pijl omhoog

Het ons toevertrouwde woord der verzoening

N.a.v. Exodus 12:5-7 en Leviticus 16:20-22


Bij het schrijven van het artikel ‘De weg van de mens naar zijn eeuwig huis’1 werd ik getroffen door de uitspraak ‘tot inkeer komen is één van de belangrijkste con­cepten van het jodendom.’2 In het jodendom spelen berouw en verzoening blijkbaar een hoofdrol. Rondom de dood wordt dit thema zelfs beschreven met termen die ontleend zijn aan Grote Verzoendag.

Dit trof me des te meer omdat in orthodox christelijke kring verzoening eveneens op de voorgrond staat. De vraag drong zich aan mij op waar, als het gaat over verzoening, jodendom en christendom zich verwant weten en waar ze van elkaar verschillen.

De Tora als basis

Zowel in het jodendom als in het christendom vormt de Tora3 de basis voor ver­zoening. We treffen de verzoeningsrituelen vooral aan in het middelste van de eerste vijf Bijbelboeken, in Leviticus. In het hart van dit boek wordt Grote Verzoen­dag beschreven. Hier klopt het hart van de relatie tussen God en mensen en tussen mensen onderling. Binnen het jodendom is het concept van tot inkeer komen, zowel voor als na de verwoesting van de tempel, daaruit voortgekomen.

Ook de christelijke kerk, die geworteld is in Israël, baseert zich op de Tora. Dat kan ook niet anders, want voor de eerste gemeente wordt de Schrift gevormd door de Tenach4. Daarin neemt de Tora een centrale plaats in (zie Lukas 24:44-45). Daarbij moeten we echter wel leren goed te onderscheiden.

Verlossing en verzoening

De christelijke kerk richt zich bij verzoening altijd op Jezus. Verwezen wordt dan naar het offer op Golgotha. Heel dikwijls wordt daardoor in de kerk Goede Vrijdag opgevat als vervanging van Grote Verzoendag. Het Paaslam uit Exodus 12 wordt daarbij gelijkgesteld aan de Zondebok uit Leviticus 16.5 Het verkeerde hieraan is dat men geen onderscheid maakt tussen verlossing en verzoening.


Pasen vertelt de verlossing van Israël, de wordingsgeschiedenis van Israël als volk van God. Daarbij speelt verzoening, het schuilen achter het bloed van het lam, stellig een beslissende rol. Toch is hier wat anders aan de orde dan op Grote Verzoendag. Met Pasen wordt Israël volk van God, treedt het in relatie tot Hem. Israël worden een ‘nieuwe schepping’ (vgl. 2 Kor. 5:11). En God gaat voorbij aan het leven in zonde los van Hem.

Het toetreden tot het Verbond van niet-Joden beschrijft de apostel Paulus in zijn brieven op twee plaatsen. In Romeinen 5:10-11 en in 2 Korinthe 5:17-20. Hij, die door het geloof in Jezus de Messias toetreedt, is een nieuwe mens. Hij heeft deel­gekregen aan de door God geschonken verlossing. De eerste stappen op weg naar het beloofde land worden gezet. Een leven in heiliging, toewijding aan God, is begonnen (Lev. 19).


Eenmaal binnen het Verbond is Israël niet aan de zonde ontkomen. Zondigen betekent dan dat de relatie met God geschonden wordt. Men valt niet buiten het Verbond, maar de relatie loopt wel schade op. Deze geschonden relatie roept om herstel. Welnu, voor het herstel van de geschonden relatie is door God Grote Verzoendag ingesteld. In Leviticus 16 wordt het ritueel, zoals dit in de tempel plaatsvond, beschreven. Voor verzoening wordt dan het Hebreeuwse woord kappara, bedekken, gebruikt. Dat gebeurde eenmaal in het jaar door de hoge­priester. De zonde werd dan bedekt en daarmee werd de geschonden relatie hersteld. Zo werd jaarlijks de toegang tot God geopend.

Het Nieuwe Testament betrekt dit ritueel op Christus. Paulus noemt Christus in Romeinen 3:25 kapporet, verzoendeksel. Het ritueel wordt uit de Tora geheel overgenomen met dit verschil dat God niet alleen op Grote Verzoendag, maar altijd, zeg maar ‘dagelijks’, voor zondaars toegankelijk is.

Eerst reiniging dan bedekking

In Leviticus 16 worden in relatie tot verzoening vooral twee woorden gebruikt: tahara, reiniging, en kappara, bedekking. Voordat tot bedekking van zonde kan worden overgegaan, moest eerst de tempel, beginnend vanaf het Heilige der heiligen, worden gereinigd. Dat gebeurde door het bloed van stieren en rammen (zie Lev. 16). Eerst daarna kon de bedekking of verzoening van de zonden plaatsvinden.


In het Nieuwe Testament treffen we een zuivere parallel aan. In Hebreeën wordt gezegd dat Jezus met zijn eigen bloed het (hemelse) heiligdom is binnengegaan (Hebr. 9:12). Zijn bloed heeft volgens Paulus in Romeinen 3:25 blijvende kracht van reiniging. Eerst op grond daarvan vindt vervolgens bedekking of verzoening plaats. De apostel Johannes beschrijft deze orde heel mooi in zijn eerste brief. In 1 Joh 1:7-9 wordt eerst verteld dat het ‘bloed van Jezus ons reinigt van alle zonden’, waarna in 1 Johannes 2:1-2 vervolgens gezegd wordt dat ‘Jezus Christus, de recht­vaardige, een verzoening voor onze zonden’ is.

In de weg van tesjoeva

Het valt op dat men binnen het jodendom bij verzoening een sterk accent legt op het persoonlijk ‘tot inkeer komen’ van een mens. Herstel van de geschonden relatie vindt niet automatisch plaats, maar alleen in de weg van tesjoeva, van inkeer en terugkeer. God vergeeft als men door tesjoeva berouw getoond heeft en tot inkeer wil komen. In Leviticus 16 wordt dit getekend in de belijdenis van schuld staande voor de hogepriester: widdoej. Ook in het huidige jodendom staan tesjoeva en widdoej centraal gedurende de ‘tien geduchte dagen’, vanaf Nieuwjaar uitlopend op Grote Verzoendag.


Dit element neemt ook in de eerste gemeente een grote plaats in. Zo benadrukt Jezus in de Bergrede de tesjoeva heel sterk in relatie tot de naaste. Bij het brengen van een offer ter verzoening met God, geeft Hij opdracht eerst onderlinge geschillen op te lossen (Mat. 5:23-24). Zowel Jezus als de apostel Johannes onderstrepen de noodzaak van widdoej of schuldbelijdenis bij het herstel van de relatie met God (Lukas 18:9-14; 1 Joh. 1:7-9).

Barmhartigheid in plaats van slachtoffers

Verzoening en vergeving gaan in de Tora altijd gepaard met bloedstorting. Het boek Leviticus beschrijft deze offerdienst nauwkeurig.

In het Nieuwe Testament wordt dat in Hebreeën 9:22 als volgt verwoord: en nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.

In de christelijke gemeente baseert men de verzoening op het offer dat eens en voorgoed door Jezus op Golgotha gebracht is. Van protestantse zijde heeft men daar­om altijd de opvatting van de Rooms-katholieke kerk bestreden dat in de Eucharistie een herhaling van het offer plaatsvindt. Tegelijk vinden veel christenen het vreemd dat Joden, die Jezus niet als de Messias erkennen en dus ook zijn dood niet als offer zien, Grote Verzoendag vieren zonder offerdienst. Hoe kan er zonder offerdienst van verzoening sprake zijn?

Van joodse zijde wordt dat als volgt verklaard. De offerdienst was gebonden aan de tempel in Jeruzalem. Sinds 70 na Chr., toen de tempel verwoest is, mogen er geen offers meer gebracht worden. De vraag naar het wezen van de verzoening is al kort na deze catastrofe in een gesprek tussen Rabban Jochanan ben Zakkai6 en de priester Rabbi Jehosjoea ben Chananja besproken. Ze zien de ruïnes van de tempel:

‘Wee ons’, riep Jehosjoea, ‘dat deze plaats, waar de zonden van Israël verzoend werden, verwoest is.’ Rabban Jochanan antwoordde: ‘Mijn zoon, wees niet bedroefd. Want we hebben een vorm van verzoening die even effectief is. En wat is deze? Ze bestaat uit daden van barmhartigheid, zoals geschreven staat [in Hosea 6:6]: Want in liefde heb ik behagen en niet in slachtoffer [, in kennis van God en niet in brandoffers].’

Er heeft dus een herformulering plaatsgevonden van de offerdienst van cultus in het heiligdom naar een cultus in het dagelijkse leven. Offerdienst verandert daardoor in een ethisch principe, in een principe van liefdadigheid.


Nu is die verandering niet iets totaal nieuws. Men baseerde zich daarvoor op de profetische literatuur die na de Tora komt. Naast Hosea 6:6 is ook 1 Samuël 15:22: Heeft de HERE evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan het horen naar des HEREN stem? Zie gehoorzamen is beter dan brandoffers, luisteren beter dan het vette der rammen, daarvan een sprekend voorbeeld.


Ook bij Jezus treffen we dezelfde gedachte aan. In een twistgesprek met Farizeeën over het geoorloofd zijn van eten met tollenaars en zondaars benadrukt Jezus met een beroep op Hosea 6:6 (zie Mat. 9:13; vgl. ook 12:7) dat barmhartigheid bewijzen verzoenende betekenis heeft. Het offer illustreert blijkbaar waar het in het leven van alle dag om begonnen is: het bewijzen van barmhartigheid.

Jezus als Verlosser en Verzoener

Als we het bovenstaande op ons in laten werken, dan zien we dat zowel het joden­dom als het christendom zich voor de verlossing en de verzoening baseren op de Tora. Ook het onderscheid tussen Pasen, het in relatie treden tot God, en Grote Verzoendag, het herstel van de geschonden relatie, is in het Nieuwe Testament gehandhaafd. Het echt beslissende onderscheid is de erkenning van Jezus als de door God geschonken Messias. De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt daarvan: Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon (Hebr. 1:1). In Hem schenkt de God van Israël verlossing en verzoening.


Daar ligt tot op de dag van vandaag een groot spanningsveld. Een spanningsveld dat stellig vergroot is door de doorgaans negatieve houding van de kerk t.o.v. de Joden in de loop der eeuwen. In het heden is dit zeker een van de elementen die het voor Joden moeilijk maken Jezus als Messias te erkennen.

Bekijken we de moeite daartoe vanuit het thema verzoening, dan komt daar nog dit bij. In de Tenach wordt de Messias doorgaans wel getekend als Bevrijder, maar niet direct als iemand door wie verzoening tot stond gebracht wordt. Een beroep door christenen op Jesaja 53, de profetie over de lijdende knecht des Heren, wordt daarom meestal van joodse zijde van de hand gewezen. Toch geeft deze profetie stellig een indirecte aanwijzing. Jesaja gebruikt niet het woord Messias, maar heeft het over ‘de rechtvaardige’: door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken (Jes. 53:11). Nu behoort tot het joodse gedachtegoed de opvatting dat de rechtvaardigen door hun lijden en sterven verzoening kunnen doen voor de zonden van hun gehele generatie (zo het geschrift Bavli Sjabbat 31B).

De apostel Johannes betrekt die gedacht als volgt op Jezus: En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige. Tegelijk verruimt hij het effect: en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook die van de gehele wereld.

We staan wellicht toch dichter bij elkaar dan we voor waar willen houden.




Noten
1 Zie ‘Vrede over Israël’, jaargang 53, nummer 4.
2 Sasja Martel, Sterk als de dood, pag. 27
3 De eerste vijf Bijbelboeken.
4 De Tenach is wat in de christelijke kerk het Oude Testament wordt genoemd.
5 In zijn boek Joodse feesten en vasten wijst dr. G.H. Cohen Stuart uitgebreid op dit onderscheid. Zeer informatief is het excurs: Het offerritueel van Grote Verzoen­dag en de brief aan de Hebreeën.
6 Jochanan ben Zakkai is de grondvester van het klassieke jodendom na de verwoesting van Jeruzalem.

drs. Kees van den Boogert
Vrede over Israël jrg. 53 nr. 5 (dec. 2009)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel