pijl omhoog

De collecte voor Jeruzalem

Bijbelstudie over Galaten 2:10

Zionisme en christelijk geloof

Er zijn nogal wat christenen, die vinden, dat deze twee grootheden alles met elkaar te maken hebben.

Je ontdekt dat bijvoorbeeld wanneer je de acceptgiro’ bekijkt, die in je brievenbus vallen. Daar zijn verzoeken bij vanuit christelijke hoek die vragen om steun voor allerlei projecten in de staat Israël. Er zijn christelijke stichtingen, die een onvoorwaardelijke steun aan de staat Israël en zelfs aan de politiek van de staat Israël bepleiten. Anderen hebben een meer genuanceerde visie en bepleiten een steun onder bepaalde voorwaarden.

Ik kan hier niet diep ingaan op de ingrijpende principiële vragen die hier liggen. Wel wil ik in een paar lijnen schetsen vanuit welke motieven christenen handelen, wanneer zij steun geven aan Israël. Ik kom dan vanzelf uit bij de spits van deze bijbelstudie: de concrete vraag of de collecte voor de armen van Jeruzalem, waarvoor Paulus zich zo ijverig heeft ingezet, ons nog iets te zeggen heeft voor onze steun vandaag aan Israël.

Motieven voor christenen om Israël te steunen

Er zijn verschillende motieven, waardoor christenen zich laten leiden bij hun hulp aan Israël. Ik noem er hier enkele heel beknopt.


Ten eerste: het zegen-motief. In Gen. 12:3 staan de woorden van God: ‘Ik zal zegenen wie u (Abraham) zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken.’ De gedachte is, dat God de mensen en de volken zal oordelen naar de manier waarop zij met Israël (volk van Abraham) zijn omgegaan.


Een tweede motief is het verbond-motief. Israël en de kerk zijn verbonden vanuit het verbond dat God aanging met Abraham en dat Hij vernieuwde in Jezus Christus. Het gaat om hetzelfde verbond. In een bepaalde zin zijn de christenen aan Israël verwant.


Een derde motief is het eindtijd-motief. In het scenario van de eindtijd heeft God aan Israël een bepaalde plaats gegeven. Christenen zien in deze tijd tekenen, die erop duiden dat de grote gebeurtenissen van de eindtijd aanstaande zijn: bijvoorbeeld de stichting van de staat Israël. Daarom vinden zij het hun roeping ook met materiële middelen steun te verlenen aan Israël.


Een vierde motief zou ik het schuld-motief willen noemen. Er is mede door de schuld van de kerk in de loop der eeuwen zoveel ellende op de Joden neergekomen, dat christenen van mening zijn dat er iets goedgemaakt moet worden. Vooral het gebeuren in de nacht van 1933-1945 heeft velen de ogen geopend voor de zonde van de traagheid en het zwijgen. Om iets van die schuld in te lossen voelen christenen zich gedrongen Israël bij te staan.

Een concreet voorbeeld

Na het noemen van de motieven stappen we nu over naar een concreet voorbeeld: de collecte voor de armen van Jeruzalem. De vraag is: ligt er in het houden van deze collecte uit de begintijd van de kerk een aanwijzing voor vandaag om als christenen Jeruzalem (lees Sion; Israël) te steunen?


Die collecte voor Jeruzalem, waarover we o.a. lezen in Hand. 24:17, Rom. 15:22-32, 1 Kor. 16:1-4, 2 Kor. 8 en 9, Gal. 2:10, is maar niet een bijkomstigheid geweest in het werk van de apostel Paulus. Wie de opgegeven teksten naslaat zal ontdekken, dat de apostel er heel erg druk mee geweest is. Hij zegt dat ook zelf in Gal. 2 ‘Alleen moesten wij de armen blijven gedenken, en ik heb mij dan ook beijverd dat vooral te doen.’ Uitgaande van deze tekst willen we een antwoord zoeken op een aantal vragen.

Wie gaf de opdracht?

In Gal. 2 horen we wat er zich volgens Paulus heeft afgespeeld op het ‘apostel-convent’ te Jeruzalem (zie ook Hand. 15). Daar is de vraag besproken welke betekenis de wetten van Mozes (besnijdenis, sabbat etc.) hebben voor de mensen uit de volken die Jezus Christus als Verlosser aanvaarden. De uitkomst lezen we in Hand. 15:28v ‘... het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u (christenen uit de volken) verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wél doen.’

Nu lezen we in Hand. 15 verder niets over een opdracht terwille van de armen. Toch moet die afspraak daar wel zijn gemaakt. En zoals Paulus het beschrijft is het initiatief uitgegaan van de ‘steunpilaren’ (Gal. 2:9): Jakobus, Cefas (Petrus) en Johannes. Zij hebben Paulus gevraagd of van hem geëist, dat hij de armen zou blijven gedenken. En gezien Paulus’ woorden ‘... ik heb mij dan ook beijverd dat vooral te doen’ is hij daar ook op ingegaan.

Wie zijn de armen?

Merkwaardig is dat Paulus in Gal. 2 de uitdrukking ‘de armen’ gebruikt, terwijl hij in Rom. 15, 1 Kor. 16, 2 Kor. 8 en 9 spreekt van ‘de heiligen’. De uitdrukking ‘de armen’ komt nog één keer voor, nl. in Rom. 15:26, waar gesproken wordt over ‘de armen onder de heiligen te Jeruzalem’.

Op de vraag wie deze armen zijn worden uiteenlopende antwoorden gegeven.

Er zijn uitleggers, die erop wijzen dat het woord ‘armen’ een bijnaam is geweest voor de gelovigen in Jeruzalem. En onder gelovigen moeten we dan verstaan alle gelovigen, zowel degenen die in Jezus als de Messias geloven als degenen die dat niet doen.

Andere uitleggers houden het erop, dat hier een speciale categorie bedoeld is; het gaat om de armen (paupers) onder de heiligen. Dat wil zeggen: de collecte is voor de mensen in Jeruzalem, of zij in Jezus geloven of niet, die economisch arm zijn. Men wijst erop dat er zeer veel oude mensen in Jeruzalem woonden (zie daarvoor ook de kwestie in Hand. 6), die daar hun laatste levensdagen doorbrachten. Ook waren er veel armen, die in Jeruzalem de komst van de Verlosser verwachtten.

Een derde groep uitleggers is van mening, dat we moeten denken aan de armen van de christelijke gemeente in Jeruzalem.


De zaak is niet eenvoudig. En ze wordt nog moeilijker als we Hand. 24:17 erbij betrekken, waar Paulus een opmerking maakt over zijn aanwezigheid in Jeruzalem: ‘En na verloop van vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen...’


Nu doet het feit zich voor, dat voorafgaande aan deze collecte (want het staat buiten kijf dat het om een financiële ondersteuning gaat) er al eens een soortgelijke collecte is gehouden. We lezen ervan in Hand. 11:29-30. Daar is nog geen sprake van een opdracht. Het zijn de volgelingen van Jezus in Antiochië, die nadat een profeet een hongersnood heeft aangekondigd, uit eigen beweging besluiten ‘dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.’


Deze gegevens overziende is mijn conclusie, dat de collecte een geldelijke ondersteuning is geweest voor de christelijke gemeente in Jeruzalem, die deze ondersteuning aanwendde tot hulp aan de armen; daarbij is allereerst aan de armen van de gemeente te denken, maar niet alleen aan hen; de formuleringen laten de gedachte toe, dat er vanuit de christelijke gemeente ook diaconale steun verleend werd aan de Jeruzalemse armen in het algemeen.

In welk raam staat deze actie?

In de collecte voor Jeruzalem is een diaconaal kader onmiskenbaar aanwezig. Paulus spreekt ook over ‘diakonia’ in 2 Kor. 8 en 9.

Maar hij gebruikt ook heel andere woorden: handreiking (lett. gemeenschap) in Rom. 15:26, liefdegave in 1 Kor. 16:3, milde gave in 2 Kor. 9:5. Ook gebruikt hij het beeld van de ruil (Rom. 15:27, 2 Kor. 9:13).

Hieruit kunnen we concluderen, dat niet alleen het lenigen van de diaconale nood een rol speelde voor Paulus (en anderen?), maar ook het samenwerken in de ene kerk van Jezus Christus, waarbij men elkaar dient met de ontvangen gaven. Zo gezien is de collecte een uitdrukking van eenheid. Men staat voor elkaar in.


Er zijn bijbeluitleggers, die ook nog op een ander kader wijzen. Zo zegt men wel, dat Paulus erop gebrand is geweest deze collecte tot een goed einde te brengen, omdat hij er een middel in zag de Joden tot jaloersheid te wekken (Rom. 11:11.14). Als de Joden zouden zien hoe verrukt en vurig van geest de christenen uit de volken zijn geworden door het heil dat zij uit de Joden hebben ontvangen, dan zou dat de Joden tot nadenken en mogelijk zelfs tot omkeer kunnen bewegen.

Het is inderdaad opmerkelijk met hoeveel ijver Paulus zich voor de collecte heeft ingezet. Daar zit meer achter dan alleen een afspraak om wat ondersteuning los te krijgen uit de christenen onder de volken. Er is een theologisch motief. En dat zou het motief van de jaloersheid kunnen zijn.


Ten slotte noemen we de uitleggers, die menen dat het kader van de collecte voor Jeruzalem bepaald wordt door de gedachte van de pelgrimsreis van de volken naar Jeruzalem. Zij wijzen erop dat het niet Paulus is die de collecte afdraagt in Jeruzalem, maar dat het vertegenwoordigers van de gemeenten uit de volken zijn (zie 1 Kor. 16:3, 2 Kor. 8:19 en 23v). De gedachte aan het optrekken van de volken naar Sion om eer en heerlijkheid binnen haar muren te brengen komen we o.a. tegen in de Psalmen (Ps. 68, 72) en bij de profeten (Jes. 60:5,9,11,16). Dit optrekken zal plaats­vinden in het laatst der dagen.

Nu brengen anderen tegen deze opvatting in dat de collecte voor Jeruzalem moeilijk te verbinden is met het laatste der dagen, aangezien Paulus duidelijk aangeeft dat hij van plan is om, nadat hij met de afgevaardigden uit de gemeenten de collecte heeft afgedragen, via Rome naar Spanje te reizen.


Al met al moet gezegd worden dat de collecte voor Jeruzalem meer is dan zomaar een hulpactie. Welke motieven bij de ‘steunpilaren’ een rol hebben gespeeld en welke bij Paulus (en of dat dezelfde motieven zijn geweest) weten we niet. Mogelijk hebben de Jeruzalemmers gedacht aan de heilsprofetieën, waarbij de schatting van de volken wordt ingebracht in Jeruzalem. Mogelijk heeft Paulus gedacht aan het tot jaloersheid verwekken van de Joden. In ieder geval blijkt dat Paulus, naarmate de dag naderbij komt dat de collecte moet worden afgedragen, bezorgd wordt over de ontvangst ervan. Hij spreekt in Rom. 15:30 en 31 over een worsteling, die te maken heeft met de ‘weerspannigen in Judea’ en hij voegt eraan toe: ‘... en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen...’

Collecte en zionisme

De relatie ‘Jeruzalem - christelijke gemeenten uit de volken’ vindt in de collecte een bepaalde toegespitste uitdrukking. Het heil van God is vanuit Israël naar de volken gestroomd. Dit is voor Paulus reden om de volken op te wekken nu ook omgekeerd Israël te steunen met de middelen, waarover de volken beschikken. Of Paulus daarbij gedacht heeft aan het jaloers maken van de Joden, aan de pelgrimstocht van de volken naar Sion of aan het diaconaal ondersteunen van de armen in Jeruzalem in en via de gemeente aldaar, het blijft staan dat Paulus de betekenis van de collecte wijder zag dan alleen een hulpactie. Je zou het een teken van solidariteit kunnen noemen. Een teken van verbondenheid. Hiermee worden anderen niet uitgesloten (ik denk aan de Palestijnen), omdat er ook christelijke motieven zijn om hen te steunen. Maar de steun aan Sion ligt verworteld in de relatie, die er door het geloof in Jezus Christus is ontstaan met het joodse volk. En de collecte voor de armen van Jeruzalem is daar een uitdrukking van.




Vragen

  1. Bent u bereid Israël steun te verlenen?
    Zo ja, op welke gronden bent u daartoe bereid (bespreek de voor- en nadelen van de verschillende gronden)?
    - op grond van de zegen die er ligt voor ieder die Abraham (lees Sion/Israël) zegent;
    - op grond van het verbond van God met Abraham, waarin de kerk mag delen;
    - op grond van Gods beloften voor Israël in de eindtijd;
    - op grond van het ontvangen heil uit de Joden.
  2. a. Bent u van mening dat Israël genoeg steun krijgt uit de kerken of zou u wensen dat er meer aandacht gegeven zou worden aan hulp voor Israël?
    b. Bent u tot steun bereid aan Joden die niet in de staat Israël wonen?
  3. Hoe verklaart u de ijver van Paulus voor de collecte voor de armen van Jeruzalem?

ds. Rien Vrijhof
Vrede over Israël jrg. 41 nr. 1 (feb. 1997)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel