Rapportage aan de generale synode van de Chr. Geref. Kerken 1992


Bezinning in het verleden


In opdracht van deputaten heeft dr. T. Brienen een bezinningsrapport samengesteld, mede in het licht van de opdrachten van de generale synode van 1989, waar sprake is van ‘het voortzetten van hun bezinning’ en dat ‘in continuïteit met het verleden’. Daarom heeft hij uit de officiële bezinnings­stukken van deputaten vanaf 1945 een rapport samengesteld onder de titel: Ingelijfd in Israël en ten dienste van Israël. De hoofdzaken van deze bezinning komen op het volgende neer:

1. Plaats van Israël in het heilshandelen van God

God doet nog steeds het Joodse volk voortbestaan. Wat is de diepste reden daarvan? In elk geval kan gezegd worden, dat het voor geen tegenspraak vatbaar is, dat er met name ook in het N.T. nog beloften liggen voor het volk Israël. God heeft Zijn belofte en verkiezing omtrent Israël niet teniet gedaan.


Het is echter de vraag, of het herstel van Israël als natie regelrecht gezien moet worden als vervulling van oud- en nieuwtestamentische beloften. We moeten voorzichtig zijn om uit de feitelijkheid van de geschiedenis conclusies te trekken ten aanzien van Gods handelen, ook met Israël. Wel kan gezegd worden, dat God nog steeds met Israël bezig is.


Voorts zegt de Bijbel duidelijk, dat er voor jood en heiden geen heil is buiten Christus (zie Ef. 2:14, Gal. 3:29). De christelijke gemeente is bij Israël ingelijfd en deelt nu in de beloften, die Israël gelden (zie o.a. Ps. 87, Rom. 11:17). Dit betekent, dat Israël door God nimmer is afgeschreven en dat bij de relatie met Israël de kerk mag bedenken dat hier iets anders aan de orde is dan bij de zendingsarbeid onder de heidenen.


Zowel de verharding van Israël als ook het behoud van ‘geheel Israël’ ziet de apostel zich voltrekken in het ‘heden’, d.w.z. tussen de eerste en de tweede komst van Christus (vgl. Rom. 11:26vv). Het gaat God nog steeds om Israël, ook in het behoud van de heidenen. De kerk is volk van God, doordat ze door Christus in Israël is ingelijfd. Daarom maakt Paulus nadrukkelijk onderscheid in de benadering van Joden en heidenen met het evangelie. Met de eersten wil hij samen de schriften van het Oude Testament lezen als roepend om en reeds getuigend van Jezus Christus.

2. Geen twee wegen

Hij is de ene weg. Het gaat om één Herder en één kudde, uit Joden en heidenen. De gedachte van de twee-wegen is van het begin af door deputaten steeds afgewezen.


De verhouding van Israël en Kerk is een heel bijzondere. Ze staan niet naast of tegenover elkaar, ze komen nog minder na elkaar. Er is de noodzaak dat ze naar elkaar toekomen, omdat ze met elkaar de ene weg moeten gaan van het leven met God in zijn verbond en het als zondaar behouden worden door zijn genade, die in Christus Jezus is. Samen-met-elkaar is de karakterisering voor de onderlinge verhouding.

3. Gesprek - getuigenis - dienst

Gods handelen met Israël gaat voort in de tijden in vervlochtenheid met zijn handelen onder de volken. Hierbinnen heeft Israël een roeping van zijn God, maar de kerk niet minder.


De taak van de kerk wordt als driedelig gezien: gesprek, getuigenis en dienst. Gesprek rondom de Bijbel in wederzijdse waardering en erkenning. Daar mag en moet ook het getuigenis van Jezus de Messias klinken, niet hoogmoedig, maar in nederigheid en toegenegenheid. Dat moet onderstreept worden met daden van hulpverlening en dienstbetoning. Omdat wij bij Israël zijn ingelijfd, hebben we ook een taak ten dienste van de mededeelgenoten van hetzelfde verbond.

4. Herbezinning op Jezus als de Messias

Het gesprek over het Messiasschap en Zoonschap van Jezus kan niet achterwege blijven, omdat deputaten van joodse zijde daar ook op aangesproken worden. Er is binnen het Jodendom een intense belangstelling voor en bezinning op Jezus gaande. Men spreekt wel van een ‘thuishalen’ van Jezus in het joodse milieu van de eerste eeuw. Als we daarover met de Joden spreken, moeten we wel de werkelijke Jezus bedoelen en vertolken.


We kunnen van de joodse bezinning op Jezus veel leren. De persoon, het werk en de woorden van Jezus worden duidelijker in het licht van zijn tijd en de joodse opvattingen van zijn dagen. Dit is wel de ‘luisterlijn’ in de ontmoeting genoemd.


Tegelijkertijd mag niets afgedaan van het totale getuigenis der Schriften en van de belijdenis van Jezus de Messias, de Zoon van God als waarachtig God en waarachtig mens, waarin zijn uniciteit verwoord liggen. Dat is dan de ‘getuigenislijn’.

5. Israël - volk, land en staat

De uitroeping van de staat Israël in 1948 heeft ook onze deputaten gedwongen na te denken over de verhouding van het volk Israël tot zijn land en over zijn herstel als natie en staat.


In het deputaatschap werd niet gelijk gedacht over de vraag of Gods beloften aan Abraham m.b.t. het land ook doorgetrokken mogen worden naar de huidige situatie, waarin Israël een moderne staat is.


Sommige deputaten benadrukten dat vooral in het N.T. een ‘bovenlandelijk’ niveau van de beloften zou zijn gekomen. Men moet ook niet te gemakkelijk van de gedachte uitgaan, dat het in het O.T. gezegde zonder meer voor de Joden van nu geldt.


Andere deputaten zagen in het herstel van natie en staat wel een handelen van God, die bezig is beloften te vervullen, welke beloften ook spreken over de terugkeer van Israël naar zijn land.


Nadere bezinning blijft geboden, omdat allerlei vragen over deze zaak uit eigen kerken en uit andere organen van Israëlwerk deputaten keer op keer bereiken.

6. Het werk in Israël zelf

Stonden deputaten aanvankelijk huiverig tegenover het (laten) werken in het land Israël zelf - dat zou de verdeeldheid der christenen in Israël vergroten, als wij er weer apart aan het werk sloegen en zo onze verscheurdheid daar overplantten! - later wordt de gedachte anders, maar het principe blijft: als we er gaan werken, dan altijd in samenwerking met reeds bestaande organen en kerken.


Zo was men blij met de functie van ds. M. Boertien als fulltime secretaris van de United Christian Council in Israël. Zo kan daar, in goede samenwerking met anderen, de ontmoeting van Joden en Christenen het best bevorderd worden en de bezinning op de verhouding Kerk en Israël ter plekke gestimuleerd en gediend worden.


Getracht mag worden een bijdrage te leveren aan de ontmoeting en het gesprek in Israël tussen Joden en Christenen met het doel dat zó de Schriften worden gelezen, dat de klaarblijkelijkheid van alles wat op de Messias betrekking heeft, gezien en erkend worde.