval - het Dolerende bezwaar tegen de naam ‘Israël’ (blijkens een door dr. Kuyper ondertekend rapport aan de generale synode van de Geref. Kerken in 189628 wordt niet onderschreven. Ook al gebruikt men in de titel van het deputaatschap deze naam niet, men schuwt de naam ‘Israël, het oude Volk Gods’ niet!

Opnieuw deputaten - 1931

Het nieuwe deputaatschap kon dus met zijn werk beginnen.

De start zal niet gemakkelijk zijn geweest. De jaren ’30 boden niet zo bar veel perspectief om nieuw kerkewerk ter hand te nemen. Moeizaam is het werk op gang gekomen. In het archief van het deputaat­schap is nauwelijks iets te vinden, dat op bepaalde activiteiten wijst. Alleen in ‘De Wekker’ vinden we af en toe een meestal korte publikatie van prof. W. Kremer, destijds predikant van Leeuwarden, waarin hij vertelt dat er enkele giften zijn binnengekomen. Dat daarbij de activering niet wordt vergeten, is eigenlijk vanzelf­sprekend voor wie prof. Kremer kent.


Een van de oudste stukken die inzake het Israël-werk bewaard zijn gebleven, is het rapport aan de generale synode van 1934. In feite vormen de synodale besluiten die op voorstel van dit rapport werden aangenomen, de eerste instructie die aan de nieuwe deputaten werd gegeven.29 Als eerste taak ziet het deputaat­schap: ‘het opwekken van alle Kerkeraden om in den aanstaanden winter één avond te bestemmen, om de gemeente te wijzen op haar dure roeping ook ten opzichte van den Jood, die nog altijd daarhenen gaat, vervreemd van den Messias, in Wien ook voor hem alles te vinden is om met der Vaderen God in verzoende betrekking te komen’. Hoewel ‘hun arbeid sedert vorige Synode alleen bestond in het inzamelen van giften’ - wat een ‘totaalbedrag van ƒ170,-’ had opgebracht (accuraat vermeldt het rapport dat dit ‘bedrag is belegd in de Rijks-post-spaarbank’) -, willen deputaten toch ‘gezien der tijden nood, welke roept tot arbeiden, met den practischen arbeid onder Israël beginnen, waarvoor zij contact willen zoeken met ‘den Kerkeraad van een naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende gemeente (ze hebben het oog op: óf Amsterdam, óf ’s-Gravenhage, óf Rotterdam), ten einde daad­werkelijk aan Joden-Zending te gaan doen’, waarbij zij denken aan een bedrag van hoogstens ƒ500,- om ‘des noodig’ deze gemeente ‘speciaal voor dezen arbeid te steunen’.


De bezetting van het deputaatschap is intussen gewijzigd: ds. D. Driessen is voorzitter, ds. W.F. Laman secretaris en ds. W. Kremer penningmeester. Drie jaar later blijkt ds. Driessen vervangen te zijn door ds. A. Ponstein.

Deputaten rapporteren dan tevens ‘dat zij met droefheid moeten constateeren, dat de arbeid onder Israël de belang­stelling der Kerk niet heeft; dit blijkt uit het feit, dat in 3 jaren slechts 36 spreek­beurten zijn vervuld en dat zij ‘daarom geen vrijmoedigheid hadden, verdere stappen te doen om te komen tot daadwerkelijken arbeid’. Het kassaldo is intussen gestegen tot ƒ1026.51, uiteraard weer goed ‘belegd’.30

De eerste deputaten­vergadering is dan reeds gepasseerd. Deze werd op 9 sept. 1935 in de consistorie van Den Haag-Centrum gehouden. In de notulen van deze vergadering wordt meegedeeld de in het najaar van 1934 een circulaire is uitgegaan naar de kerkeraden ‘opdat de liefde tot den arbeid in de Kerk gewekt werde’. Wie deze circulaire nu leest, wordt getroffen enerzijds door het roepings­besef ‘ten opzichte van het oude Bondsvolk’, maar anderzijds ook door het feit dat bijna naïef en ongenuanceerd gesproken wordt over ‘den Jood, die daar nog altijd henengaat onder het ontzaggelijke vonnis over zich en zijn zaad uitgeroepen: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’, kennelijk volgens de traditionele en straks Hitler uiterst welkome exegese van deze tekst uit Matt. 27.


Men besluit tot een nieuwe circulaire die sept. 1935 verzonden wordt. Daarin wordt ingehaakt op teleur­stellende reacties in de trant van ‘we hebben al kassen genoeg’ en ‘de tijden zijn er niet naar om nieuwigheden te beginnen’. Deputaten zien in deze reacties ‘groote oppervlakkig­heid, alsof de uitvoering van de opdracht van den Koning der Kerk alleen beheerscht wordt door financiën en omstandig­heden’. Het gaat hun zelfs niet zozeer om een collecte als wel: ‘dat er liefde in de Kerk kome voor dezen, onder ons te lang onbekend gebleven arbeid’.

Behalve aan spreek- resp. preek-beurten voor deze arbeid, wordt ook aan publiciteit gedacht; men denkt aan één bladzijde per maan in hetzendingsblad ‘Uw Koninkrijk Kome’. Dat laatste wordt een slepende zaak. Pas op de deputaten­vergadering van 15 aug. 1938 is bekend dat de zendings­deputaten er niets voor voelen ‘omdat de aandacht der Kerk moet geconcentreerd blijven op de Buitenlandse Zending’.31 De publiciteit blijft dus beperkt tot af en toe een stukje in ‘De Wekker’. Deputaten berichten dan ook in hun rapport aan de synode van 1941 dat zij ‘pijnlijk getroffen zijn door het opheffen van het kerkelijk orgaan ’De Wekker’, daar dit het enige middel is om de joden-zending onder de voortdurende aandacht der Kerk te brengen’.32

‘Malak Sjalom - vrede-bode’

Op de zo juist genoemde deputaten­vergadering wordt op aandrang van een paar part. synoden de vraag aan de orde gesteld op welke wijze ‘met den arbeid onder de Joden’ begonnen kan worden.

Gedacht wordt aan traktaat­verspreiding, maar veel resultaat verwacht men daarvan niet. Men voelt meer voor een van tijd tot tijd verschijnend blaadje omdat het ‘nut’ hiervan kan zijn ‘dat dit aanleiding tot correspon­dentie geeft, en langs dien weg contact’. Daartoe wordt besloten. Zo verschijnt het eerste nummer van (in Hebreeuwse letters) Malak Sjalom met de vertaling er onder - ‘Vrede-bode’ - in maart 1939. Het drietal deputaten voert de redactie, terwijl de voorzitter ds. A. Ponstein als hoofdredacteur optreedt. In totaal zijn er van deze als kwartaalblad opgezette uitgave elf nummers tot april 1942 verschenen toen een verbod er een einde aan maakte.

Of dit blad aan de gestelde bedoeling heeft beantwoord? Wat de ‘correspondentie’ betreft die zou kunnen ontstaan, is er althans in het archief van de deputaten weinig te vinden. De bewaard gebleven reacties op de ‘kleine concurrent’ - zoals volgens mededeling van prof. Kremer het blaadje in joodse kring wel werd genoemd -, zijn nogal negatief.

Slechts éénmaal geeft een reactie gelegenheid er in het blaadje breder op in te gaan, nl. wanneer iemand protest aantekent tegen een artikel over ‘Erets Jisraeel verloren?’ omdat daarin ‘het geplaagde Joodsche volk’ gezegd zou zijn dat het ‘zijn geluk maar liever in het ‘boven-aardsche’ moet zoeken’.


Een kritische stem ontbreekt in het archief niet. Een collega - die later deputaat zou worden - geeft een reactie door van iemand die behoorlijk veel contacten had met joden, maar die de ‘adres-methode’ (nl. om het blaadje toe te zenden aan alle joodse adressen die men te weten kon komen - uiteindelijk een duizend adressen) ‘allesbehalve doelmatig’ vond, omdat ‘een Jood onder vier oogen wel iets wil aannemen of aanhooren, maar volstrekt niet den naam wil hebben iets van een Christen aan te nemen’. De brief­schrijver vreest dat deze methode ‘van te voren met onvrucht­baar­heid geslagen’ is.

De indruk bestaat dat er onder de duizend adressen ook heel wat kerkelijke adressen geweest zijn, getuige verzoeken om een abonnements­geld van minimaal ƒ0,50 per jaar te betalen. Al zal de weerklank in joodse kring uiterst gering zijn geweest, de kerkelijke lezers werden in elk geval bij Israël bepaald. De meditaties van ds. Ponstein en de artikelen van ds. Kremer en ds. Laman met soms een gastschrijver stelden op hun wijze Israël centraal.

Wie de artikelen van prof. Kremer leest, bespeurt daarin iets van de gang van het joodse volk die zich in die dagen van 1939 -1942 begon af te tekenen, zonder dat het werkelijk tot ons doordrong dat het de gang zou zijn naar Auschwitz, Dachau enz. In het laatst verschenen nummer schrijft prof. Kremer: ‘Toch blijft God altijd met ons bezig. Loslaten doet Hij nooit. Ook Israël niet. Wie eenmaal door Hem in Zijn handen genomen werd, blijft daarvan het stempel dragen, in den zegen of in het oordeel dat over hem komt.’

Oorlogstijd

Met het laatste zijn we al midden in de jaren van de Tweede Wereld­oorlog gekomen met al zijn verschrik­kingen met name voor het joodse volk. Veel merken we er niet van in de archivalia. De vergaderingen worden nog sporadischer dan ze al waren. Spreek­beurten kunnen praktisch niet meer gehouden worden, weshalve aan de generale synode van 1941 wordt gevraagd voor te schrijven ‘dat elke gemeente op de 2e Paasdag voor de Zending onder de joden, een extra-collecte houde.’ De synode machtigt de deputaten dit aan de kerkeraden te verzoeken.33 De inkomsten stijgen inderdaad - toen de jood langzaam maar zeker uit onze samenleving verdween!


Wel komt in deze jaren enige toenadering tot stand met andere Israël-instanties, zij het nog niet officieel. Op de laatste vergadering in bezettings­tijd, 23 sept. 1943, krijgen di. Ponstein en Dubois ‘vrijheid te gaan naar de werkers­vergaderingen om - indien er nog iets te doen is - op de hoogte te blijven en wanneer, in gebondenheid aan ons mandaat, er te arbeiden is, de deputaten daarvan direct te berichten’. Dat het archief haast niets over deze zaak bevat, is in het licht van die tijd aannemelijk.

De secretaris die ds. Laman opvolgde, ds. A. Dubois, herinnert in het rapport aan de synode van 1947 aan het ‘meer heimelijk’ karakter van het overleg dat in de oorlogs­jaren is ontstaan tussen de verschillende kerken ‘om zich te beraden speciaal op het probleem van de Joden­zending en onder­scheiden zaken, die daarmee verband hielden’.34 Ds. Dubois voegt daaraan toe dat dit contact na de oorlog gebleven is en thans ‘Inter­kerkelijk Contact Israël’ wordt genoemd, en dat hij ‘van het begin af aan dit contact, namens onze Kerk, onderhouden heeft, ‘daartoe aangewezen door de deputaten’. In de notulen is hierover niets te vinden. Wel zijn er het archief sporen van pogingen tot hulp­verlening aan vervolgde joden, maar naar de aard der zaak is er weinig schriftelijk vastgelegd.


Geen spoor in de notulen, alleen een mededeling in het reeds genoemde rapport-1947 heeft een andere zaak nagelaten. In maart 1942 zonden de deputaten een circulaire aan de kerkeraden o.a. om ‘de Kerkeraden zelf te activeren om met den Jood contact te zoeken’. Blijkbaar is deze circulaire in handen van een NSB’er terecht gekomen, want ‘De Misthoorn’, een berucht NSB-blad destijds, reageerde er in het nummer van 11 april 1942 op onder de titel: ‘Christelijk-Gereformeerde sabotage! En het tegengif!’ De circulaire werd in haar geheel opgenomen - waarbij de naam van één van de ondertekenende deputaten foutief werd gespeld -, voorafgegaan van het volgende commentaar: ‘Nu van overheids­wege allengs maatregelen worden getroffen om den joodschen invloed uit het Nederlandsche volksleven uit te schakelen en de joden naar een eigen, gesloten gemeenschap terug te dringen, probeert de Christelijke Gereformeerde Kerk op brutale wijze deze maatregelen te saboteeren, getuige het hierbij afgedrukte rondschrijven. Deze heeren, die blijkbaar de stelling willen verdedigen, dat Christendom gemobiliseerd jodendom is, doen hun uiterste best het contact met de joden te verstevigen. Wij willen hen hierbij gaarne van dienst zijn en adviseeren de bevoegde instanties de onderteekenaars van dit rondschrijven een jaar lang in een concentratiekamp voor joden op te bergen. Of zij na afloop van dien tijd nog zulke jodenvrienden zullen zijn, valt te betwijfelen. In ieder geval is dit het eenig juiste tegengif!’

Bijna naïef doet het aan wanneer de ondertekenaar wiens naam foutief was gespeld, door één van de anderen blijkens een bewaard gebleven brief wordt getroost dat, ‘mocht men aanbellen’, hij kan aanvoeren dat men de man met de foute naam moest hebben ‘en laat ze dan maar zoeken’.35

Na de oorlog

Na de oorlog heeft het een paar jaar geduurd voor het werk weer een beetje op gang kwam. De toenmalige deputaten schreven in hun rapport aan de synode van 1947 dat zij voor de vraag stonden ‘wat kan er gedaan worden om het in beginsel opgebouwde werk, door een anti-christelijke Joden-hatende macht neergeslagen, weer op te bouwen en in de Kerk meer belang­stelling voor de arbeid te wekken’. De part. synode van het Noorden stelde hen zelfs voor de vraag ‘of door de veranderde omstandig­heden het niet gewenscht was dezen arbeid voorloopig te onderbreken’.36

Hoe zij hierop hebben gereageerd, is niet bekend, daar er een hiaat is in de notulen tussen sept. 1943 en jan. 1949. Er schijnt in elk geval éénmaal vergaderd te zijn37, terwijl bovendien gewag wordt gemaakt van een samenkomst met de studenten te Apeldoorn waar ds. Jac. van Nes voorlichtend zou optreden.38 Men heeft nog overwogen Malak Sjaloom opnieuw uit te geven en daarvoor zelfs een beroep op de kerkeraden gedaan ter verkrijging van adressenmateriaal, alsmede van de medewerking van een correspondent en/of een commissie van bijstand ‘ter behartiging van de belangen van de Zending onder Israël in de gemeente’. Maar veel resultaat heeft deze actie niet opgeleverd.

De ernstige ziekte van ds. Dubois, secretaris van deputaten, heeft stagnerend gewerkt, maar naar alle waarschijnlijk­heid vooral ook het feit dat het allerminst duidelijk was op welke wijze het werk weer moest worden opgezet, nu immers niet alleen het werk door de ‘anti-christelijke Joden­hatende macht’ was ‘neergeslagen’, maar vooral de joden zélf bij miljoenen meer dan ‘neergeslagen’ waren: op bloedige wijze vernietigd in ‘christelijk’ Europa. Dat er dan onzekerheid ontstaat of ‘op de oude voet’ voortgewerkt kan worden, is niet verwonderlijk.


Zo kwamen de Israël-deputaten voor het eerst na de oorlog in vergadering bijeen op 26 jan. 1949 ten huize van ds. Dubois te Maarssen.

Daar heeft toen prof. Kremer nieuwe impulsen gegeven om het Israël-werk toch niet op te geven: God laat Israël niet los; dan mag de kerk dat evenmin doen! Hij betoogde dat ‘er dringend behoefte is aan een jonge Predikant, die zich inzake de Joden­zending specialiseert, opdat hij verantwoord kan spreken’. Reeds in het rapport dat hij aan de particuliere synoden van 1948 schreef, had hij erop gewezen: ‘De zeer bijzondere vragen en moeilijkheden, die met dit werk samen­hangen eisen een aparte toerusting daartoe’. Deputaten besloten unaniem in deze richting te gaan werken.

Op een deputaten­vergadering waartoe ook de studenten van de Theol. School waren uitgenodigd, heeft toen ds. C. Kapteijn, missionair predikant van de Geref. Kerken, praktische voor­lichting gegeven over het werk onder Israël.

Het gevolg hiervan was dat er contact ontstond met twee van de toenmalige studenten onder wie M. Boertien, die - predikant geworden te Wormerveer - de zozeer gewenste, speciaal toerustende opleiding ging volgen. In hun rapport aan de generale synode van 195039 schreven deputaten dat zij zich verheugden ‘over deze gang van zaken’ met de begeerte ‘Moge de tijd niet meer verre zijn, dat de Chr. Geref. Kerken, voor ’t eerst na 1892, tot daad­werkelijke Zendings­actie onder het Joodse volk kunnen overgaan naar Gods orde: eerst de Jood, ook de Griek!’


Dat deze vreugde niet allerwege instemming vond, noch deze begeerte door allen gedeeld werd, bleek uit de weerstand ter synode.40 Er zijn stemmen die pleiten voor opschorting, althans beperking ‘gelet op de weinige krachten, waarover de Chr. Geref. Kerken voor dit doel beschikken’. Gewezen wordt op de noodzaak de evangelisatie krachtiger ter hand te nemen die ‘wegens geldgebrek’ niet kan worden verricht ‘zoals het behoort’.

Pas nadat de zaak commissoriaal is gemaakt, worden de voorstellen van de deputaten aanvaard: ‘de opleiding van cand. M. Boertien is bedoeld als een voorbereidende maatregel om gereed te zijn, wanneer de weg tot uitzending van een missionaire dienaar des Woords naar de staat Israël zou worden gebaand’. Maar tot stilling van de weerstand merken de Acta tevens op: ‘Een bindende toezegging hebben deputaten echter niet gegeven’, trouwens werd ’reeds lang de wenselijkheid gevoeld, dat in de toekomst een van de deputaten zich zou specialiseren in de problemen, die er zijn rondom het volk Israël, opdat deze dan leiding zou kunnen geven aan onze arbeid onder de Joden.’ Met mandaat voor ten hoogste drie jaren mochten deputaten gelden uittrekken ‘voor de kosten van een zodanige opleiding van candidaat Boertien’!

Arbeidsterrein

Wie na jaren het bovenstaande nog eens naleest in de Acta, zal misschien getroffen worden door het feit dat in wezen reeds twee aspecten naast elkaar worden gesteld nl. uitzending naar een of ander arbeids­terrein (met name blijkt aan de staat Israël te zijn gedacht) én leiding geven aan het werk.

Destijds werd dit verschil niet of nauwelijks als verschil gevoeld. Dat er naar de kant van de kerken ook iets te ‘leiden’ viel, krijgt een secundaire plaats vergeleken met de aandacht die aan een ‘arbeids­terrein’ wordt gegeven.

Voorshands beperkt zich dat ‘leiden’ tot de zo nodige ‘activering van de gemeente’, eerst met behulp van artikelen in ‘De Wekker’ en andere kerk- en jeugdbladen, later met een speciale bijlage bij het zendingsblad ‘Uw Koninkrijk Kome’ (sinds april 1954) en tenslotte met de zelfstandige uitgave van een eigen blad ‘Vrede over Israël’ (sinds okt. 195541).

Uiteraard werden er ten behoeve van deze activering ook vele spreek­beurten gehouden, hetzij door prof. Boertien en zijn opvolgers in het werk, hetzij door de deputaten zelf. En zonder twijfel is er dank zij deze wijze van activering enige ‘leiding’ gegeven, maar het ideaal dat prof. Kremer in het reeds genoemde rapport aan de part. synode van 1948 zag: een voor deze arbeid speciaal bekwaamde kracht ‘die als secretaris aan Deputaten toegevoegd het werk van de Joden­zending’ zou kunnen leiden, had een dimensie die toen nog niet werd doorzien. Alles concentreerde zich op ‘uitzending’ naar een ‘arbeids­terrein’.


Naarmate de voor­opleiding van ds. Boertien ten einde loopt, wordt de vraag betreffende het arbeids­terrein urgenter. Aan de generale synode van 1953 wordt uitvoerig gerapporteerd over de arbeids­mogelijkheden niet alleen in Israël, maar ook in de ‘diaspora’.42

Breed argumenteren deputaten waarom - ondanks duidelijke voorkeur voor Israël - toch uiteindelijk hun voorkeur uitgaat naar Hamburg. Het was deputaat G. J. Ornstein sr., zelf van joodse bloede, die hen met arbeidsmogelijkheden te Hamburg in aanraking had gebracht.

Daar was omstreeks het midden van de vorige eeuw de Presbyterian Church in Ireland onder de joden gaan werken en in 1862 de Jerusalem-Kirche ontstaan die zich sterk voor het werk onder Israël interesseerde. Jarenlang had dr. Arnold Frank er gearbeid.43 De Nazi-storm had weliswaar deze gemeente geducht geteisterd. De oorlogs­schade was enorm. Maar langzamerhand had de gemeente zich hersteld en nu zocht men een ‘zendingsarbeider’ voor dit ‘arbeids­terrein’: ‘Wenn auch die Möglichkeiten zur Judenmission - durch unsere deutsche Schuld - nicht mehr so reichhaltig sind, wie in der Zeit vor 1933, so ist die Judenmissions­arbeit gerade in Deutschland um so wichtiger und dringlicher geworden’.

Daar de Chr. Geref. Kerken wel een ‘zendings­arbeider’ beschikbaar konden stellen, maar niet over een arbeids­terrein beschikten -juist het omgekeerde dus -, meenden deputaten dat hun hier de weg gewezen werd om tot daad­werkelijke arbeid te komen zonder de kerken financieel te zwaar te belasten. Daar de Ierse kerk zich verbond het salaris te betalen, resteerden voor deputaten alleen de werkkosten. De synode aanvaardde de voorstellen van deputaten.

De Acta spreken over grote dankbaarheid voor ‘de kennelijke leiding des Heeren, die gezien mag worden in het openen van deze deur tot daad­werkelijke arbeid onder Israël’.

Naar Hamburg

Op 27 jan. 1954 werd ds. Boertien in de kerk van Groningen - die als zendende kerk fungeerde - afgezonderd tot de arbeid onder Israël en op 7 febr. 1954 deed hij zijn intrede in de Jerusalem-Kirche.

De taak van de kerken ten aanzien van zending en evangelisatie werd, naar één van de kerkbladen schreef, hiermede ‘volkroond’.44 Eens waren de Duitse horden naar Nederland gekomen om het zaad van de haat tegen Israël erin te stampen. Nu mochten de Nederlandse kerken in de persoon van ds. Boertien naar Duitsland gaan om daar te arbeiden en waarachtige liefde voor Israël te wekken!

De situatie van de joden in Hamburg was uitermate triest zodat ds. Boertien voort­durend geconfronteerd werd zowel in als buiten zijn gemeente met een haast onvoorstel­bare ellende. Het eens bloeiende werk van dr. Frank en de zijnen vanuit de Jerusalem-Gemeinde, moest weer opgebouwd worden terwijl er nog zoveel wonden en littekenen schrijnden. In aansluiting voorzover mogelijk aan de functie die deze gemeente in het Israël-werk voorheen had gehad, heeft ds. Boertien gepoogd deze gemeente weer als basis te laten functioneren, tevens als informatie­centrum en als opvang­centrum. Deputaten informeren daarover uitvoerig in hun rapport aan de synode van 1956 en 1959.45


De zeer instructieve rapporten die ds. Boertien schreef, zouden stof bieden om vele bladzijden te vullen, maar niet alleen ontbreekt daarvoor de ruimte, ook het feit dat het veelszins gaat om persoonlijke zaken, eist beperking. Misschien acht hij zelf nog eens de tijd gekomen om ‘herinneringen aan Hamburg’ in ons blad te publiceren!

In feite was het een merkwaardige situatie dat twee buiten­landse kerken, een Ierse en een Nederlandse, in Hamburg het Israël-werk ter hand namen buiten de Duitse kerken om. Is de geloof­waardig­heid van kerk en christen­heid ten opzichte van Israël een eeuwenoud en wereldwijd probleem, zo vlak na de holocaust was de geloofwaardigheid van de Duitse kerken praktisch tot een absoluut minimum gedaald. In dat licht gezien is deze buiten­landse inzet begrijpelijk.


Mede door de ervaringen van ds. Boertien werd het langzaamaan duidelijk dat het Israël-werk ook altijd een spits heeft die op de kerk zélf is gericht. Zo ergens dan kan er hiervan ‘monoloog’, van ‘één-richtings­verkeer’ geen sprake zijn. Daarom mocht het ook in Hamburg geen buitenlandse aangelegen­heid blijven, maar moesten de Duitse kerken er zelf bij betrokken worden.

Toen de perspectieven hiervoor steeds gunstiger werden, en tegelijk de arbeids­mogelijkheden beperkter bleken dan aanvankelijk werd verwacht - nl. toen de Ierse kerk na de oorlog het geruïneerde werk weer aanvatte (de gemeente verouderde echter sterk en toevoer van jonge mensen was er praktisch niet) - meenden deputaten dat de tijd was aangebroken om naar een ander arbeids­terrein om te zien.

Met grote dankbaarheid mag echter gewag worden gemaakt van het feit dat de Hamburgse werk­periode niet alleen voor de praktische vorming van ds. Boertien (inmiddels drs. Boertien geworden) grote betekenis heeft gehad, maar ook voor deputaten zelf. Het besef dat de relatie met Israël voor de kerk toch wel iets anders is, dan die met welk ander ‘zendingsobject’ ook, begon toen door te breken en leidde tot een nog steeds voort­gaande bezinning betreffende deze relatie.

Dat vanuit de dogmatische uitgangs­punten hiervoor vaak een goede klankbodem in de gemeente aanwezig bleek, werd soms met dankbare verwondering ervaren bij spreek­beurten over het werk.


Uit het voorgaande is wel gebleken dat ook bij het gaan naar ‘Hamburg’ zowel synode als deputaten de staat Israël niet uit het oog verloren. In hun rapport aan de synode van 1959 vermeldden deputaten dat zij de mogelijk­heid om in Israël te gaan arbeiden binnen bereik zagen komen, nl. wanneer drs. Boertien benoemd zou worden tot secretaris van de United Christian Council in Israël.

In de U.C.C.I. werkten (en werken) verschillende protestantse kerken en zendings­organisaties samen (met in totaal een paar duizend leden) voor ‘de uitbreiding van het Koninkrijk Gods, voor het verdiepen van christelijke, broeder­lijke samenwerking en het versterken van het christelijk getuigenis’, alsmede om ‘samen te streven naar grotere kracht en eenheid van de inheemse kerk.46

De synode machtigde de deputaten om ‘hun goedkeuring te verlenen aan een besluit van de zendende kerk om in plaats van Hamburg tot arbeidsveld Jeruzalem aan te wijzen voor ds. M. Boertien, in relatie met de United Christian Council of Israël.’47 Het was een aangrijpend moment toen hiertoe werd besloten. Aan ds. en mevr. Boertien werd toegezegd: ‘Een biddende kerk blijft in het vaderland achter u staan, die grote verwachting heeft van de beloften van Israëls God’ en spontaan werd hun de bekende zegenbede uit Ps.134 toegezongen.

Naar Israël

Na een bijna zesjarig verblijf in Hamburg nam ds. Boertien op 8 nov. 1959 afscheid van de Jerusalem-Kirche. Op 25 febr. 1960 volgde de uitzending te Groningen naar Israël en op 10 maart 1960 arriveerde het gezin-Boertien in het ‘beloofde land’. Dank zij de relatie met de U.C.C.I. was vestiging in Jeruzalem mogelijk en kon de ontmoeting met Israël op gang komen.

Dat dit laatste niet los van de inheemse christen­heid geschiedde, was van wezenlijke betekenis. Immers ‘het’ christendom presenteert zich in Israël aan Israël in die inheemse gestalte, zij het dat in de U.C.C.I. slechts een minimaal deel van die inheemse christen­heid bijeen was gebracht en velen zich deze presentatie niet of nauwelijks bewust waren. Men stelde zich nogal geïsoleerd, zo niet antithetisch op ten opzichte van Israël, in een soort spiritueel ghetto.

Door het stimuleren van de Bijbelse bezinning inzake de principes van het kerk-zijn en de ontmoeting met Israël poogde ds. Boertien deze opstelling te doorbreken opdat de protestantse christenheid haar presentie in Israël zou kunnen waar maken. Dat werk is niet onvrucht­baar geweest, ook al waren er charis­matische en chilias­tische weer­standen.


In het kader van het UCCI-secretariaat heeft ds. Boertien zich sterk ingezet voor het uitgeven van christelijke lectuur, zowel in het Hebreeuws als in het Arabisch, waarbij een extra probleem zich voordeed ten aanzien van de vertaling van christelijke woorden in het moderne Hebreeuws. Toen het Hebreeuws dat vele eeuwen slechts als ‘heilige taal’ had gefungeerd, weer voor het alledaagse leven werd gebruikt, moesten allerlei woorden voor nieuwe zaken gezocht worden. De herleving van het Hebreeuws als gewone spreektaal eiste ook de ‘vertaling’ van typisch christelijke termen en uitdruk­kingen. Omdat de officiële instantie zich hiermee niet bemoeide, nam de U.C.C.I. deze zaak ter hand, waarbij ds. Boertien leiding gaf. In 1966 verscheen het (voorlopige) resultaat van deze uitermate belangrijke arbeid onder de titel Christian Terms in Modern Hebrew.


Een ander facet van het werk dat ds. Boertien in UCCI-kader verrichtte, was de relatie met regerings­instanties ten behoeve van de UCCI-leden. Ook deze zaak eiste veel aandacht. De protestante kerken missen reeds sinds de Turkse tijd de rechts­persoon­lijk­heid waardoor zij niet aan het civiele rechts­verkeer kunnen deelnemen zoals de orthodoxe en katholieke kerken dat wel is toegestaan. Bij de stichting van de staat Israël werd dit gecontinu­eerd. Het gevolg van het niet erkennen van de protestantse kerken is bijv. dat de leden van deze kerken geen geldig huwelijk kunnen sluiten (het zgn. burgerlijke huwelijk is niet bekend). De pogingen om erkenning te verkrijgen zijn niet gelukt, ook omdat een van de UCCI-leden tenslotte eigen wegen ging.


Naast al deze zaken werden allerlei activiteiten ontwikkeld die leidden tot talloze en zeer gevarieerde contacten met joodse mensen en organisaties. Pionierend in vele opzichten met gespreks- en ontmoetings­groepen ging het om het Evangelie bij al deze activiteiten.

In hun rapport aan de synode van 196548 schreven deputaten: ‘Onvoorstel­bare hindernissen door eeuwenoud antagonisme opgeworpen, moeten geruimd worden. Het gaat om het bereiden van de weg des HEREN. Herhaaldelijk was er gelegen­heid rond de open Bijbel discussie tussen joden en christenen te voeren. Waar het Woord van God open ligt, daar worden de ‘stenen’ geruimd die de akker voor het Evangelie bijna onbewerkbaar maken!’

Het laatste is een vergelijking met zo menige akker in Israël die vol stenen ligt. Vóór de bewerking van die akker dienen zoveel mogelijk stenen geruimd te worden. Zo moeten ook bij het Israël-werk veel stenen geruimd worden. Helaas, de praktijk wijst vaak uit dat voor elke steen die met zoveel geduld en moeite geruimd wordt, er een andere steen klaar ligt die de ‘anti­semieten’ onder de christenen en de ‘anti-christelijken’ onder de joden met graagte terugwerpen’


Tussen al deze enerverende activiteiten door zag ds. Boertien nog kans om zijn ‘speciale toerusting’, waarvoor deputaten zich van meet af aan hadden beijverd, af te sluiten met een promotie.49

Dat hij zich had ontwikkeld tot een zeer gekwalificeerde kracht, was intussen niet onopgemerkt gebleven. In de loop van 1966 werd een beroep op hem gedaan zich voor een wetenschappelijke functie aan de Universiteit van Amsterdam beschikbaar te stellen. Toen het mogelijk bleek - zij het niet zonder moeite - op een bepaalde wijze de relatie met de kerken en met het Israël-werk van de kerken te bewaren, meende dr. Boertien positief op dit beroep te moeten reageren. Zo werd hij eerst wetenschappelijk medewerker en later hoogleraar in de Hebreeuwse taal- en letterkunde vanaf de derde eeuw na Christus. Niet direct een theologische positie, maar wel een positie die alles te maken had met Israël en het geestelijke erfgoed van Israël dat niet los staat van het Oude Testament en daarmee van de kerk van het nieuwe Verbond. De vraag hoe het Woord van God functioneerde en functioneert bij het ‘oude Bondsvolk’ kan en mag voor de kerk geen onverschillige zaak zijn.


Toen de fam. Boertien in 1967 repatrieerde - de gezins­situatie had repatriëring binnen afzienbare tijd toch noodzakelijk gemaakt -, stonden deputaten voor de vraag op welke wijze het werk gecontinueerd moest worden.

Gelukkig hadden zij in ds. W. van Dijk iemand gevonden die bereid was zich te specialiseren voor het Israël-werk. Deze stemde toe uitgezonden te worden. Hoewel de gewenste opleiding en toerusting nog niet voltooid was, werd uitzending toch mogelijk geacht daar het niet de bedoeling was hem met de zeer tijdrovende UCCI-werkzaamheden te belasten, zodat er ruimte zou zijn voor verdere studie. De uitzending vond plaats op 1 dec. 1967 te Zierikzee.

Hoewel het ds. Van Dijk gelukte binnen betrekkelijk korte tijd goede relaties op te bouwen, bleek spoedige terugkeer noodzakelijk met het oog op de gezondheids­toestand van mevr. Van Dijk (1968). Omdat er geen opvolger beschik­baar was, was het niet mogelijk de continuïteit van het werk te handhaven. Weliswaar bood zich in de persoon van ds. J. L. C. Boertjens iemand aan die bereid was om te zijner tijd uitgezonden te worden, maar de onontbeerlijke voor­opleiding en toerusting moesten nog beginnen. Alleen doordat prof. Boertien werkbezoeken aan Israël kon brengen, was het mogelijk de relatie nog enigszins open te houden.


Toen ds. Boertjens de opleiding met doctoraal examen had afgesloten, fungeerde Zierikzee opnieuw als zendende kerk op 28 nov. 1973. Geadviseerd door zowel joodse als christelijke geïnteresseerden werd - althans voorlopig - Tel-Aviv tot standplaats gekozen. De zolang onderbroken arbeid kon opnieuw beginnen!

Presenteert de kerk zich in Jeruzalem zó dat bijna van ‘over­presentatie’ gesproken kan worden, daarmee vergeleken is Tel-Aviv een ‘geestelijke woestijn’ te noemen wat de christelijke presentie betreft. Tel-Aviv is veel minder een ‘natuurlijk’ centrum voor de ontmoeting met Israël dan Jeruzalem.

In deze situatie moest drs. Boertjens zijn weg zoeken. Dat heeft uiteraard behoorlijke moeite gekost. Veel tijd en geduld moesten geïnvesteerd worden om contacten en relaties op te bouwen. Wie de rapporten van drs. Boertjens leest, komt onder de indruk van wat hij mocht opbouwen. Langzamer­hand openden zich veel­belovende perspectieven.

Helaas is daaraan onlangs een abrupt einde gekomen toen drs. Boertjens om persoonlijke redenen zijn ambt neerlegde en zo de relatie met deputaten verbrak. In dat verband is het minder juist uitvoerig op de door hem verrichte arbeid in te gaan.

Maar zelfs als de dienaren op déze wijze wegvallen, Gods werk gaat voort. Zijn beloften falen niet! In dat besef hopen deputaten hun werk voort te zetten. Het is niet de eerste cesuur die de laatste eeuw, de laatste halve eeuw het Israël-werk treft! Het beraad ‘hoe nu verder?’ worde in de gunst van Israëls God gezegend met nieuwe opening naar Israël, waar ook ter wereld!

Geen ‘Jodenzending’ meer

Natuurlijk zouden nog allerlei activiteiten die er ten behoeve van het Israël-werk ontwikkeld zijn sinds 1931, te releveren zijn.

Ik denk aan de interkerkelijke contacten sinds de Tweede Wereld­oorlog, toen de omstandig­heden dreven tot het besef dat een zelfopgelegd isolement alleen maar schadelijk werkt; in de relatie kerk-Israël is de houding van ‘alleen op de wereld’ een stuk zelfmisleiding die de ontmoeting frustreert.

Ik denk aan de langzaam groeiende contacten met de synagoge in Nederland, een nog heel teer en kwetsbaar plantje.

Ik denk aan Nes Ammim, ook teer en kwetsbaar in Israël én hier.

Het zou te ver voeren op deze en andere zaken verder in te gaan in dit historisch overzicht.


Eén zaak is er echter die toch vermelding verdient, nl. dat in 1953 de generale synode de naam die sinds de dagen van de Afscheiding gebruikelijk was geweest: zending onder Israël (sinds 1875), zending onder de joden (sinds 1931) wijzigde in ‘Evangelie­verkondiging onder Israël’.50 Hoewel er eerder op gewezen is in ons blad,51 is het goed dit overzicht met een herinnering hieraan te besluiten.


Zonder twijfel is het woord ‘zending’ een prachtig woord voor een machtige zaak, volop Bijbels. Telkens gebruikt de Here Jezus het woord ‘zenden’ om te onderstrepen dat de Vader Hém gezonden heeft, en dat Hij de Zijnen daarom ‘zendt’, zelfs ‘als schapen temidden van de wolven’. Zo gezien kan er in de kerk van Christus geen woord gezegd, geen daad gedaan worden of het heeft met ‘zending’ te maken, tenminste als het een woord, een daad is waarin het ‘gezonden zijn’ door de ‘Zender’ doorkomt, alle tekort, alle gebrekkigheid en zonde die aan de daden en de woorden van de ‘gezondenen’ inherent zijn, ten spijt.

Dat laatste is in de loop der eeuwen wel heel duidelijk gebleken! Heel vaak, al te vaak hebben de kerken gezwegen, bleek er niets van dat zij in deze wereld ‘gezonden’ waren, een ‘zending’ hadden te vervullen nl. dat Gods barmhartig­heid als door hen heen wil voortwerken naar deze wereld, naar verloren mensen van welk volk, ras, taal of natie ook. Men was tevreden met zichzelf omdat men had vergeten en verleerd ‘gezonden’ te zijn. En als men ging spreken in Azië, Afrika, Amerika dan weerspraken de daden vaak de woorden, werd de ‘zending’ verdrongen door belangen, de geloofwaardigheid van het gezonden-zijn tenietgedaan door neerbuigend­heid, geheel evenredig aan de hoogmoed, bewust of onbewust, die de barmhartigheid van God in de weg stond. Dat er desondanks nog verlorenen gegrepen werden, is niet aan de ‘gezondenen’ te danken, maar alleen aan Gods barmhartigheid!

Historisch is de mooie naam ‘zending’ zwaar belast geworden, met name ten opzichte van de joden. Hoe vaak heeft de kerk geprobeerd zelfs met het zwaard ‘zending’ te ‘drijven’ onder het oude volk van het Verbond!

Vooral na de Tweede Wereldoorlog in ‘christelijk’ Europa is het voor wie zich niet moedwillig heeft verdoofd, verstaanbaar dat men niet zoveel respect meer heeft voor ‘missie’, ‘missionair’ enz. Of men nu orthodox of liberaal jood is, ergens dreigt voor veler besef hier een geestelijke ‘holocaust’.

Alleen daarom al dient een dergelijk woord vermeden te worden. Anders blijft er slechts een monoloog over, goed voor zelf­bevrediging, als men de ander niet meer serieus neemt, noch diens eigen verantwoordelijk­heid respecteert. Dat geldt altijd, maar vooral ten opzichte van Israël.


Trouwens, afgedacht van dit alles, ons eigen spraakgebruik heeft aan het woord ‘zending’ een inhoud gegeven die absoluut niet past ten aanzien van Israël. Immers dat woord gebruiken we nauwelijks meer voor de binnen­landse activiteiten van de kerk (‘inwendig’ heette dat vroeger als het ging om christelijke liefdadig­heid en evangelisatie met betrekking tot ons eigen volk, de ‘vervreemden’ van het Evangelie). We gebruiken het woord alleen nog voor die buitenlandse activiteit van de kerk die zich richt op hen in het ‘buitenland’ die het Woord van God in het geheel niet kennen.

En dat geldt nu juist helemaal niet voor het ‘oude Bondsvolk’ (een benaming die, zoals gebleken is, zowel in 1875 als in 1931 niet gemeden, maar zelfs met enige voorkeur gebruikt werd als wilde men betuigen: ondanks alles of dank zij alles nog Bondsvolk!). Israël bezit immers vier-vijfde deel van de Bijbel. Juist door Israël hebben we de hele Bijbel gekregen! Aan Israël is het te danken dat de boodschap van Gods barmhartigheid in Jezus de Messias tot ons is gekomen. En dan doen alsof Israël tot de heidenen gerekend moet worden? Het is niet voor niets dat Paulus ons vermaant niet hoogmoedig te zijn - dat mag natuurlijk nooit -, maar vooral niet ten aanzien van Israël!


Dit alles overwegende stelden deputaten aan de synode van 1953 voor een andere naam aan het deputaat­schap te geven, n.l. de naam ‘contact met Israël’. Daarin wilden zij uitspreken onder belijdenis van schuld: wij hebben als kerken het contact met Israël verloren! Het was met name wijlen br. Ornstein die met klem betoogde: wij moeten terug naar de ‘oude paden’ en het ‘contact’ met Israël herstellen! Dat zal heilzaam zijn voor de kerk, al was het alleen al om van die hoogmoed waartegen Paulus waarschuwde, af te komen! Als dat contact hersteld zou zijn, werkelijk hersteld, misschien zouden we dan weer notie hebben van het feit dat we ‘in Israël ingelijfd’ zijn.

Vaak wordt dat gedachte­loos, dat is: zonder ooit aan Israël te denken, gezongen. Door Israël hebben we deel aan de belofte die in het geloof wordt gerealiseerd, óók voor ‘gans Israël’.

Niet zonder opzet werd in dit voorstel de naam ‘Israël’ gebruikt. We hebben gezien hoe omstreeks 1892 deze naam aan de joden werd ontzegd: ‘Israël’ was verleden tijd geworden, want de kerk is ‘in plaats van’ Israël gekomen, het ‘nieuwe’ Israël geworden; nu zijn er alleen nog maar joden die zich tegen ‘het klare licht’ verharden, en die desnoods geëlimineerd kunnen worden, althans zonder kerkelijk resp. christelijk bezwaar! Ze behoren er immers eigenlijk niet meer te zijn! Wie echter evenals de oude Afgescheiden kerk de herinnering aan het ‘oude Bondsvolk’ niet kwijt kan worden, het ‘zaad’ van Abraham dat de HERE ‘onberouwelijk’ bij Zijn verbond betrok, kan aan de joden de naam Israël niet ontzeggen. Daarom: contact met ISRAëL!


De generale synode accepteerde wel het voorstel om de oude naam te schrappen, maar koos in plaats van ‘contact’ ‘Evangelieverkondiging’.

De Acta vertellen ons niet welke motieven daartoe genoopt hebben. Officieel is daarover dus niets bekend. Wie weet hoe de kerkelijke kaarten soms geschud worden, kan alleen maar iets vermoeden. Maar wie in de nieuwe naam nog iets van ‘missie’ hoort, moge echter wel bedenken dat dat ondubbelzinnig is afgewezen.

De bezwaren die tegen de oude naam waren ingebracht, hebben de synode juist gedrongen die oude naam los te laten en zich daarvan met heel de inhoud en gevoelswaarde die er ten aanzien van Israël in de loop der eeuwen aan gegeven waren, te distantiëren.

Wel dienen we ons te realiseren dat als een bepaalde benaming weerstand wekt, zelfs als het alleen maar om misverstand gaat, er bereidheid moet zijn zo’n naam los te laten, althans dat te overwegen. En de ene naam leidt daartoe gemakkelijker dan de andere.


In ‘verkondiging’ kan mogelijk onbewust en ongewild een toon van superioriteit, van arrogantie (wij zullen het jullie wel eens even vertellen!) doorklinken die de ontmoeting met de ander blokkeert. Maar welke naam we ook kiezen - dus met algeheel distantiëren van al wat met ‘missie’ in de gelaakte zin te maken heeft -, zodra de kerk kiest die werkelijk kerk is en wil zijn, heeft zij in het ‘contact’, in de ‘ontmoeting’, in de ‘verhouding’ met Israël óók te doen met Evangelie, want zonder Evangelie is de kerk geen kerk. En zonder ‘verkondiging’ van dat Evangelie evenmin! En dat betekent de boodschap van bekering en verlossing voor ieder wezen dat nog mens is en wil zijn!

Maar bij Israël als ISRAëL is er meer aan de hand dan dat alles: God heeft Zijn volk niet verstoten! Hunner is de aanneming tot zonen, de verbonden, de beloften! Misschien is daarom wel de eerlijkste en de eenvoudigste benaming voor ons vijftigjarig deputaatschap: ISRAËL-DEPUTATEN VAN DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN NEDERLAND.



Noten
1 Dr. C. Smits, De Afscheiding van 1834. Tweede deel. Dordrecht 1974, blz. 409
2 Dr. C. Smits, a.w. blz. 256
3 Handelingen van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, gehouden te ’s-Hertogenbosch 1875, art 93
4 Aldus ds. W. de Graaf in Een monument der Afscheiding, Kampen 1955, blz. 117
5 Levensbericht van ds. Kropveld in het Jaarboek Gereformeerde Kerken Jaargang 1921, blz. 297 vlgg. (geschreven door K. Dijk). Zie voorts: Christelijke Encyclopaedie, derde deel, blz. 519 vlg. (van ds. W.J.J. Velders); idem 2de druk, vierde deel, blz. 328; Biographisch Woordenboek van Protestantsche Godgeleerden, deel V, blz. 279 vlg.
6 Handelingen van de Synode Dordrecht 1879, art. 61, 72 en 77
7 De Vrije Kerk. Vereeniging van Chr. Geref. stemmen. 9de jaargang 1883, blz. 25-31, 325 vlgg.
8 Aldus ter synode 1892, zie Handelingen art. 91
9 Handelingen Synode Utrecht 1877, bijlage VI (blz. 119 vlgg.)
10 Handelingen Synode Dordrecht 1879, bijlage IV (blz. XL-XLV)
11 Handelingen Synode Utrecht 1877, art. 101
12 Handelingen Synode Dordrecht 1879, art. 70, 76
13 Handelingen Synode Zwolle 1882, bijlage VI (blz. LVI-LXXII)
14 Idem art. 78 vlgg.
15 Handelingen Synode Rotterdam 1885, bijlage IV (blz. 35-40)
16 Dit betreft ‘den verdwenen candidaat-rabbijn Samuël Davidsohn’, De Vrije Kerk, 7e jaargang 1881, blz. 278,433, 493. Vgl. Handelingen Synode Zwolle 1882, art. 78, 80, bijlage VI; Handelingen Synode Rotterdam 1885, art. 119 vlg., bijlage IV
17 Handelingen Synode Assen 1888, bijlage V (blz. 149-155)
18 Volgens mededeling van mevr. J.H. Drenth-Koster d.d. 24 sept. 1975 werd P. Koster op 27 maart 1851 te Middelburg geboren. Na zijn ontslag als ‘Colporteur-Bezoekbroeder’ diende hij als ‘oefenaar’ de gemeenten van Zoetermeer (1887-1899), Appelscha (1899-1912) en Valthermond (1912-1932). De heer Koster overleed op 1 jan. 1937. Uit de Handelingen Synode Utrecht 1895 (art. 40) blijkt dat de kerk van Groningen eens de heer Koster heeft ‘beroepen’ zonder advies van de ‘synodale commissie’, zodat ‘de handeling dier gemeente daarom afkeuring verdient’.
19 Handelingen Synode Assen 1888, art. 108-110
20 Handelingen Synode Leeuwarden 1891, art. 20
21 Handelingen Synode Amsterdam 1892, art. 91
22 Idem blz. 106
23 Acta van de generale synode der Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Amsterdam 1892, art. 15
24 20ste jaargang, nr. 5, okt. 1976
25 Handelingen Synode Utrecht 1919, art. 75
26 Handelingen Synode Apeldoorn 1928, bijlage E
27 Handelingen Synode Rotterdam 1931, art. 29
28 Acta van de generale synode der Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Middelburg 1896, art. 75. In het in die Acta opgenomen ‘Rapport van de handelingen der deputaten voor de zending onder de Joden’ (bijlage L1, blz. 165) is de naam ‘Israël’ stelselmatig vervangen door ‘Joden’ - zoals mij bij vergelijking met het originele rapport is gebleken. In een ander op dezelfde synode dienend rapport van deze deputaten - a bijlage L2 in art. 76 aangeduid, maar niet in de Acta opgenomen - wordt de naam ‘Israël’ gemeden en alleen ‘Joden’ gebruikt. In hoeverre dit opzettelijk is geschied? Volgens dr. Kuyper is het in elk geval terecht ‘overmits zij volksgewijs niet meer bestaan’ (art. 75). De archivaris van de Geref. Kerken, de heer C.J. de Kruijter, was zo vriendelijk kopie van deze rapporten te verstrekken, waarvoor bij dezen hartelijk dank.
29 Acta Synode Zwolle 1934, art. 37, bijlage IX (blz. 87)
30 Acta Synode Hilversum 1937, bijlage VII (blz. 104)
31 In de notulen van de zendingsdeputaten is hieromtrent niets te vinden
32 Acta Synode Apeldoorn 1941, bijlage III (blz. 39); van okt. 1940 tot okt. 1942 was De Wekker door een verschijningsverbod getroffen.
33 Idem art. 29
34 Acta Synode Utrecht 1947, bijlage VIII (blz. 82)
35 In voornoemde bijlage wordt ook gesproken over een reactie van ‘Radio Oranje’, maar tot nu toe kon slechts een vage reactie in de uitzending van 31 juli 1942 worden gevonden, volgens mededeling van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, d.d. 17 nov. 1981
36 Volgens het verslag van de hand van ds. Van der Zaal in De Wekker van 5 juli 1946
37 Blijkens mededeling in De Wekker van 26 juli 1946
38 Acta Synode Utrecht, bijlage VIII (blz. 83); ds. Jac. van Nes Czn (1886-1949) was predikant van de Geref. Kerk van ’s Gravenhage voor de zending onder de joden, schrijver van Het Jodendom, een boek voor joden en christenen (Kampen 1933)
39 Acta Synode ’s Gravenhage 1950, bijlage XIV (blz. 74)
40 Idem art. 35, 49
41 De 15e jaargang van Vrede over Israël duurde twee jaar! Dank zij deze dubbele jaargang is dit nummer nominaal het laatste van de 25e jaargang, maar in feite van de 26e jaargang!
42 Acta Synode Apeldoorn 1953, bijlage XLVI l (blz. 230) en XLVIII (blz. 234)
43 Zie het onder redactie van ds. M. Boertien en Pastor H. Weber uitgegeven Festschrift onder de titel Freuet euch mit Jerusalem, Ein Gruß zu seinem 100. Geburtstag am 6. Marz 1959 für Dr. Arnold Frank, Pastor an der Jeruzalem-Kirche zu Hamburg 1884-1938, Hamburg o.J. Dr. Frank overleed op 20 maart 1965 te Belfast
44 De Kerkklok van 5 febr. 1954 (geciteerd in Acta Synode Apeldoorn 1956, bijlage XLIX)
45 Acta Synode Apeldoorn 1956, bijlage XLIX en Rotterdam 1959, bijlage XXXVI (resp. blz. 206 en 170)
46 Blijkens de statuten van de U.C.C.I. geciteerd in Acta Synode Haarlem 1962, bijlage XXII (blz. 154)
47 Acta Synode Rotterdam 1959, art. 92
48 Acta Synode Zwolle-Apeldoom 1965-1966, bijlage XXII (blz. 197)
49 Op 10 maart 1964 te Amsterdam; titel van het Proefschrift: Der Mischnatraktat Nazir, Einleitung, Text, übersetzung und Erklarung, textkritischer Anhang
50 Acta Synode Apeldoorn 1953, art. 137, bijlage XLVII
51 Zie Vrede over Israël, 15e jaargang nr. 2, febr. 1970

ds. Marinus Drayer
Vrede over Israël jrg. 25 nr. 6 (dec. 1981)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel