pijl omhoog

Niet ons - maar wij...

Schriftstudie over Psalm 115


Niet ons, o Heer, niet ons,
maar uw naam geef eer,
om uw goedertierenheid, om uw trouw.


Het lijkt wel, of we aan het begin van deze psalm midden in een gesprek vallen, alsof iemand net beweerd heeft: God, de Heer, zou ‘ons’ eer moeten geven - en daar wordt nu tegenin gegaan door die ‘ons’, die ‘wij’. Maar wie zijn dat? Wanneer je midden in een gesprek valt, moet je wel goed weten, wat er aan de hand is, vóór je partij kiest. In deze psalm gaat het om dat ‘wij’, van het begin tot het eind.


Waarom zouden de heidenen zeggen:
Waar is toch hun God?


Als er een ‘ons’ is, een ‘wij’, móet er haast ook wel een ‘zij’ zijn: de anderen, hier de heidenen. Die anderen vragen, of God er eigenlijk wel is. Dat is in ieder geval een bekende vraag, die ook ons wel gesteld wordt - die we misschien ook zelf wel stellen.


Onze God is in de hemel,
Hij doet al wat Hem behaagt.


Een heel simpel antwoord, dat echter niet iedereen tevreden stelt. Want wat zie je en merk je ervan, dat God in de hemel is? En ‘al wat Hem behaagt’... is dat wel helemaal te vertrouwen? Wanneer iemand hier op aarde doet ‘al wat hem of haar behaagt’, gaat dat altijd verkeerd. Is daar geen controle nodig, democratie en inspraak? Op het antwoord op deze tegenwerping moeten we even wachten. De psalm spreekt eerst verder over die ‘anderen’ en dat, wat zij ‘god’ noemen:


Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden;
zij hebben een mond, maar spreken niet,
zij hebben ogen, maar zien niet,
zij hebben oren, maar horen niet,
zij hebben een neus, maar ruiken niet,
hun handen - maar zij tasten niet,
hun voeten - maar zij gaan niet.
zij geven geen geluid met hun keel.
Wie hen maakten, zullen worden als zij,
ieder die op hen vertrouwt.


Een uitvoerige beschrijving. Je kunt die ‘goden’ zien, maar daarmee is dan ook alles gezegd: ze kunnen zelf niets. Dit is eigenlijk een heel vrolijk stukje Bijbel: de bedreigende goden worden ronduit belachelijk gemaakt. Wij kunnen al die zinnetjes ook omkeren; dan zeggen ze iets over ónze God: Hij heeft geen mond, geen mond zoals die goden, maar Hij spreekt; Hij heeft geen ogen, geen ogen zoals die goden, maar Hij ziet wel degelijk.


Israël, vertrouw op de Here,
Hij is hun hulp en hun schild;
gij huis van Aäron, vertrouwt op de Here,
Hij is hun hulp en hun schild;


Daar zie je het! ‘Over wie gaat het hier?’ was onze vraag. Over Israël gaat het, zoals zo vaak in de Bijbel. Het volk van God en daarna de priesters worden opgeroepen, op de Here te vertrouwen. En wij? De vraag blijft: waar zijn wij? Horen we bij de ‘wij’ voor wie deze psalm bedoeld is? Of worden we bij de heidenen gerekend?


Gij, die de Here vreest,
vertrouwt op de Here,
Hij is hun hulp en hun schild.


Kijk, dat is beter. Dat is breder. Zij, die de Here vrezen, dat zijn in de Bijbel meestal diegenen, die om het volk Israël heen staan; die er geen deel van uitmaken, maar er wel bij horen - ómdat ze de Here vrezen. Zo is het met ons ook, en met ons Psalmen-lezen: we hebben geleerd, van Jezus Christus en de apostelen, van het volk van Israël, de Here te vrezen. Daarom zijn we erbij gaan horen, bij het ‘ons’ en het ‘wij’ van de psalm, en zijn het ook onze psalmen geworden.


De Here heeft onzer gedacht;
Hij zal zegenen,
Hij zal zegenen het huis Israëls,
Hij zal zegenen het huis van Aäron;
Hij zal zegenen wie de Here vrezen,
kleinen zowel als groten.
De Here moge u vermeerderen,
u en uw kinderen.
Gezegend zijt gij door de Here,
die hemel en aarde gemaakt heeft.


Nu gebeurt er wat: niet slechts woorden, uitspraken over God en goden en mensen, maar handeling. God handelt, Hij doet wat Hem behaagt en zegent. En hoe...! Hij zegent de drie genoemde groepen die op Hem vertrouwen, en het wordt als bevestiging nog eens herhaald: gezegend zijt gij. Wanneer God, deze God, doet wat Hem behaagt, hoeven we niet in te zitten over de resultaten. Wat Hem behaagt is ook het goede, het beste voor de mensen: zijn zegen. Inspraak is overbodig.


Daarmee zou de psalm kunnen eindigen. Maar de woorden ‘hemel en aarde’ vragen nog om een kleine uitleg, een slotopmerking, waarmee ook de mensen op hun plaats worden gezet.


De hemel is de hemel van de Here,
maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.


Hemel en aarde zijn beide door God gemaakt. Maar ze hebben een verschillend doel. God is in de hemel, hoorden we aan het begin van de psalm. En hoewel we weten, gelukkig, dat Hij ook op de aarde is, is die aarde ook voor de mensen, voor ‘ons’.


Niet de doden zullen de Here loven,
niemand van wie in de stilte zijn neergedaald,


Daarmee wil niets ontkend zijn van wat wij geloven over de mensen die overleden zijn en over hun nabijheid bij God. In het Oude Testament wordt daarover dikwijls niet gesproken. Benadrukt wordt, dat het gaat om het leven, om dit gekregen leven op de aarde.


Daar krijgt nu alles zijn plaats. De vraag naar het ‘wij’ uit vers 1 wordt nadrukkelijk beantwoord met een ‘maar wij’. Dat sluit alle mensenkinderen in, die op de Here vertrouwen: Israël en de anderen. En er is nog een andere boog van het eerste naar het laatste vers: het gaat om het loven van de Here. ‘Niet ons’, maar de naam van de Here zij eer - en daarom:


Maar wij, wij zullen de Here prijzen
van nu aan tot in eeuwigheid.
Halleluja.

drs. Rien van der Vegt
Vrede over Israël jrg. 44 nr. 2 (apr. 2000)
www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel

vrede-over-israel