pijl omhoog

De Tora in het hart geschreven


Op Pinksteren, de vijftigste dag na Pasen, vieren we in de kerk het feest van de uitstorting van de Heilige Geest (Hand. 2).

Op het Wekenfeest, de vijftigste dag na Pesach, viert het Joodse volk de schenking van de Tora op de berg Sinai (Ex. 19-20).

Als we ons oog laten vallen op deze in Oude en Nieuwe Testament beslissende feesten, kunnen we ons de vraag stellen hoe Gods Geest en de Tora zich tot elkaar verhouden. Moeten we Geest en Tora tegen elkaar uitspelen, anders gezegd, vervangt de Geest de Tora? Of moeten we zeggen dat Geest en Tora (Woord en Geest) onafscheidelijk aan elkaar verbonden behoren te zijn?

Als we de teksten gaan bekijken waarin beide feesten worden genoemd vallen ons een paar dingen op.

De telling

Dat het bij Pinksteren en Wekenfeest om één en hetzelfde feest gaat, komt duidelijk naar voren in de telling die gebruikt wordt.

Zo betekent het woord Pinksteren: vijftigste. Op de vijftigste dag na Pasen wordt de Heilige Geest uitgestort.

De naam Wekenfeest is ontleend aan het tellen van de weken. Van Pesach telt men zeven weken naar het moment waarop Israël zich verzameld heeft aan de voet van de berg Sinai (Ex. 19:1). Dus na zeven weken, op de vijftigste dag, schenkt God zijn Tora aan Israël.

De telling alleen al doet vermoeden dat Woord en Geest alles met elkaar te maken hebben. Maar er is meer.

De tekenen

Het valt op dat de tekenen, waarmee de gave van de Tora en de gave van de Geest gepaard gaan, sterke overeenkomst vertonen. Bij de Sinai komt de Here in het ‘vuur’ van de Sinai tot zijn volk (Ex. 24:17).

Ook is bij de Sinai of Horeb sprake van ‘wind’, met name als de profeet Elia geleid wordt naar plek waar God zijn Tora gegeven heeft. De Here komt tot hem ‘in het suizen van een zachte koelte’(1 Kon 19:12). Slaan we nu Handelingen 2 op dan lezen we dat ook daar sprake is van wind en vuur. ‘Een geluid gelijk als van een geweldigen, gedreven wind’ (Hand. 2:2) vervult het huis waar de volgelingen van Jezus verblijven. Tegelijk ‘vertoonden er zich aan hen tongen als van vuur’. De gave van de Geest gaat dus, evenals de gave van de Tora, gepaard met tekenen van wind en vuur.


Maar er valt nog iets op. De vurige tongen, zo vertelt Lucas, verdelen zich en zetten zich op een ieder van hen. De aanwezigen beginnen ook in tongen te spreken zodat de Tora, dus het Woord van God, aan de volken der aarde bekend wordt.

In de Talmoed, de mondelinge overlevering die door het Joodse volk als Woord van God wordt erkend, wordt iets soortgelijks verteld. Elk woord dat bij de Sinai Gods mond verliet, verdeelde zich in zeventig talen. Het aan Israël gegeven en bij de Sinai door het volk aangenomen Woord van God (Ex. 24:7) is dus van meet af aan bedoeld tot heil van de volken.

Ook de volken moeten het horen, aannemen en doen. Binnen de Joodse traditie wordt dan ook verteld, dat bij de Sinai het Woord van God daarom aan alle volken werd aangeboden, maar slecht door Israël werd aanvaard.

In Handelingen 2 klinkt opnieuw de Tora van God, maar het wordt kracht bijgezet door de Geest van God.

We kunnen dus rustig stellen dat ook de tekenen ons wijzen op de eenheid die er bestaat tussen het Pinkster- en het Wekenfeest.

Geschreven in ...

Een van de opvallende dingen bij de gave van de Tora op de Sinai is dat deze niet ‘op’ de stenen tafelen wordt geschreven, maar dat de Tien Woorden ‘door de vinger Gods beschreven’ worden. Het schrift wordt dus in de steen opgenomen, het maakt werkelijk deel uit van de steen.

Dit wijst er op dat de Tora ook bij de mens niet een laagje vernis aan de buitenkant moet zijn, maar van ons leven deel moet uitmaken. Bij de vernieuwing van het Verbond, na sterven en opstanding van Jezus zoals dat in Handelingen 2 wordt beschreven, wordt de Geest uitgestort om de Tora met kracht in ons leven in te brengen. Heel mooi wordt dit verwoord in het antwoord van Petrus op de vraag van de hoorders: ‘Wat moeten wij doen mannen broeders?’ (Hand. 2:37) Ze krijgen ten antwoord dat ze zich moeten bekeren, dus de gegeven Tora moeten aannemen en doen.


De Geest staat dus niet los van de Tora en komt ook niet in de plaats van de Tora. Integendeel, de gave van de Tora en de gave van de Geest horen onlosmakelijk bij elkaar. Zoals gezegd is: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven’ (Jer. 31:33).

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 51 nr. 3 (mei 2007)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel